Bekijk het origineel

Wetsvoorstellen inzake verlenging van enige belastingverhogingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wetsvoorstellen inzake verlenging van enige belastingverhogingen

16 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ir. van Dis

Hoewel ditmaal eigenlijk het tweede gedeelte van de rede van Ir. van Dis, gehouden over de begroting van Justitie, zou gegeven moeten worden, zien wij ons door de loop der gebeurtenissen in het parlement, welke tot een konflikt tussen de regering en de meerderheid der Kamer hebben geleid, genoodzaakt om thans de rede, welke namens de fraktie der S.G.P. bij de behandeling van de bovengenoemde wetsontwerpen uitgesproken werd, te laten voorafgaan. Ter toelichting zullen wij eerst in het kort aangeven waar het bij deze wetsontwerpen om ging. Daartoe moeten wij even terug naar het begin van dit jaar. Toen toch, het was op een geheel ongewoon tijdstip, namehjk op 2 januari 1958, dus midden in het Kerstreces, dat do Tweede Kamer bijeenkwam om enkele wetsontwerpen te behandelen, welke betrekking hadden op een tijdelijke verhoging van de vennootschapsbelasting, de vermogensbelasting, van het invoerrecht op benzine en van de omzetbelasting Op personenauto's, motorrijwielen, banden, sigaretten en nog enkele andere artikelen. Deze wetsontwerpen werden destijds door de Kamer aanvaard als onderdeel van de bestedingsbeperkende maatregelen der regering. Zij droegen echter op aandrang van de zijde der Kamer een tijdelijk karakter. Aan het einde van het jaar, dus 31 december 1958, zouden ze kracht van wet verliezen, tenzij dat ze verlengd zouden worden. De wetsontwerpen nu, welke de Kamer de vorige week te behandelen kreeg, hadden die verlenging op het oog. Meer zullen wij hierover in deze toe- Hchting niet vermelden, daar er in een afzonderlijk artikel in dit nummer nader over geJiandeld wordt, waarbij dan tevens melding wordt gemaakt van wat zich in de vergadering van donderdag 11 december heeft voorgedaan. Wij laten dus nu de rede volgen, welke Ir. van Dis maandag 8 december ongeveer 10 uur des avonds hield. Ir. van Dis sprak als volgt:

Mijnheer de Voorzitter! In de memorie van antwoord heeft de minister afwijzend beschikt op het tot hem door enige leden gerichte verzoek de verdere behandeling der onderhavige wetsontwerpen uit te stellen. Gezien het feit, dat de minister de verlenging der betreffende tijdeli|ke belastingverhogingen namens de regering reeds in de miljoenennota had aangekondigd, omdat hij die verlenging noodzakehjk achtte voor het dekken van een gedeelte van het enorme begrotingstekort van circa 1, 6 müjard gulden, verwondert ons zijn Eifwijzend antwoord niet. Hiermede willen wij echter niet zeggen, dat er voor het uitstellen van de behandeling der wetsontwerpen, welke op de verlenging der tijdehjk verhoogde belastingen betrekking hebben, geen aannemelijke igronden aan te voeren zijn. Die gronden zijn er onzes inziens wel degelijk. Zo zouden wij dit iiïtstel verdedigbaar achten uit een oogpunt van billijkheid. De regering heeft namelijk aan de Sociaal-Ekonomische Raad wel om advies gevraagd inzake de kwestie der subsidies en enkele andere onderwerpen, maar zij heeft dit 'niet gedaan ten aanzien van de verlenging van de tijdelijke verhoging van de vennootschaps-, vermogens- en omzetbelasting op enkele artikelen. Er zou dus alle reden zijn geweest op deze nalatigheid terug te komen en ook de voorstellen tot verlenging der onderhavige tijdelijke belastingverhogingen alsnog aan het oordeel van de S.E.R. te onderwerpen. Na het uitbrengen van het advies door de S.E.R. zou de regering dan het geheel van de te nemen maatregelen kunnen overzien en beoordelen, of verlenging van de tijdelijke verhoging der betreffende belastingen wel gewenst en nodig is. Nu is het wel zo, dat aan uitstel van behandeling der onderhavige wetsontwerpen een bezwaar verbonden is met het oog op het feit, dat belangrijke onderdelen van de wetsvoorstellen aan het einde van deze maand komen te vervallen, maar dit bezwaar is niet te wijten aan de Kamer, doch aan de regering, die naar veler mening veel te laat is geweest met het uitvoeren van haar voornemen tot het vragen van advies aan de S.E.R.

Zij had dit veel eerder kunnen doen, daar de omstandigheden, welke tot de zo ongunstige begrotingspositie hebben bijgedragen, namelijk de verdere verzaking van zijn verplichtingen door Indonesië en de instorting van de internationale zuivelmarkt, de regering reeds geruime tijd bekend waren en dus te voorzien was, dat er een groot tekort op de begroting voor 1959 verwacht kon worden. Wanneer de regering zich dus veel eerder tot de S.E.R. om advies had gewend dan zij gedaan heeft en daarbij ook het verlengen van de tijdelijke belastingverhogingen had betrokken, dan had er nu van tijdnood geen sprake behoeven te zijn. Nu dit echter wel het geval is en de betreffende maatregelen, zoals de minister in de memorie van antwoord opmerkt, uiter- Hjk 31 december 1958 kracht van wet behoeven, heeft de regering uitstel van behandeling afgewezen en blijft de Kamer niet anders over dan zich over de voor ons liggende wetsontwerpen uit te spreken.

Hiertoe overgaande, Mijrdieer de Voorzitter, willen wij allereerst onze bevreemding uitspreken over het feit, dat de regering met deze voorstellen tot tweejarige verlenging der tijdehjke belastingverhogingen gekomen is, terwijl zij erkend heeft, dat de bestedingsbeperkende maatregelen reeds een zodanige uitwerking hebben gehad, dat het evenwicht in onze nationale ekonomie in belangrijke mate hersteld is. Bedenken wij, dat de betreffende tijdelijke belastingverhogingen het vorige jaar zijn ingevoerd met het oog op de bestedingsbeperking en dus een schakel vormden in het geheel van de maatregelen, welke ter beperking van de bestedingen genomen zijn, dan was er toch alle reden voor om de tijdelijke verhoging van de vennootschaps-, de vermogens- en de omzetbelasting op enkele artikelen, te laten vervallen. Dat de regering deze konsequenties niet getrokken heeft, verwondert ons echter ook al niet. Reeds verleden jaar, toen aan deze verhogingen een tijdehjk karakter werd gegeven, waren wij er al zeer beducht voor, dat de duur dezer verhogingen na de vastgestelde tennijn zou worden verlengd. De ervaring van de laatste jaren heeft toch ruimschoots geleerd, dat er op enkele uitzonderingen na, zoals ten aanzien van de investeringsaftrek en de vervroegde afschrijving, van de regering geen ingrijpende vermindering van de belastingdruk te verwachten is, maar daarentegen wel •stijging der uitgaven.

Zelfs het voorstel, dat uit de Kamer tot de regering is gericht, namehjk om de voorgestelde verlenging der onderhavige belastingen te beperken tot het jaar 1959 — wat intussen niet verhinderen zou, dat de belastingplichtigen de verhoging ook in 1960 zouden moeten voldoen — wordt door de minister verworpen. Dienaangaande merkt de geachte bewindsman op, dat het uitgavenniveau van het rijk niet alleen voor 1959, doch ook voor 1960 een verlenging van de tijdelijke belastingverhogingen onvei-mijdehjk maakt, waai'bij voorts door hem ook weer de ontwikkeling in Indonesië en de instorting van de zuivelmarkt ter verdediging worden aangevoerd. Bij ons, Mijnheer de Voorzitter, bestaan echter tegen het verlengen van de tijdelijke verhoging van bepaalde belastingen zeer ernstige bezwaren.

Allereerst omdat de belastingen en velerlei lasten, welke op ons volk en op het bedrijfsleven drukken, reeds zo zijn, wat door niemand, ook door de minister niet, kan worden ontkend. Bij de algemene politieke beschouwingen is daarover reeds breedvoerig gesproken, zodat wij hierop nu niet nader behoeven in te gaan. Wij volstaan daarom met er op te wijzen, dat er onzerzijds voortdurend op verlaging der belastingen is aangedrongen, daar ingrijpende verlichting van de zware belastingdruk steeds achterwege bleef.

De zo hoog nodige sterke vermindering der staatsuitgaven bleef achterwege, ja, deze stegen in het nabije verleden van jaar tot jaar. Er werd met de in vele gevallen moeizaam opgebrachte penningen der belastingbetalers omgesprongen, alsof het geld niet op kon. Voor sport, opera, dans, toneel werden met kwistige hand tonnen gelds uit de staatskas beschikbaar gesteld. Ten behoeve van de Verenigde Naties, die er in sterke mate toe bijgedragen hebben, dat Indië voor ons verloren ging en er dus ook aan schiddig staan, dat ons land mede daardoor thans in financiële moeilijkheden verkeert, worden jaarlijks miljoenen guldens uit de staatskas uitgegeven. Het deelnemen aan de Europese Ekonomische Gemeenschap en andere internationale instellingen, zoals de Kolen- en Staalgemeenschap, waarbij zeer hoge, zelfs belastingvrije salarissen worden uitbetaald, zodat er al geschreven en gesproken wordt over het zich vonnen van een poUtieke geldadel, vergt met de ambtenarij en bureaukratie bij de overige instanties al eveneens van de schatkist grote sommen gelds.

Zeer terecht wordt dan ook in het voorlopig verslag opgemerkt, dat het bij vergelijking van de ontwerpbegrotingen voor 1958 en 1959 met de schattingen van het nationale inkomen in die jaren duidelijk is, dat bij het financieel beleid de teugels niet strak genoeg gehouden zijn. Zo is het inderdaad, Mijnheer de Voorzitter. Er is maar al te zeer, vooral in de jaren van hoogkonjunktuur, van de hoge boom geleefd. Daarbij komt dan als tweede bezwaar, dat aan de desbetreffende belastingverhogingen een tijdelijk karakter is toegekend. Zij werden nodig geacht, zoals zoeven reeds door mij werd opgemerkt, met het oog op de bestedingsbeperking. Nu deze reden vervallen is, nu de betalingsbalans er zoveel 'gunstiger uitziet en de geld- en kapitaalmarkt verruimd is, behoren de tijdelijke verhogingen te vervallen. In het bedrijfsleven had men dan ook verwacht, dat de regering daartoe zou overgaan.

Nu zij dit niet gedaan heeft, doch deze verhoging voor 1959 en zelfs voor 1960 wil bestendigen, heeft dit in de kringen van het bedrijfsleven bittere teleurstelling en ontevredenheid gewekt. Dit blijkt wel overduidehjk uit de adressen, welke van die zijde alsmede van de zijde der Kamers van Koophandel tot de Kamer zijn gericht. Wij kunnen die teleurstelling ten voUe begrijpen. Mijnheer de Voorzitter. Het is toch voor de handel en het bedrijfsleven van het allergrootste belang, op de internationale markt met het buitenland te kunnen konkurreren. Onze produkten kunnen nog zo best zijn, maar als de prijzen hoger zijn dan van de konkurrenten, dan wordt de afzet en dus de export daardoor in ernstige mate belemmerd. Daarom is verlaging van belastingdruk hoogst noodzakelijk. Dat de regering de investeringsaftrek, zij het helaas in beperkte mate, weer heeft toegelaten en de vervroegde afschrijving wil bestendigen, heeft onze volle instemming, maar wij achten deze beide maatregelen niet voldoende ook al niet, omdat zij niet voor heel het bedrijfsleven, doch slechts voor een gedeelte hiervan van betekenis zijn. De handel bijvoorbeeld en andere soorten van dienstenverlening krijgen door deze maatregelen geen of althans een mindere verlichting.

Het is dan ook zeer goed te verstaan, dat men vooral ook in de kringen van de groothandel zeer geschokt is over het voorstel der regering om de tijdelijke verhoging der vennootschapsbelasting te verlengen. In een adres van het Verbond van de Nederlandse Groothandel wordt dienaangaande onder meer opgemerkt, dat het onbegrijpelijk is, dat de regering het element der tijdehjkheid zo weinig serieus neemt. En wat de investeringsaftrek betreft, wordt in dit adres er op gewezen, dat de groothandel hiervan nauwelijks gebruik kan maken, zodat het er op neerkomt, dat de wederinvoering van de investeringsaftrek in feite gefinancierd wordt uit de verhoogde vennootschapsbelasting, welke mede door de groothandel moet worden opgebracht.

Voorts, Mijnheer de Voorzitter, bestaan er bij ons tegen het verlengen van de bij dit wetsontwerp betrokken belastingverhogingen bezwaren uit het oogptmt der werkgelegenheid. Wanneer wij in aanmerking nemen, dat de werkloosheid de laatste tijd in beduidende mate is toegenomen, dat nu eens hier en dan weer daar arbeiders ontslagen worden of de arbeidstijd moest worden ingekrompen vanwege gebrek aan orders, dan betwijfelen wij ten zeerste, of het wel verstandig is de betreffende belastingverhogingen te vei'Iengen. In de memorie van' toehchting gewaagt de minister zelf van een dreigende, te scherpe terugval van het nationale investeringsniveau, welke een niet te miskennen waarschuwing inhoudt. Dit bracht hem er toe de opschorting van de investeringsaftrek, waartoe het vorige jaar op voorstel der regering werd overgegaan, weer in te trekken. De gioothandel heeft biervan echter helemaal of nagenoeg geen profijt gehad en wat het overige bedrijfsleven betreft, wordt deze maatregel vanzelfsprekend wel op prijs gesteld, maar men is toch van oordeel, dat hiennede niet volstaan kan worden. Te meer niet als men de sterke aanwas der beroepsbevolking in aanmerking neemt, welke het noodzakelijk maakt, dat de werkgelegenheid wordt verruimd. Met het oog hierop zal het bedrijfsleven in staat gesteld moeten worden nieuwe werkgelegenheid te scheppen.

Dit geldt niet minder ten aanzien van de gevolgen van het deelnemen aan de Europese Ekonomische Gemeenschap, waartegen uit onderscheidene takken van het bedrijfsleven, zoals onder meer van de scheepvaart, de textielindustrie, de metaalnijverheid, om maar enkel© voorbeelden te noemen, zulk een sterk verzet kwam, maar waarvan de totstandkoming door de regering en door de grote meerderheid der Kamer desniettemin werd doorgedreven. Ook dit stelt aan het bedrijfsleven zeer hoge eisen. Terecht wordt in dit verband door de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam ook gewezen op de moeilijkheden, welke rijzen, nu het overleg inzake de vrijhandelszone op niets is uitgelopen. Bedenkt men voorts, dat er ten behoeve van de voortschrijdende ontplooiing der Nederlandse ekonomie door het bedrijfsleven een besparingspeil van minstens 20 pet. van het nationale inkomen nodig wordt geacht, een percentage, dat in geen enkel van de laatste zeven jaren gehaald is, dan is het duidelijk, dat er alles in het werk behoort te worden gesteld om reserves te kunnen kweken. Daartoe is verlichting van de belastingdruk beslist noodzakelijk. Dit maakt het dan ook nodig, dat de tijdelijke verhoging der vennootschapsbelasting niet verlengd wordt. In 1957 is de regering met haar voorstel tot verhoging dezer belasting reeds 2 pet. hoger gegaan dan de Sociaal-Ekonomisohe Raad haar geadviseerd had, zodat het tarief in plaats van met 2 met 4 pet. verhoogd werd.

Zowel met het oog op de noodzafcehjkheid tot het opvoeren der besparingen als omdat het onjuist is de vennootschapsbelasting tot een sluitpost der begroting te maken, is het onverantwoord de tijdelijke verhoging op deze belasting te verlengen.

Handel en bedrijfsleven komen hiertetgen dan ook eenparig ten sterkste op, niet het minst ook de scheepvaart, die voor de ekonomie van ons land zulk een gewichtige rol vervult en die het tooh reeds zo uitermate moeihjk heeft vanwege de konkurrentie, welke het on- dervindt van de schepen onder de zogenaamd goedkope vlaggen, en ook doordat de scheepvaart in andere landen veel minder aan belasting onderhevig is. De boykotaktie is mislukt, maar de konkurrentiemoeüijkheden zijn voor de reders gebleven. Verlichting van de belastingdruk is dan ook voor de scheepvaart hoogst noodzakelijk. De voorstellen der regering brengen die verlichting echter niet. Ook voor deze bedrijfstak wil de minister de tijdelijke verhoging der vennootschapsbelasting handhaven, terwijl het vaststellen van de investeringsaftrek op 16 pet., te verdelen over twee jaar, voor de scheepvaart zeer bezwaarlijk is. Men ziet hier in deze kringen zelfs een achteruitgang. Op 1 januari 1958 toch was voor de internationale scheepvaart een investeringsaftrek van 20 pet., verdeeld over 5 jaar, van kracht geworden, wat gedaan werd wegens de uitzonderlijk moeüijke konkurrentiepositie, waarin de scheepvaart zich bevond. Deze bepaling was voor de scheepvaart veel gunstiger dan wat thans wordt voorgesteld.

Wij achten deze achteruitgang inzake de investeringsaftrek voor de scheepvaart zeer bezwaarlijk. Daarom bepleiten wij bij de minister de bestaande toestand van 20 pet. investeringsaftrek over 5 jaar te handhaven met de vrijheid om deze naar volgende jaren te verschuiven. Wat voorts het verlengen van de tijdelijke verhoging van het bijzonder invoerrecht op benzine en de tijdelijke verhoging van de omzetbelasting op banden, personenauto's, motorrijwielen en sigaretten betreft, ook daarmede kunnen wij ons niet verenigen. Indien personenauto's en motorrijwielen uitsluitend luxe artikelen waren, zouden onze bezwaren niet zo groot wezen. Dit is echter bij lange na niet het geval. Zeer velen, onder wie ook invaliden 2ajn, hebben een auto of motorrijvwel nodig voor de idtoefening van hxm beroep of bedrijf, tervidjl anderen een auto of motorrijwiel gebruiken voor het vervoer van huis naar bedrijf of kantoor. Voorts hebben wij te bedenken, dat het wegvervoer al zeer zwaar belast is. Het invoerrecht op benzine steeg met ingang van 1 januari 1957 van ƒ 166.50 tot ƒ 242.50 per 1000 liter, de motorrijtuigenbelasting werd verzwaard, de omzetbelasting op banden steeg van 5 op 15 pet. voor de periode van 1 augustus 1957—10 februari 1958 en van 15 op 20 pet. voor d© periode van 10 februari 1958 tot 1 augustus 1959. Ook werd de omzetbelasting bij invoer van personenauto's met 3 pet. verhoogd, zodat het te begrijpen is, dat men in de kringen van het wegvervoer er ten zeerste over ontstemd is, dat de regering de als tijdelijk ingevoerde omzetbelastingverhoging, welke tot daling van de omzet heeft geleid, wü verlengen.

Dit geldt niet minder voor de detailhandel in tabaksartikelen, met name voor wat sigaretten betreft. Ook ten aanzien hiervan werd het vorige jaar de omzetbelasting verhoogd, wat tot stijging der prijzen heeft geleid. Gezien de stijging der grondstoffenprijzen in deze industrie, is de verlenging van de verhoogde omzetbelasting wel zeer bezwaarUjk. Wij achten het dan ook niet verantwoord de voorstellen der regering inzake de verlenging van de tijdelijke verhoging van de vennootschapsbelasting en van de omzetbelasting op enkele artikelen te aanvaarden. Dit geldt al evenzeer ten aanzien van de vermogensbelasting. Ook hiertegen hebben wij ernstige bedenkingen, vooral met het oog op de kleine vermogens. Voor hen, die van een klein vermogen moeten leven en geen inkomsten uit andere bronnen hebben, is verlenging van de verhoging der vermogensbelasting uitermate bezwaarlijk. Deze kategorie van personen toch ontvangt geen kompensatie, waar anderen die wel krijgen, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de huurverhoging en de stijging van de kosten van het levensonderhoud. Ook de invaliden met de kleine vermo­ gens ondervinden de druk van deze belastingverhoging. Wel is voor hen het minimum verhoogd, maar zoals in een adres van die zijde wordt opgemerkt, heeft een invalide aan deze verruiming niets, indien in artikel 10 III der Wet op de vermogensbelasting het begrip „invalide" niet wordt gewijzigd.

Ziende op al de door ons naar voren gebrachte bezwaren, komen wij tot de konklusie, dat de bedragen, welke de onderhavige wetsontwerpen voor de schatkist moeten opleveren, op een andere wijze hadden behoren te worden gevonden, namelijk door verlaging der staatsuitgaven, waartoe onder meer nodig is, dat wordt gebroken met het dirigistische reg^ingsbeleid, dat iir niet geringe mate tot het opdrijven der uitgaven heeft bijgedragen. Wat tenslotte de verruiming der delegatiebepalingen betreft, verklaren wij ons te kunnen aansluiten bij de sprekers, die mij voorafgingen en die zich tegen deze verruiming uitspraken, daar wij van oordeel zijn, dat een dergelijke verruiming de regering een maar al te grote invloed in het bedrijfsleven zou verschaffen, wat wij niet gewenst achten-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1958

De Banier | 8 Pagina's

Wetsvoorstellen inzake verlenging van enige belastingverhogingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken