Bekijk het origineel

Begroting van Volkshuisvesting

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Begroting van Volkshuisvesting

14 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van de heer Kodde

Bovengenoemde begroting werd nog onder de vorige regering behandeld en wel op een tijdstip, dat niemand kon voorzien, dat Kamerontbinding en vervroegde verkiezing voor de Tweede Kamer zo dicht voor de deur stond als thans het geval is. Wel werd de mogelijkheid van vervroegde verkiezing aanwezig geacht, maar dat die mogelijkheid zo spoedig tot werkelijkheid zou worden, was een grote verrassing.

Namens de fraktie der S.G.P. werd bij de behandeling dezer begroting het woord 'gevoerd door de heer Kodde, wiens rede duidelijk voor zich zelf spreekt en derhalve geen breedvoerige toelichting vereist. Evenals voorheen steeds door de S.G.P.-fraktie was gedaan, werd ook nu weer de partikuliere bouw krachtig voorgestaan, terwijl ook voor de Zeeuwse belangen een warm pleidooi werd gehouden.

De heer Kodde sprak als volgt: Mijnheer de Voorzitter! Dat goede woningen nodig zijn en dat het hebben van een woning een groot belang is, staat zodanig vast, dat daarvoor geen pleit meer behoeft gevoerd te worden. Het niet hebben van een woning brengt bezwaren mee voor hen, die willen huwen, alsook voor hen, die daardoor ver van hun werk moeten gaan wonen en daardoor het huiselijk leven missen. Ik wil een pleit voeren voor een goede woning. Een goede woning is nodig om de toch al zware taak van de vrouw, van de moeder, te verlichten. Nodig is een woning, waar de kinderen bij kunnen spelen zonder last te veroorzaken aan anderen, terwijl zij toch onder het oog van de moeder blijven en met hun vele noden spoedig bij moeder terecht kunnen. Het is daarom, dat wij ons wel afvragen, of het bouwen van gebouwen met zes, soms wel tien woonlagen, verantwoord is.

Er zal, als wij daartegen bezwaren hebben, 2e''.aaa: d worden: „Hoe dan wel? " Gemakkelijk zal die vraag niet zijn op te lossen, maar wij mogen ons er niet mede strelen, dat door liften en derge­ lijke voorzieningen de bezwaren weggenomen idjn. Er worden grote bedragen besteed aan de geestelijke volksgezondheid, maar nemen wij wel die maatregelen, die geëigend zijn om de mens niet uit zijn evenwicht te brengen?

Hier ligt nu een taak voor de overheid om de vrouw te eren, haar de ereplaats te geven, die haar toekomt. Met de vervulling van deze taak kan zij het belang van ons volk in hoge mate dienen.

Zal het doel worden bereikt door de overheidsbouw als het ware te stellen boven de partikuliere bouw?

Er is nood en die nood eist maatregelen. Er kan worden gesteld — om met een militaire term te spreken — dat niet handelen een grotere fout is dan verkeerd handelen. Toch zijn wij wat huiverig voor de richting, waarin het nu blijkbaar gaat. Gedacht is voor 1958 aan een verhouding van 40.000 woningwetwoningen en 40.000 woningen te bouwen door partikulieren.

In 1959 zal vermoedelijk dezelfde verhouding in acht worden genomen. Op de minister wordt wel van twee zijden aandrang uitgeoefend. Er is aandrang om nog meer woningwetwoningen te doen bouwen. Toch meen ik, dat de minister wel uiterst voorzichtig zal moeten zijn met daaraan toe te geven.

Er kan worden gesteld: de partikulier bouwt niet en dus zal de overheid het moeten doen, want ei-moet toch wat gebeuren. Maar moeten wij dan niet naar de reden gaan zoeken, waarom de partikulier niet bouwt? Moeten wij niet gaan bedenken, dat door de overheidsbouw het budget wel zo bezwaard kan zijn, niet alleen nu, maar voor tal van jaren, dat andere nuttige zaken nagelaten moeten worden? Is daarmede ons volk gediend? Door de vele overheidsbemoeiingen wordt de bouw voor de partikulier steeds bezwaarlijker. En dan gaat het niet aan om maar te zeggen: „Zij willen niet, dus dan de overheid". Het was beter eens te ovei-wegen wat de oorzaak is.

De bouw is duur geworden. Het rendement is gering. Gaarne verneem ik van de minister, hoe die er over denkt. Wil hij de partikuliere bouw meer bevorderen, ja dan neen? Zo ja, op welke wijze wil hij de bouw bevorderen? Verder wilde ik vragen, of de minister de kwaliteit van de woningwetwoningen zodanig acht, dat deze in ovei-ecnstemming is mot de prijs welke daarvoor wordt betaald. En is er geen gevaar, dat wij, omdat het bouwen zo duur is, minderwaardige woningen gaan bouwen, die, als er een verandering ten goode mag komen, spoedig afgeschreven moet worden? Is hot dan niet dubbel bedenkelijk, dat wij voor die bouw gaan lenen en de aflossingen van die leningen weer met leningen dekken? Leidt overheidsbouw niet juist tot nog meer bemoeiingen? Leidt de overheidsbouw er ook niet toe, dat het aantal te bouwen woningen over de provincies en de gemeenten moet woi'den verdeeld, zodat ook dit weer bemoeiingen eist en moeilijke beslissingen vraagt?

Bestaat als gevolg van de overheidsbouw ook niet de mogelijkheid, dat op bepaalde plaatsen, waar gebouwd zou kunnen worden, de bouw wordt tegengegaan, doordat het toegewezen aantal te bouwen woningen te gering is? De geachte afgevaardigde de heer van der Peijl heeft hierop reeds gewezen. Waaruit is te verklaren, dat de gedachte verschillen tussen overheidsbouw en partikuliere bouw tussen de provincies zo groot zijn? Voor Noordholland en Zuidholland zijn die verschillen wel zeer groot. Ook Noordbrabant met Limburg vertoont dit beeld. Ook hier zien wij, dat de verschillen tussen de overheidsbouw en de partikuliere bouw weer van elkaar afwijken. Het is ook zeer bedenkelijk, dat de partikuliere bouw, wel niet per provincie, maar dan toch voor het land, bepaald is. Dat het aantal woningwetwoningen is bepaald, is volkomen te begrijpen. Maar waarom moet ook de partikuliere bouw met premie worden bepaald? Moet niet gesteld worden „Bouw maar, hoe meer hoe beter? "

Er is ook wel een grens aan het geven van premies, althans zeker een begrotingsgrens. Maar een begroting kan toch 'worden gewijzigd en de partikuliere bouw zal minder eisen dan de overheidsbouw? Het geeft zo de sciiijn, alsof het bouvven door de overheid niet als noodmaatregel, maar als taak wordt bevorderd. Omdat op de begroting een bedrag is uitgetrokken voor onderzoekingen naar goedkoper en gemakkelijk te maken bouwkonstrukties, wil ik ook daarover iets zeggen.

Wij hebben er geen bezwaar tegen, dat getracht wwdt de bouw goedkoper te maken, doch dat mag zeker niet gaan ten koste van de kwaliteit. Verder kan er toch wel een bezwaar aan verbonden zijn, dat wij dan als het ware gedreven worden naar wat kan worden genoemd de „eenheidswoning". Alles wordt dan gelijk. Het initiatief van de bouwer, van de ontwerper, is niet meer nodig. Er kan dan volstaan worden met een gelijk ontwei-p voor overal.

Dat zal toch niet overeenkomen met onze volksaand. Dat zal de schoonheid niet bevordei'en. Dat zal de vrouw niet de mogelijkheid geven, haar eigen woning te hebben zoals zij dat wenst.

Daarom achten wij, dat er wel een bedenkelijke zijde aan dat streven is.

Een ajidere zaak, die mij verontrust, is het sterke streven naar een planologie, die alles regelt. Als er een nationaal plan komt, zullen de provincies moeten aanpassen, en als er streekplannen komen, zijn de gemeenten daaratm gebonden.

Ik heb er geen bezwaar tegen, dat er regelen komen. Maar dan zullen die toch zo moeten zijn, dat .slechts noodzakelijke hoofdzaken worden geregeld en dat er ruimte blijft voor de gemeentebesturen om de gemeenteplannen te laten uitwerken.

Het komt nu voor, dat streekplannen als het war< ; uitbreidingsplannen in hoofdzaken zijn, en dat acht ik onjuist.

Gaarne zag ik wat meer vrijheid voor de gemeenten gelaten. Gaarne zag ik wat minder bemoeiingen met de plannen van de gemeenten. Het hjkt er wel op of die bevoegdheid der gemeenten ook zodanig moet worden uitgehold, dat er niels meer overblijft van de zelfstandigheid, terwijl in de Woningwet de gemeenten toch wel een taak is toegedacht.

De premieregeling voor woningen voor alleenstaanden lijkt mij niet zo gelukkig uitgevallen. Door de bepaling, dat die slechts kan worden toegekend voor woningen, tussen andere gebouwd, is er in de kleine kernen bijna geen mogelijkheid. Het is mij bekend, dat er personen zijn, die daardoor de verwachting hadden te kunnen bouwen, maar dat, als zij gaan vragen om hen daartoe te helpen, het antwoord teleurstellend moet zijn. Bovendien zie ik hier nog een moeilijkheid. Er zijn bouwverordeningen, en die regelen hoe een woning minimaal mag zijn. Worden die bepalingen niet door die regelingen doorbroken? Zo niet, dus als de woningen toch aan de eisen moeten voldoen, waarom dan een afzonderlijke regeling? Waarom kan niet, zoals eerder door ons is verzocht, ©en regeling worden gemaakt, dat voor iedere woning, welke aan de eisen van de bouwverordening voldoet, een vast bedrag wordt gegeven? Dat zou de uitvoering veel eenvoudiger maken. Dat zou bevorderen, dat niet een groot aanr tal ambtenaren moet worden te werk gesteld om al die zaken te kontroleren. Het zal niet prettig zijn voor die pereonen, als zij overbodig worden, en ik heb wel eens de gedachte, dat zij streven naar regelingen, w^aardoor zij niet alleen niet gemist kunnen worden, maar waardoor hun werk zo gewichtig schijnt, dat de bezoldiging moet worden verhoogd of hun rang moet worden verhoogd. Maak het eenvoudig. Ook dat wil ik hier stellen. Stel vertrouwen in de gemeentebesturen en laat hen niet door vele instellingen en personen kontroleren, alsof zij totaal onbekwaam zijn om iets te regelen en hun gemeenten te besturen. Daardoor zal ook het tempo, waarin de bouwvergunningen worden verstrekt, worden verhoogd.

Een andere zaak betreft het advies in beroepszaken. Met de procedure betreffende de uitbreidingsplannen is het nu zo, dat dezelfde persoon, die Gedeputeerde Staten adviseert, ook de minister van advies dient inzake beslissingen van de Kroon. Dat acht ik bedenkelijk en niet de rechtszekerheid dienend.

Mijnheer de Voorzitter! Een bijzonder punt is de zoutschade aan de gebouwen. Het blijkt nu wel, dat de middelen, die zijn aangewend, niet tot het gewenste doel hebben go- leid. In alle gebieden, waar het zeewater stond, zal zich zoutsohade voordoen. Er zijn dus gevallen, die wij als rampschade moeten aanmerken, maar er zijn er ook, zoals op Walcheren, die eigenlijk tot de oorlogsschade moeten worden gerekend. Het is voor mij niet te begrijpen, dat niet van begin af aan er mede rekening is gehouden, dat die woningen nooit meer goed te maken zijn. De praktijk heeft geleerd, dat een steen, die in het zoute water is geweest, steeds nat blijft, maar de theorie heeft de praktijk in dezen niet willen volgen. Volkomen begrijp ik, dat het niet meevalt om nu, terwijl er een tekort aan woningen is en het er met de financiën niet best voor staat, te komen tot een algehele vernieuwing van de woningen, die door het zout zijn aangetast. In dezen bestaat er een plicht voor ons gehele volk.

Walcheren is opgeofferd voor de bevrijding van ons land. Dat mag niet worden vergeten, ook al is het ruim tien jaar geleden.

De andere gebieden zijn getroffen door een ramp en nu is het niet juist, het grote belang van goede woningen niet voor rekening van allen te brengen. Er mag toch niet te licht worden gedacht over de gevolgen van het verblijf in een natte woning. Er mag niet worden vergeten wat van een vrouw wordt gevraagd als het haar, ondanks inspanning van alle krachten, niet gelukt de woning netjes te doen zijn en aangenaam voor bewoning te maken. Met het oog daarop wü ik pleiten voor een grotere toewijzing van woningen aan Zeeland.

Gedeputeerde Staten van ZuidhoUand zullen misschien door middel van de verdeling van het toegewezen aantal nog een mogelijkheid hebben de getroffen eilanden te helpen. Voor Zeeland aoht ik dit niet mogelijk, want het aantal woningen, dat daar door zoutschade is aangetast, is te groot en het aantal woningen, dat is toegewezen, te gering. Er zal niet alleen geld, maar er zal ook een mogelijkheid tot bouwen moeten komen. Afgezien van het herstel wegens oorlog en ramp, acht ik de toewijzing voor Zeeland voor 1958 uitzonderlijk laag.

Wordt niet te veei gerekend met het inwonertal? Wordt op die wijze niet bewerkt, dat het bevolkingsaantal nog minder wordt? Mag Zeeland ook niet groeien? Mag Zeeland niet vooruit?

Mij is wel eens toegevoegd, dat wij alleen achteruitzien en dus niet vooruit wülen, maar. Mijnheer de Voorzitter, ik zie wel verschil in de wijze, waarop, zodat ik niet altijd een vooruitgang acht, wat een ander wel als zodanig ziet, maar dit houdt niet in, dat wij de welvaart, op de juiste wijze betracht, niet zouden willen bevorderen.

Dan zijn er nog bijzondere gevallen. Aan de versterking van de zeewering kunnen ook woningen ten offer vallen. Is daarvoor genoegzame ruimte? Is er de mogelijkheid daarvoor een extra toewijzing te krijgen?

Mijnheer de Voorzitter! In het verslag en het antwoord van de minister is onder nr. 46 iets gesteld over het gebruik van woningen. Daarbij is ook de mogelijkheid tot vorderen naar voren ge< bracht. Ik acht de toepassing van die mogelijkheid toch wel een uiterste maatregel, waartoe slechts in grote nood mag worden overgegaan.

Door liberalisatie van het beleid zou het huurpeil kunnen stijgen, zo schrijft de minister. Inderdaad', dat zal kunnen, en het is wel de vraag, of de nood daartoe ook niet zal dringen. Het zal niet gemakkehjk zijn hier de belangen van d© huurders en de eigenaren tegelijk te dienen; ik verwacht althans niet, dat er inzake de huren een regeling mogeHjk zal zijn, die allen bevredigt. Toch zal dienen te worden gerekend met het feit, dat de eigenaar thans geen rendement van zijn eigendommen heeft en dat die toestand zal leiden tot het steeds meer bouwen door de overheid. Moeten de huren laag blijven, dan zal uit andere bronnen moeten worden geput en tot die andere bronnen behoort dok de belastingbetalende huurder. Of die huurder dan gebaat zal zijn met een lage huur en hoge belasting of met een wat hogere huur en een lagere belasting, is afhankelijk van beider bedragen, maar dit dient tooh wel de aandacht te hebben. Ook de eigenaar zal door een lagere belasting met een lagere huur kunnen volstaan. Vast staat wel, dat geen van beiden voordeel trekt van de kosten, welke voor het innen en regelen nodig zijn. In ieder geval acht ik, dat de oplossing niet gevonden mag werden in het maar vorderen van woningen. Vereenvoudiging, meer vrijheid kan ook daarin de oplossing brengen. Ons volk mag niet zo worden geleid, dat het meent, dat alles mogelijk is en dat de overheid alles kan, waardoor de persoonlijke verantwoordelijkheid geheel wordt ondergraven. Onr . der de nrs. 41 en 42 zijn vragen gesteld en antwoorden gegeven over krotopruiming en slechte woningen. Het aantal is toch wel zeer groot, vooral als daarbij nog komen de woningen, welke door zoutschade ook als slechte woningen zijn aan te merken. Nu is de wenselijkheid geuit kraohtiger krotopruiming te bevorderen in de gemeenten, waarin statistisch het woningtekort is overwonnen. „Statistisch" en „werkelijk" worden terecht onderscheiden. Gaarne zullen'wij medewerken aan het verkrijgen van een goede toestand op woninggebied, ook door krotopruiming. Wij vrezen echter, dat ook daarvoor de regelen te ingewikkeld zijn en wij menen, dat meer vrijheid betere resultaten zal geven. Onder nr. 53 en volgende, zijn vragen gesteld en antwoorden gegeven over de werking van het Grootboek Woningverbetering. Daaruit blijkt wel, dat de kosten niet gering zijn en dat de terugstorting veel werk en tijd vraagt. Het lijkt mij wel zeer twijfelachtig of het doel, namelijk de verbetering van de woningen, wel door die wet bereikt wordt. Als ik onder nr. 56 lees, dat 918.258 woningen zijn aangemeld en onder nr. 58, dat voor 4.300 woningen aanvragen om deblokkering zijn gedaan, terwijl in 145 gevallen deblokkering of wel ontheffing is toegestaan, dan is dat toch wel een heel klein percentage.

Meent de minister, dat op die wijze moet worden doorgegaan? Leidt de verplichting tot blokkering er niet toe, dat onderhoudsNt erk wordt uitgesteld om daardoor recht te verkrijgen op deblokkering? Werkt de wet dan niet juist in omgekeerde richting, nameMjk niet tot verbetering, maar tot verslechtering vande woningen? Is het verantwoord daarvoor pl.m. ƒ 600.000 uit te geven? Ook hier blijkt weer de noodzaak om de bemoeiingen niet uit te breiden, maar in te krimpen. Daarom wil ik eindigen met deze woorden: Leidt, maar laat toch vrijheid voor het partikulier initiatief.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Volkshuisvesting

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken