Bekijk het origineel

Seen, n.tdtti am te vJie^en.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Seen, n.tdtti am te vJie^en.

8 minuten leestijd

Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.

Mattheüs 28 : 5

DL

Vanzelf, dat die vrouwen voor bergen stonden, waar zij niet overheen konden zien, en voor muren, die zó dik waren, dat zij er niet doorheen konden zien, is te begrijpen. Hoe het was en hoe het moest, dat alles was voor hen een raadsel. Te dien opzichte, dan was het benauwd van alle zijden. Zij hadden tot het laatste toe gehoopt, dat Christus uit Zijn lijden verlost zou worden; dat er nog uitkomst zou komen. Het was met die vrouwen hetzelfde als met de discipelen, ze waren toch zo blind voor de noodzakelijkheid van het borgwerk van Christus. Zo menigmaal had Christus er van gesproken, maar toch, zij hadden er maar geen inzicht in.

Dat Christus al die dingen lijden moest en alzo tot Zijn heerlijkheid ingaan, daar was hun oog voor gesloten. En zo is het met ons ook hetzelfde.

Wat zijn wij toch bhnd in 's hemels wegen. Wij weten er maar zo veel van als God in Zijn vrijmaeht ons er van geleerd heeft. Het rechte inzicht in de zaken moet God ons geven. Onze wijsheid is maar dwaasheid voor God. En laten wij maar nimmer denken dat wij met ons verstand de Goddelijke verborgenheden en geheimen kunnen bevatten. O, al zijn wij hij aanvang door God verlicht, wij hebben nodig de onderrichting des Heiligen Geestes.

Wij moeten de dood in, en dat achter de dood het leven ligt, en uit het verhes de winst geboren wordt, dat kunnen wij maar nooit bezien wanneer wij er vóór staan. Staan wij er achter, dan is het anders. Doch zo lang wij er voor staan, is 'liet benauwd.

De vrouwen hadden geen licht over de opstanding, zo min als over de dood van Christus. En Gods volk kan zich met beschouwingen niet redden. God Zelf moet het hun leren door Zijn lieve Geest. Al kennen wij Gods Woord van Genesis tot Openbaring, dat helpt ons niet. Zo lang als wij er geen vat aan hebben en het licht er over missen, tasten wij als een blinde naar de wand.

God Zelf moet het oplossen, de duisternis wegnemen en het licht Zijner genade doen opgaan in onze harten. „In Uw licht zien wij het licht". En daar heeft dal in zichzelf arme en blinde volk maar op te wachten. Neen, zij zijn niet jaloers op al die praters, die het beredeneren, doch wel op dat volk, dat door recht verlost is en dat uit de banden en gevangenis door God gehaald is. Wij kunnen wel een groot geloof bespreken en sterker verzekerd zijn dan de meest verzekerde van Gods voBc, doch al die mondbelijders en in zichzelf grote christenen missen toch wat die vrouwen hadden en wat hun bijbleef ook in hun smartelijk gemis.

Wat dat is?

„De liefde van Christus dringt ons". Zij hebben geweten om wie het hun te doen was en tot Wie hun hart uitging. Zij zochten wel de Levende bij de doden en daar zijn zij zeer zacht over berispt geworden van Gods wege, maar toch, aangaande het zoeken van de Heere Jezus Zelf zijn zij niet veroordeeld. Neen, dat zoeken is niet afgekeurd. Zij hebben er een Goddehjke goedkeuring over ontvangen en zijn in hun zoeken zelfs bemoedigd geworden. Ja, zij hebben door middel van de engel licht gekregen over de weg van de lijdende en nu opgestane Borg.

Zij mochten in al hun verdriet toch met David voor God uitschreeuwen (Psalm 38 : 9): Mijn begeerten, Heere krachtig. En almachtig, Zijn voor U gans openbaar. Al mijn zuchten en gedachten. En mijn klachten. Zijn voor U bloot ende klaar.

Dat volk, waar God Zich wel eens aan geopenbaard heeft en Zijn liefde in hun hart heeft uitgestort, kan het toch niet verloochenen. En al is het nog zo donker, al schijnt het van alle kanten een verloren zaak te zijn, wanneer zij iets van de heerlijkheid van Christus hebben mogen ontmoeten, dan gaat toch him hart naar Hem uit.

Rebekka had Izak nooit gezien, maar door al wat zij van hem gehoord en ontvangen had, was er toch zulk een sterke betrekking in haar hart naar die Izak, dat er op de gehele wereld geen andere man was, waar zij mee wenste te trouwen, dan met hem.

En nu dat volk, dat met Hem gewandeld heeft, aan Zijn lippen heeft gehangen, in Zijn tegenwoordigheid heeft mogen verkeren, dat kan het buiten Hem toch niet meer stellen. Het is om Hem te doen. Zijn gemeenschap is toch hun leven. Zij kunnen buiten Hem het niet stellen, ook al moeten zij zo vaak Zijn dadelijke tegenvi'oordigheid missen. Hun ziel gaat naar Hem uit.

Vanzelf, dat is geen vrucht van onze akker. Van nature is er geen betrekking op de Heere Jezus. Dan is er geen gedaante of heerlijkheid aan Hem, en geen gestalte dat waj Hem zouden begeren. Wij weten van nature niet wat wij met de Heere Jezus doen moeten. Maar het is Gods Geest, Die de noodzakelijkheid van Hem komt te ontdekken. Christus wordt voor dat volk onmisbaar. Hij alleen kan hun heil volmaken.

De liefde dreef deze vrouwen naar het graf toen het nog duister was. Neen, zij hebben het niet verslapen. Zij hebben geen wekker nodig gehad om wakker te worden. Zij hebben niet met de bruid in Hooglied 5 : 3 gezegd: , Ik heb mijn rok uitgetogen; hoe zal ik hem weder aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen; hoe zal ik ze weder bezoedelen? "

Dag en nacht waren hun harten met Christus vervuld, en in al hun gemis was de liefde zó sterk, dat zij niet thuis konden blijven. Onderweg rijzen er bezwaren op, doch de grootste bezwaren verbergt de Heere voor hen. Zij krijgen bezwaren over de steen, die voor het graf gewenteld is. Over het zegel en over de wachters spreken zij niet. O, de Heere is zo goed voor Zijn heve volk. Hij legt de mens niet te veel op. Waren al die bezwaren in hun gemoed gerezen, dan waren zij op de weg wel bezweken en nooit tot het graf gekomen. Maar de Heere weet wel hoeveel Zijn volk dragen kan. ü.' Heere wil dat die - vrouwen tot het gT? .f komen. Bij dat graf is het meegevallen.

O, hoe menigmaal wanneer bij hen de bezwaren rijzen, heeft God ze al voor Zijn volk weggenomen. Zo was het ook hier. Die steen was al afgewenteld. Vanzelf, die vrouwen hadden het nooit kunnen doen, maar God doet alles voor Zijn volk. In de opstanding heeft God alle stenen voor Zijn volk weggeruimd. De dood is verslonden tot overwinning. God is met Zijn volk nu tevreden. De Vader heeft de Zoon verheerlijkt, want Zijn recht is voldaan. Zijn toorn is gestild en Zijn gramschap voor eeuwig geblust. Goedertierenheid en waarheid hebben elkander ontmoet; de gerechtigheid en de vrede hebben elkander gekust.

Toen Christus de dood en het graf in­ ging, heeft Hij Zijn ganse kerk meegenomen; maar nu Hij verrezen is, is de ganse uitverkoren kerk met Hem opgestaan uit het graf van zonde en vloek. Daar is geen verdoemenis voor degenen, die in Cluistus Jezus zijn. De ongerechtigheid is verzoend en nu zal dat volk dubbel ontvangen voor al hun zonde. Christus is in de opstanding uit de doden gerechtvaardigd in de Geest.

De Vader heeft Hem uitermate verhoogd, omdat de Zoon aan al de eisen der Goddelijke gerechtigheid volkomen voldaan heeft; de wet van haar vloek ontwapend, maar ook vervuld. Christus had als Borg en Middelaar de Vader verheerlijkt, en nu kwam de Vader Hem te verheerhjken. Hij zou op de weg uit de beek drinken, en daarom zou Hij het hoofd omhoog heffen. Wat de Vader met ede gezworen had, in de raad des vredes, kwam Hij nu ook te bevestigen. De kerk staat nu vrij in Christus en de Vader omhelst die kerk in Christus. Hij zal nu nooit meer op hen toornen, noch schelden. O, wat een ruimte ligt er toch voor Gods kerk in de opstanding van Christus! Maar het moet persoonlijk voor ons ontsloten worden en toegepast door de Heilige Geest, Die Christus verheerlijkt in de harten der uitverkorenen.

Ja, daar hangt alles van af in ons leven. Dat hebben die vrouwen ook ondervonden. Wat een kleine gedachten hadden zij van Christus, alsof Hij in de dood blijven zou en dat de steen Hem in de weg lag.

O die onkunde en dat ongeloof, wat drukt en bezwaart het toch vaak het leven van Gods volk en wat moeten 'wij — want het is toch onze eigen schuld — daardoor veel in duisternis omzwerven. Doch die getrouwe Jehova heeft beloofd, dat de dwalenden van geest tot verstand zullen komen, en dat de murmureerders de lering zullen aannemen, Jes. 29 : 24. Hun heilzon is aan 't dagen.

Gr.-Rapids (U.S.A.)

Ds. W. C. Lamaia

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1959

De Banier | 8 Pagina's

Seen, n.tdtti am te vJie^en.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken