Bekijk het origineel

Geen reden om te urezen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geen reden om te urezen

8 minuten leestijd

Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. Uattheüs 28 ; 5

1.

De vrees van de wachters was gegrond. Zij waren in dienst van het Joodse Sanhedrin en hun opdracht was de opstanding van Christus te verhinderen. Zij waren in dienst van de duivel en moesten er ook zorg voor dragen, dat noch de discipelen, noch de vrouwen of anderen van Christus' vrienden, tot het graf zouden naderen. En Christus heeft Zelf duidelijk gezegd: „Wie met Mij niet is, die is tegen Mij, en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit". Het waren dus vijanden van Christus, haters van Gods volk en dus genadeloze mensen. Dezulken hetben alle reden om te vrezen.

iDie God altijd hebben gehaat. Zullen voor Hem met schand' en smaad Vlieden in alle landen.

Wat dezulken te wachten hebben, die in hun vijandschap en onbekeerlijkheid voortleven, daar spreekt Gods Woord genoeg van. Krachtens ©rf-en dadelijke schuld hggen wij onder Gods toorn en zal het rechtvaardig oordeel Gods ons zekerlijk treffen. Elk ogenblik van ons leven kan God ons afsnijden en voor Zijn rechterstoel ons dagvaarden. En nu kunnen wij wel verhard zijn in de zonde, maar met onze consciëntie kunnen wij niet doen wat wij willen.

Dat zijn die wachters wel gewaar geworden. Toen de aardbeving plaats greep en die engel nederdaalde, werden zij bevreesd, zeer verschrikt, en zij werden als doden. Toen God maar iets van Zijn heerlijkheid openbaarde in de natuur en door de komst van die engel, wisten zij niet waar zij het zoeken moesten. Zij zijn aan dat graf van Christus niet gebleven, maar in allerijl zijn zij gevlucht naar de stad. De vrees voor het oordeel had hun hart bezet.

O, wat zal het toch zijn als eenmaal de tijd en de dag zal aanbreken, dat de mens niet meer zal kunnen vluchten. En dat ogenblik zal zeker komen, maar de staat van het ongeloof, waarin wij van nature liggen, is zó vreselijk, dat de mens zichzelf maar blinddoekt en verhardt in het kwaad.

De vrouwen hebben ook gevreesd, maar dat was zo geheel anders dan bij de wachters. Zeker, daar is niemand die voor God bestaan kan. In onszelf zijn wij verwerpelijk en verdoemelijk, Gods toorn en gramschap dubbel waardig. Dat door Gods Geest levend gemaakte en overtuigde volk kent hun ellende en hun zonde. Dat is er mee bekend gemaakt, dat zij tegen God gezondigd hebben. Zijn deugden geschonden, Zijn wet over­ treden, en gedaan hebben wat kwaad is in Zijn reine en vlekkeloze ogen. Zij hebben hun hemelhoge schuld voor God leren kennen, maar ook leren betreuren en belijden. Zij hebben Gods gerechtigheid erkend en een welgevallen gekregen in de straf hunner ongerechtigheid. Hun ongerechtigheden heibben tegen hen getuigd en zij zijn het ook aan de weet gekomen, dat hun gerechtigheden voor God als een wegwerpelijk kleed zijn. Naar Gods rechtvaardigheid en heiligheid moeten zij voor eeuwig verstoten worden.

Maar God ziet dat volk aan in Christus, en op grond van die aangebrachte, verworven en volkomen gerechtigheid van de Borg des verbonds worden zij vrijgesproken van schuld en straf, maar verkrijgen ook een recht tot het eeuwige leven. Doch hoewel in de rechtvaardigmaking de schuld der zonde wordt weggenomen en geworpen in een zee van eeuwige vergetelheid, dat God ze nooit meer zal gedenken, de smet der zonde blijft hen aankleven tot het einde toe. O, die zonde maakt maar gedurig een scheiding tussen God en hun ziel.

Wat moeten zij gedurig dat liefelijk en dat vriendelijk aangezicht van hun God en Koning missen. De zonde blijft in haar karakter Godonterend en zielverwoestend. Dat voïïc is in de wedergeboorte bedeeld met de kinderlijke vreze. Met die vreze, die het beginsel is van alle ware wijsheid en die de zonde doet haten en de gerechtigheid doet najagen. Doch zo lang zij uitwonen van de Heere, worden zij steeds weer gekweld met de slaafse vrees.

Voor die vrouwen bij het graf was Christus wel gestorven, maar nog niet opgestaan. Dat het werk van Gods genade in hun zielen verheerlijkt was, dat lijdt geen twijfel. Zij waren Hem gevolgd van Galiléa. Zij hebben 't goed geweten hoe, waarom en op welke wijze zij aan Hem verbonden waren geworden. Zij waren door Hem opgezocht; Hij had hun gehele hart ingenomen. Zij waren gewillig gemaakt op de dag van Gods heii-kraeht. Zij waren volgzaam gemaakt. Zij hadden alles verlaten, alles verzaakt, zichzelf verloochend en Hem gevolgd. En nooit, neen nooit hebben zij daar berouw van gehad. Gods werk in het hart van Zijn volk is volmaakt.

Zij waren Christus getrouw gebleven, ook toen Hij begraven werd. Zij waren ook weer de eersten in de vroege morgen van de derde dag in de hof van Jozef van Arrmathea. En waarom dat alles?

Het antwoord is niet moeilijk te vinden. Zij waren van eeuwigheid door God geliefd en verkoren. Zij waren in de tijd des welbehagens, in de m'e der miime getrokken met de koorden van Gods eeuwige liefde. Zij waren wedergeboren en hadden dat nieuwe leven, dat uit God is, ontvangen. Zij waren bedeeld met geloof, hoop en liefde. Zij waren in hun leven tot Christus gebracht.

Eén was er onder hen, namelijk Maria Magdalena, uit welke Christus zeven duivelen had uitgeworpen. Zij had veel liefgehad, maar haar was ook veel vergeven. Al die vrouwen waren door Gods Geest met onverbrekelijke banden aan Christus verbonden.

Hij was hun Profeet en Leraar, hun Meester; Hij was alles voor hen. Zij konden allen door genade zeggen: „Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde".

Christus was hun hoop, hun verwachting, hun leven. Hij had de hoogste plaats in hun hart, omdat die gezegende Christus door Zijn Geest plaats in hun hart gemaakt had.

Die vrouwen waren door Christus getrokken en zij hadden Hem altijd gevolgd. Door alle smaad en hoon had de duivel die liefdeband niet kunnen breken.

Zelfs bij het kruis waren zij ook vertegenwoordigd geweest. Van de discipelen lezen wij alleen maar van Johannes, dat hij er ook stond, maar van de anderen wordt er niets vermeld. Die vrouwen hebben het lijden en sterven van Christus aanschouwd. O, wat een diepe smart heeft hun harten vervuld toen zij daar zaten tegenover het graf. Neen, niet wat zij gedaan hadden en wat zij voor Christus geweest waren, heeft hun ziel vervuld, maar hun hart en gedachten waren met die Christus vervuld. Die hen vrijwilhg had liefgehad en in Wiens tegenwoordigheid en gemeenschap zij zo veel zaligheid gesmaakt hadden.

Dat dat dierbare hchaam met zoveel eerbied en tedere zorg begraven is geworden door Jozef van Arimathea en Nicodemus, is voor die vrouwen wel opmerkelijk en tot enige troost geweest, maar och, de droefheid en de smart waren zo groot, dat Christus nu gestorven was. De waarheid zegt: „Zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan". Oppervlakkig beschouwd, dan zouden wij zeggen: Hoe was het mogelijk! Maar geliefden, zo lang als wij persoonlijk geen licht over de zaken hebben, is het voor ons verborgen. Het is niet te onzer verontschuldiging, maar dit is zeker en gewis, dat God Zelf ons licht over en in de zaken moet schenken.

Na de begrafenis zijn zij naar hun huis gegaan. Het was straks sabbat en zij hadden al de tijd nodig om specerijen klaar te maken, om dan na de sabbat hun laatste eer en liefde aan Christus te kunnen bewijzen.

De Heere Jezus was nu begraven. Hij rustte nu van al Zijn arbeid, die Hij volbracht had. Zij hebben ook gerust naar het gebod. Maar och, wat zal het van binnen onrustig geweest zijn. De Heere Jezus was eenmaal verzocht geweest van de duivel in de woestijn. Christus had toen satan verslagen, en dan zegt de waarheid: „En de duivel week van Hem voor een tijd". Dat betekende, dat hij terug zou komen. En hij is ook teruggekomen. Met al zijn hels© woede is die duivel met al zijn geweld op Hem aangevallen, maar Christus had Zijn kop vermorzeld en aan het kruis over alle machten en krachten getriomfeerd. Christus was nu voor eeuwig buiten al het bereik van de vijand, doch dat was met die vrouwen niet het geval. Zij waren nog in het strijdperk van dit leven.

Wat een pijlen er op hun zielen zijn afgeschoten van uit de hel, dat is niet te beschrijven. Het is waar, de Heere was hun nabij, maar toch, wat zal er in him zielen zijn omgegaan? Wat een stormen zullen daar geloeid hebben. Het geloof was op een laag peil, en van de hoop, die doet leven, was er niet veel meer te bemerken; alleen het vuur der liefde was niet uitgeblust. De liefde vergaat nimmermeer. Hoeveel golven daar tegenaan botsen, al het water van de oceaan kan het niet wegspoelen. O neen. God laat nooit varen de werken van Zijn handen.

Gr.-Rapids (U.S.A.)

Ds. W. C. Lamain

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1959

De Banier | 8 Pagina's

Geen reden om te urezen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken