Bekijk het origineel

Algemene beschouwingen over de Rijksbegroting voor het jaar 1959

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Algemene beschouwingen over de Rijksbegroting voor het jaar 1959

28 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van van Dis

De Tweede Kamer maakte op dinsdag 30 september j.l. een aanvang met de dgemene politieke beschouwingen over de Rijksbegroting voor het dienstjaar 1959. Daar de spreektijd sterk beperkt was, konden deze beschouwingen in eerste termijn in een middag- en avondvergadering worden beëindigd, zodat de regering des woensdagsmiddags de sprekers kon beantwoorden en de replieken met het antwoord hierop van de regering op de - avond van diezelfde dag konden plaats vinden.

Was bij de algemene politieke beschouwingen tot nu toe steeds door Ds. Zandt ids voorzitter der S.G.P.-fractie het woord gevoerd, ditmaal vond Ds. Zandt het, hoewel hij weer veel beter is dan enige tijd terug en hij over enige tijd zijn Kamerwerkzaamheden weer dei^ ié kunnen hervatten, toch maar beter om zelf nog niet het woord te voeren. Inplaats van door hem werd het daarom .n overleg met hem thans door Ir. van ; 5is gedaan. Daar de spreektijd voor de •> .G.P.-fractie op 30 minuten was vast- '^esteld, konden sommige aangelegenheden maar heel kort besproken worden, .erwijl andere slechts met name of in het geheel niet ter sprake konden komen.

Daar wij een nadere toelichting van de rede niet nodig achten, zuUen wij met 'leze korte inleiding volstaan en laten wij hieronder d© rede onverkort volgen, zoals zij werd uitgesproken en in de Handelingen der Tweede Kamer is afgedrukt.

Ir. van Dis sprak als volgt: Mijnheer de Voorzitter! Het is thans voor de derde keer, dat de Kamer zich bezighoudt met algemene politieke beschouwingen over een begroting van een Ministerie, dat in 1956 tot stand kwam na maandenlange onderhandelingen, waarbij maar al te zeer aan het hcht kwam, dat partijbelangen ^aarbij een zeer voorname rol speelden en zelfs bij landsbelangen ten achter gesteld werden.

Reeds bij de behandeling van de eerste begroting van dit Ministerie bevonden wij ons in de voor ons onaangename positie, dat wij haar om des beginsels wil te bestrijden hadden, een positie, waarin wij ons nog bevinden. Veel liever ware het ons, dat wij ons met het beleid der regering zouden kunnen verenigen; doch dit is ons om principiële redenen onmogehjk. Ook nu rullen wij dit beleid moeten bestrijden, doch evenals dit steeds door ons betracht werd, is het ons voornemen aan onze bestrijding geen persoonhjk, maar uitsluitend een principieel karakter te geven.

Voordat wij echter hiertoe overgaan, wensen wij, evenals de sprekers, die voorafgingen, enkele opmerkingen te maken over de uitslag van de kortgeleden plaatsgehad hebbende verkiezingen voor de Staten en de gemeenteraden. Beide verkiezingen hadden voor de V.V.D. een bij uitstek gunstig verloop. Een deel van ons volk toonde genoeg, zelfs meer dan genoeg te hebben van het regeringsbeleid, v/ant al ging het bij deze verkiezingen niet om verkiezingen voor de Tweede Kamer, toch lijdt het ons inziens geen twijfel, dat bij de staten- en gemeenteraadsverkiezingen van dit jaar het algemene regeringsbeleid voor vele kiezers van grote invloed is geweest bij het bepalen van hun stem. Dit kan daaruit blijken, dat de verschuiving naar de V.V.D. zich vrijwel in het gehele land voordeed, terwijl bovendien te constateren valt, dat die verschuiving zich bij de gemeenteraadsverkiezingen in nog sterkere mate voordeed dan bij de statenverkiezingen. Op grond van deze niet te weerleggen feiten menen wij, dat met alle recht gesteld kan worden, dat het regeringsbeleid

op de uitslagen der in dit jaar gehouden verkiezingen van grote invloed is geweest. En dit behoeft ook niet te verwonderen. Tussen de kamerverkiezingen van 1956 en de verkiezingen van dit jaar lag maar een tijdperk van twee jaar, maar in dit tweetal jaren is veel voorgevallen. Het aureool, dat velen om het hoofd van de P.v.d.A. gevlochten hadden, als ware zij de bewerkster van de hoogconjunctuur, was in dit tijdsbestek niet alleen verbleekt, maar was haar zelfs geheel ontvallen. De hoogconjtmctuur had afscheid van ons genomen en plaats gemaakt voor een inzinking op economisch gebied, waardoor de zo ruime werkgelegenheid ten einde kwam en d© werkloosheid meer en meer toenam.

Kortom, de jammerUjke gevolgen van het onverantwoorde regeringsbeleid traden zichtbaar aan de dag. Onverantwoord noemden wij dit beleid, omdat er door de regering maar van de hoge boom geleefd werd, alsof er aan het geld geen opkomen was. De staatsuitgaven warpn tot een ongehoorde wijze de hoogte ingedreven, inplaats dat zij omlaag gebracht waren. Daarbij kwamen de zo hoog geklommen belastingen, de steeds stijgende lasten, alsmede het dure leven, dat vooral een zware druk legde op de vergeten groepen, die voor hun stijgende mtgaven van regeringswege, en dat in onderscheiding van andere groepen der bevolking, nimmer §f althans zeker niet in afdoende mate compensatie ontvingen.

Ook de sterk toegenomen invloed van de staat op sociaal en economisch terrein met de daaraan verbonden euvelen van bureaucratie en ambtenarij en vooral niet te vergeten de daarmede gepaard gaande dwang liet niet na de kiezers te beïnvloeden. Dat op deze toestanden een reactie te verwachten was, bevreemdt ons dan ook allerminst. De ontevredenheid onder velen van ons voDc steeg voortdurend «n is dan ook bij de laatste verkiezingen tot uiting gekomen.

De zware slagen, in de vorm van sterke achteruitgang in het stemmenaantal, kwamen inzonderheid op de P.v.d.A. neer, doch ook — zij het in heel wat mindere mate — op de C.H.U. en de A.R.P. Of de winst, welke de V.V.D. behaalde, van blijvende aard zal blijken te zijn, valt uiteraard niet te zeggen. Het is toch zo gesteld, dat tal van kiezers zich bij het uitbrengen van hun stem niet laten leiden door beginselen, maar louter door belapgen,

stoffelijke belangen. Zij doen een keus uit die partijen, welke hun de meeste materiële voordelen in het vooruitzicht stellen. Stelt een partij hunner keus in deze teleur, dan vallen zij op een andere partij terug. Dit heeft zich thans voorgedaan bij de verschuiving naar de kant van de V.V.D. Het is echter zeer wel mogelijk, dat bij een gimstiger worden van de conjunctuur of om 'n andere oorzaak de stemmenwinst, welke de V.V.D. dit jaar ten deel viel, weer teloor zal gaan. Zo is het ook gegaan met de winst, welke de antirevolutionairen bij de Kamerverkiezingen van 1937 b^aalden. Bij deze verkiezing hadden de antirevolutionairen toen de wind in de zeilen, doordat het ministerie van Dr. Cohjn de gulden had laten devalueren. Daardoor was er een opleving in het maatschappelijk leven gekomen, wat in'geen geringe mat© aan Dr. Colijn werd toegeschreven. Voor tal van kiezers was dit een reden, zelfs voor vele joden, om hun steun op de lijst der antirevolutionairen uit te brengen. Het aantal zetels dezer partij steeg zelfs met vier, waardoor de fractie van 13 op 17 leden kwam. Wat is van deze belangrijke winst echter overgebleven? Zo nu kan het ten aanzien van de V.V.D. ook verlopen, daar het niet aan te nemen is, dat velen, die nu op de V.V.D. gestemd hebben, doch dit anders niet deden, eensklaps rasechte liberalen geworden zijn. Wel kan ons inziens gezegd worden, dat de uitslag der laatste verkiezingen voor de P.v.d.A. een waarschuwend teken aan de wand is. Wat de partij / aangaat, Mijnheer de Voorzitter, welkt»! door ons in de Kamer mag vertegenwoordigd worden, kan naar waarheid verklaard worden, dat ook zij over de uitslag der in dit jaar gehouden verkiezingen niet te klagen heeft. Die uitslag geeft integendeel zelfs reden tot grote tevredenheid, waar alle statenzetels behouden werden en er zelfs een tiental raadszetels bij verkregen werd. Veertig jaar geleden, zeer klein als een onbetekenende partij begonnen — zij had aanvankelijk meer los verspreide aanhangers dan kiesverenigingen — is zij thans uitgegroeid tot een partij met circa 300 kiesverenigingen. Ook heeft zij de toets der verkiezingen kunnen doorstaan. Al heeft zij dan niet zulk een eclatant succes behaald als de V.V.D., ook thans is weer gebleken, dat zij zich mag verheugen over een vast kiezerskorps, dat om principiële en andere redenen zich niet kan verenigen met de tifdgeest en het regeringsbeleid.

Overgaande tot de bespreking van dit beleid. Mijnheer de Voorzitter, wensen wij enkele voor ons zeer gewichtige aangelegenheden ter sprake te brengen. In de eerste plaats hebben wij het oog op de eerbiediging van de zondag of om met de oude christelijke kerk te spreken, , de dag des Heeren. Ten aanzien hiervan is nog immer van kracht het vierde gebod van Gods wet, waarin de heiliging van en de rust op Gods dag wordt geëist tot zelfs van de vreemdeling birmen de poorten toe. Hiermede is het echter in ons land allerdroevigst gesteld. Ten opzichte hiervan is de overheid veel, wi] overdrijven niet als wij zeggen: in alles te kort geschoten. Dit geldt niet alleen ten aanzien van het huidige regeringsbeleid, maar van dat van alle na-oorlogse ministeries, ja ook van 't beleid onder zich christelijk, zelfs positief-christehjk noemende kabinetten. Ook onder deze — om maar iets te noemen — reden de treinen op zondag en werd het spoorwegpersoneel op die dag, op straffe van ontslag, gedwongen om wat de oude christelijke kerk terecht slavenwerk noemde, te verrichten. Ook werden er door de toeimialige overheid op zondag al herhaaldelijk treinen tegen goedkoop tarief ingelegd om het publiek te vervoeren naar allerlei vermakehjkheden, zoals sportwedstrijden, kermissen, alsook naar tentoonstellingen met daaraan gewoonlijk verbonden lunaparken, waardoor dus het pubhek extra aangemoedigd werd om Gods dag te ontheiligen en de rust er op te verstoren.

Na de oorlog heeft de overheid dit voortgezet, alsof er geen maanden geweest waren, waarin er geen trein, tram en bus reden. Vroeger heette het — dit werd ook zelfs van antirevolutionaire zijde beweerd — dat het onmogelijk was om de openbare vervoermiddelen op zondag te doen stilstaan, maar het heeft toch in weerwil van alle tegenredeneringen in de bezettingstijd wel gekund. De regering wil het echter niet. Zij gaat niet te rade met wat God in Zijn wet eist, maar laat zich leiden door de verlangens van het publiek. Dientengevolge worden duizenden werknemers bij trein, spoor, tram en bus des zondags aan hun gezinnen onttrokken en wordt van hen verlangd, dat zij hun werkpak aantrekken, waardoor de rustdag, die tot heil en zegen van heel de mensheid door God is ingesteld, voor velen tot een werkdag verlaagd wordt. Ook onder dit kabinet lopen er niet alleen treinen, trams en bussen op zondag, maar ook zogenaamde goedkope treinen, waartegen de antirevolutionairen vóór de oorlog nog bezwaren inbrachten, maar nu geschiedt 2nilks onder de verantwoordelijkheid van een minister van antirevolutionairen huize, wat wel het verval dezer partij zichtbaar voor elks oog onderstreept. Dit is ook al het geval met de christelijk-historischen, die in 1953 hun stem hebben uitgebracht voor de thans bestaande Zondagswet, een wet, waarbij het houden van allerlei vermakelijkheden en het beoefenen van sport en spel op zondag wettelijk gesanctioneerd is.

Bovendien was het bij de oude Zondagswet nog zo gesteld, dat gemeenteraden verordeningen konden maken, waarbij het beoefenen van sport op zondag verboden kon worden, volgens de huidige Zondagswet is dit niet meer mogelijk. Zelfs is het nu al zover gekomen, dat ook aan verordeningen, waarbij het geopend zijn van herbergen en cafes op zondag verboden is, getornd wordt, waardoor het die kant dreigt uit te gaan, dat al dergelijke verordeningen rechtskracht zullen verliezen. Door een onlangs gedane uitspraak van de Hoge Raad is reeds door de tegenstanders van het betreffende verbod verkregen, dat voor bepaalde gemeenten en voor bepaalde gedeelten van het jaar genoemde verordeningen waardeloos zijn geworden. Zo wordt ten aanzien van de zondag het Goddelijk gebod al meer en meer op zij gezet en een bestuursbeleid gevoerd, dat zich volgens het begiasel der revolutie naar het publiek richt inplaats van naar Gods Woord, waardoor de zondag een zondendag bij uitnemendheid is geworden. Ook de Winkelsluitingswet werkt daar hard aan mede. Te­ vens zien %vij in het regeringsbeleid een ernstig tekort, waar de regering aog steeds in gebreke bhjft om de lastering van Gods Naam als 2»danig strafbaar te stellen, terwijl zij al evenmin ingrijpend© maatregelen neemt tegen het vloeken, ook in onze weermacht.

In dit opzicht staat het regeringsbeleid wel zeer ver ten achter bij dat van de heidense koning Nebukadnézar, die strenge straffen stelde op de lastering van de God des hemels en der aarde. Blijkt uit dit alles reeds overduidelijk, dat het regeringsbeleid de ontkerstening van ons volk in hoge mate bevordert, dit komt al niet mïider uit in de heidense praktijk der lijkverbranding, welke met de christelijke zede beslist in strijd is en ten aanzien waarvan de regering onlangs bij de Kamer een voorstel van wet heeft ingediend, waardoor de toepassing van deze praktijk nogal weer gemakkehjker zal worden gemaakt. De voortschrijdende ontkerstening van ons volksleven vertoont zich al evenzeer bij de toepassing van het moderne strafrecht, dat ook onder het huidige ministerie in steeds meerdere mate wordt toegepast en mede in de hand werkt, dat hoogst gevaarhjke misdadigers uit de gevangenis konden ontvluchten en dat er in tal van gevallen zelfs bij ernstige misdrijven, zoals het begaan van moord, lichte straffen worden toegekend. In dit verband. Mijnheer de Voorzitter, kunnen wij niet nalaten andermaal bij de regering te bepleiten het nemen van straffe maatregelen tegen het bioscoopkwaad, door allerlei prikkelende, tot het begaan van misdrijven aansporende voorstellingen te verbieden. Het kan niet ontkend worden, dat er een hoogst verderfelijke invloed, vooral op de jeugd, uitgaat van bioscoopvoorstellingen, waarin schietpartijen, het gebruik van moorddadige wajxjns aan de orde van de dag zijn. De bioscoopcommissie ten onzent schiet te deze ten enenmale in haar taak schromelijk te kort. Inplaats dat zij alles in het werk stelt om de ondermijning der zeden te bestrijden en tegen te gaan, werkt zij die ondermijning veeleer in de hand door toe te laten wat besHst verboden behoorde te worden. Ook ten aanzien van de verkoop van allerlei goede zeden verwoestende lectuur en plaatwerk blijft de regering in gebreke om stherpe maatregelen te nemen.

In één woord samengevat. Mijnheer de Voorzitter, gaat ons zeer ernstig, principieel bezwaar tegen het regeringsbeleid daartegen, dat dit niet gericht wordt fiaar het richtsnoer van GJods geboden en dat de regering door haar wetgeving en maatregelen het materialisme dient, wat ook al uitkomt in het toekennen van subsidies aan sport en spel, opera, toneel, tot aan het dansen en de danskunst toe. Hierdoor wordt de materialistische levensopvatting ongetwijfeld onder ons volk sterk in de hand gewerkt. Het is daarbij zelfs al zo ver gekomen, dat bij velen de vraag naar brood en spelen het hoofddoel des levens uitmaakt. Het is toch met het regeringsbeleid alzo gesteld, dat het zich alleen tot het tijdelijke en vergankelijke uitstrekt en zodoende geheel in de Hjn is van hen, die het tijdelijk genot als het hoogste doel van het leven stellen, die zichzelf wis- maken, dat er na dit leven geeu leven meer is en dat dood dood is. Deze puur heidense levensopvatting druist echter vierkant in tegen de christelijke religie, weDce ons voorhoudt, dat elk mens een eeuwigheid en de verschijning voor Gods rediterstoel wacht. Zij gaat ook lijnrecht in tegen Christus' uitspraak: „Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden".

Mijnheer de Voorzitter! Het grote verval onder ons volk, van welke kant ook bezien, openbaart zich hoe langer hoe meer. Wij stellen — het zij nadrukkelijk gezegd - de regering daarvoor niet alleen aansprakelijk, maar verklaren toch met alle vrijmoedigheid en dat naar alle waarheid, dat haar wetgeving en maatregelen dit verval sterk hebben bevorderd, en, als zij op de ingeslagen weg blijft voortgaan, nog verder zal bevorderen. Het gesignaleerde verval is indterdaad schrikbarend groot en neemt nog steeds toe. Het grote en steeds toenemende getal, dat openlijk met God en Zijn dienst gebroken heeft en nog breekt, legt er een onwedersprekelijk getuigenis van af. Knoeierijen, bedriegerijen, oplichtingen en falsificaties hebben ten onzent bij wijze van spreken aan de lopende band plaats, zodat het iets bijzonders is, als er een krant ver­ schijnt, waarin geen bericht daarover te lezen staat. De criminaliteit onder de jeugd is, vergeleken met die van vóór de oorlog, tweemaal zo groot geworden. Om een weinig geld wordt er tegenwoordig een moord gepleegd, zoals kortgeleden er nog één gepleegd werd op de Twijzelerheide. Het leven van de naaste wordt bij velen niet meer geteld, getuige het zo roekeloze rijden op de weg, waardoor de veiligheid van het verkeer ernstig in gevaar wordt gebracht, zo zelfs, dat velen het met de dood moeten bekopen en anderen min of meer zware verwondingen bekomen. Voorts worden de afgrijselijkste moorden gepleegd, zoals die op een Utrechtse knaap, wiens vrijwel vergane stoffe- Hjke overschot onlangs in een bos te Driebergen werd gevonden.

Zo zouden wij wel door kimnen gaan, doch waartoe er nog meer woorden aan besteed, waar de feiten zuDc een overtuigende taal spreken? Wij zullen er alleen nog maar van zeggen, dat ook in deze bewaarheid wordt de uitspraak, dat wat afvalt van de hoge God, zeker vallen moet.

Mijnheer de Voorzitter! Alvorens tot de bespreking van de Troonrede over te gaan, kunnen \vij niet nalaten inzake het regeringsbeleid nog enkele opmerkingen te maken, die van stoffelijke aard zijn. Reeds hebben wij één en ander gezegd over de veelvuldig toegepaste staatsdwang. Het is bekend, dat wij ons daar immer ten sterkste tegen verzet hebben. Wij brengen slechts in herinnering de vele keren, dat wij in deze Kamer het pleit hebben gevoerd voor het particuliere initiatief en voor de vrijheid in het bedrijfsleven, zelfs in gevallen, dat wij daarbij geheel alleen in deze Kamer stonden. Dit was onder meer het geval ten aanzien van de gewetensbezwaarde veehouders, die zich om des gewetens wil niet durfden en niet konden onderwerpen aan de maatregelen, welke met steun van vrijwel heel het parlement genomen waren. Ook hebben wij ons verzet tegen de staatsdwang, welke bij de sociale verzekeringswetten wordt toegepast. Niet minder zijn wij opgekomen voor de gewetensbezwaarden ten aanzien van de Algemene Ouderdomspensioenwet. Wij achten het toch in hoge mate onbillijk, dat de regering onverzettelijk bij haar standpunt bhjft en tot betaling ten behoeve van deze wet dwingt, ook indien de betreffende personen om des gewetens wil geen cent van deze wet durven of kunnen trekken. Niet minder geldt dit ten aanzien van predikanten, die door hun kerken op hun oude dag onderhouden vforden en die krachtens beginsel en alzo om des gewetens wü van deze wet geen uitkering kunnen aanvaarden.

Met alle klem en nadruk dringen wij er bij de regering op aan om deze haar houding tegenover de gewetensbezwaarden te herzien en althans, wat sommigen hunner begeren, een spaarregeling te hunner behoeve in te stellen, gelijk daartoe de mogelijkheid bestaat bij de bedrijfspensioenfondsen.

Vervolgens, Mijnheer de Voorzitter, komen wij er tegen op, dat men personen dwingt oontributies te betalen voor instellingen, waarom men niet gevraagd heeft en waarvan men het nut niet inziet. Is dat al heel erg, nog erger is zulk een optreden, als het personen betreft, die zich in geen enkele organisatie bevinden en ook nooit in een organisatie geweest zijn, zoals dit onder de boeren, maar ook onder de ondernemers in andere bedrijfstakken voorkomt. Wij denken hierbij aan het Landbouwschap, waartegen onder de boeren, vooral in de laatste tijd, zuDc een sterk verzet is gerezen. Een verzet, dat allereerst zijn oorzaak vindt in de op hen uitgeoefende dwang tot betaling van contributie, maar bovendien ook daaruit, dat de lasten voor velen hunner niet meer te dragen zijn. In enkele gevallen is 't hierbij reeds zo ver gekomen, dat door het Landbouwschap een deurwaarder op de be- treffende landbouwers werd afgestuurd en dat tot verkoop van eigendommen werd overgegaan. De ontevredenheid over deze gang van zaken wordt onder deze boeren niet weinig vergroot, doordat zij zien, dat het Landbouwschap kapitalen verslindt aan salarissen, aan vergoedingen voor vergaderingen en dagelijks bestuur, alsook voor die van gewestelijke voorzitters, aan reis- en verblijfkosten, enz.

Grote ontstemming, Mijnhe«' de Voorzitter, valt al evenzeer te constateren in de kleine metaalindustrie, zoals bij smeden, en ook bij die in het schüdersbedrijf en andere bedrijfstakken vanwege de premies, die van hen opgeëist worden ten behoeve van het bedrijfspensioenfonds. Ook hierbij kwam het hier en daar reeds tot openbare verkoping, gelijk nog de vorige week plaatsvond bij een edelsmid hier in Den Haag, waarbij ook alweer bleek, dat men zich ten zeerste ergert over de op hen toegepaste dwang. Thans overgaande tot de Troonrede, Mijnheer de Voorzitter, willen wij allereerst opmerken, dat het ons opgevallen is, dat dit staatsstuk, op enkele weinige uitzonderingen na, 'a zeer ongunstig onthaal ten deel gevallen is. De pers was er over het algemeen niet goed over te spreken; onderscheidene personen uit het bedrijfsleven hebben er zich verre van waarderend over uitgelaten, terwijl er ook uit de kringen der werknemers — met name van de zijde van het Nederlands Vakverbond (N.V.V.) en de Katholieke Arbeidersbeweging {K.A.B.) — stemmen zijn vernomen, waaruit maar al te zeer blijkt, dat de Trooinede in deze kringen allesbehalve met instemming is begroet. Mijnheer de Voorzitter! Wij zullen op deze oordeelvellingen inzake de Troonrede vanzelfsprekend niet ingaan. Zij zijn de regering zonder twijfel bekend. Daarom volstaan wij met het maken van eurkele opmerkingen, die bij het doornemen van dit staatsstuk bij ons rezen.

Wij willen dan beginnen met de aanhef der Troonrede, waarin wordt gezegd, dat het jaar, dat achter ons ligt, in de wereld geen. ontspanning heeft gebracht. Dit is één van de weinige zinsneden uit de Troonrede, waartegen wel niemand enig bezwaar zal kunnen inbrengen. Ondanks de Organisatie der Verenigde Naties en de Veiligheidsraad, volgde de ene na de andere spanning en nog immer duren de spanningen voort, zo zelfs, dat er maar heel weinig nodig is of de wereld staat opnieuw in vuur en vlam.

Nu wordt in de Troonrede wel verklaard, dat ieder volk, meer dan ooit, de plicht heeft bij te dragen aan het behoud van vrede en vrijheid op de grondslag van het recht, maar wij vonden er niet in de erkenning, dat die grondslag in de Organisatie der Verenigde Naties maar al te zeer wordt gemist. Inplaats toch van handhaving van het recht, viel bij deze organisatie herhaaldelijk te constateren, dat het recht door haar wordt verkracht. Dat heeft ons land ervaren, dat hebben de volken van Indonesië ervaren, van welke wij slechts noemen de Republiek der Zuid-Molukken, die er het volste recht op had door de Organisatie der Verenigde Naties erkend te worden, maar die op alle door haar daartoe strekkende verzoeken steeds nul op het rekest kreeg. Wat ons knd betreft, behoeven wij slechts te herinneren aan het zich — met verh'apping van het recht — mengen in de interne aangelegenheden van Nederland inzake Indië, wat voor ons land en ook voor de Indische volkeren zelf de allemadeligste gevolgen heeft gehad. Aangaande deze gevolgen wordt in de Troonrede opgemerkt, dat de ontwikkeling in Indonesië bijzondere lasten op nationale economie en rijksbegroting legt. In het vervolg van de Troonrede worden als oorzaken hiervan genoemd de maatregelen, •welke door de Republiek Indonesië met schending van alle rechtsregelen tegen Nederland en Nederlanders getroffen zijn, tengevolge waarvan 37.000 Nederlanders in het afgelopen jaar naar Nederland moesten repatriëren, terwijl bedrijven en bezittingen zonder enige vergoeding in beslag genomen werden.

Deze gebeurtenissen zijn inderdaad van zeer ernstige en allerbedroevendste aard. Zij waren echter te verwachten. Zij zijn de treurige gevolgeii van de soevereiniteitsoverdracht, welke in 1949 door de regering, met steun van ©en grote meerderheid der Ka^ mer, werd doorgedreven, zelfs tegen alle waarschuwingen in, waarschuwingen, die tot regering en Kamer gericht werden, zowel van uit als van buiten de Kamer, door personen, die Indië van nabij zeer goed kenden. Ook onzerzijds is tegen die overdracht krachtig verzet aangetekend. Alle waarschuwingen werden helaas door regering en Kamer in de wind geslagen.WVij moesten vertrouwen en nog eens vertrouwen, zo werd er hier gezegd. Wie zich tegen de overdracht verzette, werd aangemerkt als iemand, die zijn tijd niet verstond, die niet met zijn tijd meeging, terwijl het hem ook zelfs niet aan allerlei smadelijke bejegeningen ontbrak.

De gebeurtenissen na de overdracht hebben echter wel zonneklaar en zelfs op zeer pijnlijke wijze bewezen, dat niet de voorstanders, maar de tegenstanders van de overdracht het gelijk aan hun zijde hebben gehad. Het is uitgekomen, wat zij gezegd hebben, namelijk, dat degenen, aan wie de macht over Indonesië werd toevertrouwd, niet te vertrouwen waren, aangezien de beloften der Republiek Indonesië herhaaldelijk door daden te schande waren gemaakt en de leidslieden der republiek dikwerf hun woord gebroken hadden en zich als meinedigen hadden aangesteld.

Door dit naar voren te brengen, vallen de toestanden zeker niet te veranderen. Gedane zaken nemen geen keer, maar wij vonden het toch wel van belang om er nog eens op te wijzen, dat door het rooms-rode regeringsbeleid, gesteund door de Kamerleden der V.V.D. en enkele C.H.kamerleden, aan Nederland en ook aan de Indische volkeren groot onheil en een enorme schade zijn toegebracht. Minister Luns gewaagde in zijn jongste rede in de Vergadering der Verenigde Naties zelfs van vijf miljard, terwijl dit protest tot dusverre geen enkel resultaat heeft gehad. Het is dan ook meer dan tijd, dat er eindelijk een einde wordt gemaakt aan het verspillen van miljoenen uit de rijkskas ten behoeve van deze organisatie, die er mede de oorzaak van is, dat de eeuwenoude band tussen Nederland en Indië verbroken is. Mijnheer de Voorzitter! Wij wensen ons thans nog bij enkele andere onderwerpen uit de Troonrede te bepalen. Het is een lichtpunt, dat vermeld kon worden, dat het verstoorde evenwicht in onze nationale economie mede ten gevolge van de getroffen maatregelen in belangrijke mate hersteld is en dat de gouden deviezenreserves een welkome versteviging hebben ondergaan, zodat iets verderop in de Troonrede kon vermeld worden, dat de overbesteding voor het moment tot staan is gebracht. Hieruit valt dus op te merken, dat de bestedingsbeperkende maatregelen hun invloed niet hebben gemist.

Hierop afgaande, had men mogen verwachten, dat de regering er toe zou overgaan voor te stellen de maatregelen, welke door haar ter beperking der bestedingen waren genomen en onder meer bestonden in verhoging van enige belastingen, met name van de belasting op benzine, van de motorrijtuigenbelasting, de onjr zet belasting op een aantal artikelen, de vennootschaps- en vermogensbelasting, thans in te trekken. Temeer 2»u men dit verwacht mogen hebben, omdat aan deze belastingverhogingen een tijdelijk karakter was gegeven.

De regering heeft dit voornemen echter niet. Zij wil deze belastingverhogingen handhaven, waardoor haar beleid niet vrij te pleiten is van tegenshijdigheid. Ook ten aanzien van enkele andere pxm^ ten uit de Troonrede zagen wdj ons voor vragen gesteld. De regering toch merkt in de Troonrede op, dat een hoog niveau van besparingen voor het welzijn van ons volk nu en in de toekomst dringend geboden is. Hoe zal er echter van sparen sprake kuimen zijn, als de regering de belastingen niet ingrijpend verlaagt? Hoe zal er ook gespaard kunnen worden, wanneer het volk straks met nogal meer nieuwe lasten bezwaard wordt? Voorts vragen wij ons af. Mijnheer d© Voorzitter, of het een blijk van krachtig regeringsbeleid is, dat de regering eerst nu zich tot de Sociaal-Economische Raad om advies heeft gewend inzake het beperken van de huur- en zuivelsubsidies. Het komt ons voor, dat de regering hiermede wel aan de zeer late kant is. Onzes inziens had het op de weg der regering gelegen, al enige maanden geleden de Sociaal-Economisohe Raad om advies te vragen, zodat zij thans concrete voorstellen aan de Kamer in de Troonrede had kunnen voor­ leggen. De Kamer en ons gehele volk zoudon dan weten, waaraan zij toe zijn, wellce maatregelen van de regering nog te verwachten zijn, terwijl wij nu hieromtrent in een dikke mist varen. Wat de woningbouw betreft Mijnheer de Voorzitter, wordt in de Troonrede onder meer de verwachting uitgesproken, dat zowel in 1958 als ia 1959 met de bouw van 80.000 woningen een aanvang zal worden gemaakt. Wij hopen zeer, dat deze verwachting niet beschaamd zal worden, gelijk reeds zo menigmaal de met betrekking tot de wo. lüngbouw uitgasproken verwachtingen niet ia vervulling zijn gegaan. De woningnood is toch nog immer ontstellend groot. Het stelt ons daarom dan ook zo teleur, dat in de Troonrede geen oplossing wordt geboden, waardfoor de woningnood krachtiger bestreden kan worden dan tot dusverre het geval was, waarop onzerzijds sedert jaren al krachtig is aangedrongen.

Ook hebben wij in de Troonrede maar al te zeer datgene gemist, wat, gezien de zorgelijke toestand van 's lands financiën, aUemoodzakehjkst ware. Wel wordt er in vermeld, dat bij de voorbereiding van de begroting sterke beperking is betracht, maar desniettemin is het totaalbedrag der staatsuitgaven zo enorm hoog, dat er een tekort is van 1, 5 miljard, iets, dat zich sedert vlak na de oorlog niet heeft voorgedaan. Maatregelen, welke zouden kunnen leiden tot een drastische beperking der hoge staatsuitgaven, zoekt men echter in de Trooru'ede tevergeefs. Inplaats hiervan kondigt de regering het aangaan van ©en lening aan, waardoor de enorme schuldenlast nog al groter zal worden en de nakomelingschap nog al zwaarder zal worden belast. Ook tegen de bestemming, welke de regering volgens de Troonrede denkt te geven aan de gelden, die zij in beheer heeft krachtens de huurblokkering, bestaan bij ons zeer ernstige bezwaren, daar deze gelden door haar zullen worden aangewend tot dekking van het begrotingstekort, waardoor zij onttrokken worden aan het eigenlijke doel, namelijk de woningverbetering.

Ofschoon er wel meerdere opmerkingen over de Troonrede te maken zouden zijn. Mijnheer de Voorzitter, moeten wij daarvan afzien, omdat wij zien, dat de ons toegemeten tijd reeds verstreken is.

staan. Maatregelen of resoluties daartegen bleven in die vergadering achterwege.

jjochtaos toonde minister Luns 2dcli niet ontmoedigd. Hij verklaarde, dat de besprekingen met de Amerikaanse regering aog voortgang hadden en dat hij daarvan tastbare resultaten verwachtte, al zouden deze niet zo zichtbaar aan de dag treden, [üj was daarom geenszins pessimistisch gestemd. Hij zal allicht nog zwaardere en meerdere teleurstelhngen te inkassersn hebben, alvorens hij dat wordt. Er zijn anders redenen te over om dit te 2ijn, zowel ten aanzien van de houding, welke de Amerikaanse regering inzake ie soevereiniteitsoverdracht van Indië jan Indonesië tegenover Nederland lieeft aangenomen, als ten opzichte van de houding van de Organisatie der Verenigde Naties zelfs bij deze aangelegenheid.

De mensenrechten en de organisatie der V.N.

Prof. Dr. L. J. C. Beaufort sloeg een heel andere toon aan dan minister Luns, waar hij dezer dagen in de sociale, humanitaire en kulturele kommissie van de Algemene Vergadering van de Organisatie der Verenigde Naties het woord voerde over de verklaring van de Organisatie inzake mensenrechten. Hij sloeg daarbij de spijker recht op de kop toen hij daar een treurzang over aanhief. Hij zeide te betreuren, dat er nog steeds geen internationale erkenning bestaat, hoewel het al tien jaar geleden is, dat dete Organisatie de universele verklaring over de mensenrechten heeft afgekondigd.

Met instemming heb ik er kermis van genomen — zo sprak hij — dat men er de voorkeur aan geeft de tiende verjaardag van de verklaring te herdenken, in plaats van te vieren. Er bestaat toch helemaal geen reden om dit feit te vieren. Nadat de universele verklaring werd ontworpen, zijn tien jaar verstreken. Tot nu toe zijn wij er echter niet in geslaagd een werkelijke konventie over de mensenrechten samen te stellen, om maar te zwijgen van de ondertekening, ratifikatie en uitvoering van een dergelijke konventie — zo zeide professor Beaufort. Hij voegde hieraan toe, dat men de morele moed moet opbrengen om dit de volkeren mede te delen. Tot nu toe is nog geen enkel mensenrecht gewaarborgd op internationale ba%s in een algemeen aanvaard internationaal dokument, aldus professor Beaufort. Hij verklaarde voorts, dat er nog een reden bestaat, waarom men deze verjaardag niet moest vieren, en dat was gelegen in het feit, dat de elementaire rechten en vrijheden in vele delen van de wereld niet worden erkend door de betrokken regeringen. Integendeel, zij worden daar vertrapt. Professor Beaufort betoogde tenslotte, dat het dringend noodzakelijk is, de wereld en vooral haar geweten attent te maken op het enorme belang van de mensenrechten en op de noodzaak, dat deze rechten internationaal erkend en juridisch gewaarborgd worden. Tot zover de rede van professor Beaufort

Wij voegen hier onzerzijds aan toe, dat wij met genoemde professor het betreuren, dat de rechten en vrijheden, welke de Heere in Zijn Woord aan het menselijk geslacht gegeven heeft, niet algemeen erkend worden en er zelfs regeringen zijn, die deze met voeten freden. Doch wij verschillen ver van hem in opinie, in zo verre hij van de gedachte uitgaat, dat deze rechten en vrijheden ooit op de rechte wijze kunnen worden samengesteld en gegeven door een organisatie als die der Verenigde Naties is. Hoe kan toch zulk een organisatie, die Gods rechten niet erkent, de rechten en vrijheden van de mensen in het juiste hcht bezien? Hoe kan zij ooit ter wereld deze op de rechte wijze samenstellen en geven? Hoe kan deze machteloze organisatie, waarin gedurig de resoluties voor kennisgeving worden aangenomen door de landen, welke het daarmede niet eens zijn, waarborgen, dat de door haar samengestelde verklaring aangaande de mensenrechten door al de bij haar aangesloten volken zal worden nageleefd? Meer nog. De organisatie zelf begaat bij herhahng onrecht op onrecht. Vele bij deze organisatie aangesloten landen hebben maling aan aUe GoddeHjk en mensehjk recht. De grote mogendheden inzonderheid tegenover de kleine, waimeer hun belangen in het geding zijn. Bovendien, wat zijn de rechten en vrijheden van de mens, in het hcht van Gods recht bezien?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1958

De Banier | 8 Pagina's

Algemene beschouwingen over de Rijksbegroting voor het jaar 1959

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken