Bekijk het origineel

Beantwoording van de vragen van Ir. van Dis inzake de Prov. gezondheidsdiensten voor dieren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Beantwoording van de vragen van Ir. van Dis inzake de Prov. gezondheidsdiensten voor dieren

6 minuten leestijd

De minister van Landbouw, Ir. Staf, heeft de hem door Ir. van Dis gestelde vragen beantwoord. De antwoorden laten wdj hieronder volgen, dooh voor een goed begrip komt bet ons wel wenselijk voor eerst de vragen nog eens te vermelden, daar velen hierover wellicht niet meer beschikken en 't toch wel goed is, dat men de vragen en antwoorden bij elkaar beziet.

Hier volgen dan eerst de vragen en daaronder de antwoorden zoals ze letterlijk in het aanhangsel tot het Verslag van de Handelingen der Tweede Kamer voorkomen.

VRAGEN

van de heer Van Dis betreffende de statuten van de provinciale gezondheidsdiensten voor dieren. {Ingezonden 22 april 1959).

1. Is de minister bereid mede te delen wat de reden is of de redenen zijn, waarom aan de hem, volgens artikel 17, lid 2, van de wet van 23 juni 1952 tot regeling van de bestrijding der tuberkulose onder het rundvee, door de Provinciale Gezondheidsdienst voor dieren in Gelderland toegezonden statuten, vereist voor het erkend blijven van deze gezondheidsdienst, de ministeriële goedkeuring is onthouden?

2. Wil de minister mededelen waarom de ministeriële beschikkingen, waarbij de oude statuten der Provinciale Gezondheidsdiensten goedgekeurd en dezje diensten erkend werden, niet in de Nederlandse Staatscourant gepubliceerd zijn, zoals dit wèl gebeurt met andere ministeriële besöhikkingen, hoewel deze slechts voor de aangeslotenen van betekenis zijn, zoals bijvoorbeeld die inzake de goedkeuring der statuten van bedrijfsverenigingen (zie o.m. bijvoegsel Nederlandse Staatscourant van 4 december 1957, nr. 236, iwaarin bovendien de statuten zelf volledig vermeld worden)?

3. Is het de minister bekend, dat het niet publiceren van de in vraag 2 bedoelde ministeriële goedkeuring onder de veehouders grote ontstemming heeft verwekt en nog verwekt?

4. Is het waar, dat ter zitting van het gerechtshof te Arnhem op 21 juni 1957 de getuige-deskundige van de Gezondheidsdienst voor dieren eerst een onge nummerde en later een genummerde ministeriële goedkeuring, beide gedateerd 19 juni 1951, heeft getoond?

5. Weet de minister, dal hieruit wordt afgeleid, dat er door de Provinciale Ge-2x> ndheidsdienst in Gelderland met „falsifikaties" is gewerkt en de rechterlijke macht met , , valse z.g. ministeriële goedkeuringen" op een dwaalspoor is' gebracht?

6. Is de minister, om alle argwaan en het gevoel van rechtsonzekerheid weg te nemen, bereid om alsnog over te gaan tot publikatie in de Nederlandse Staatscooarant van de betreffende statuten en de ministeriële beschikkingen, waarbij deze statuten goedgekeurd en de Provinciale Gezondheidsdiensten voor dieren erkend werden?

ANTWOORD

van de heer Staf, minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening a.i. (Ingezonden 13 mei 1959).

1. Nadat alle elf provinciale gezondheidsdiensten voor dieren tijdig, d.w.z. binnen zes maanden na het in werking treden van de wet van 23 juni 1952, hun nieuAve statuten hadden ingezonden, werd niet aanstonds tot goedkeuring daarvan overgegaan, omdat de toenmalige minister van Landbouw^ Visserij en Voedselvoorziening het gewenst achtte, dat daarin nog enige voorzieningen werden opgenomen, o.m. betrekking hebbende op de samenwerking van die diensten met de Veeartsenijkundige Dienst. Deze wensen werden schriftelijk ter kennis gebracht van de Stichting voor de Landbouw, welke een gezondheidskommissie voor dieren had ingesteld als overkoepelend orgaan van de gezondheidsdiensten. In de kringen van de stichting heeft men 't echter niet opportuun geacht op deze kwestie terug te komen, waar enerzijds door de tijdige inzending der statuten ingevolge artikel 17 der wet de reeds vroeger verleende erkenningen der gezondheidsdiensten toch van kracht bleven en anderzijds te verwachten viel, dat het inmiddels ingestelde Landbouwschap ten aanzien van de bestrijding der rundertuberkulose gebruik zou gaan maken van de 'hem bij het Instellingsbesluit toegekende bevoegdheden, waarbij de hiervóór genoemde wet niet ongewijzigd in stand zou kurmen blijven. In de konsiderans van die wet was in verband met deze te verwachten ontwikkeling het tijdelijk karakter der regeling dan ook onderstreept.

2. Publikatie in de Nederlandse Staatscourant van de beschikkingen, waarbij de oude statuten der gezondheidsdiensten werden goedgekeurd, was geen vereiste voor de gelding dier statuten. Overigens kon uit de wel in de Nederlandse Staatscourant gepubliceerde beschikkingen tot aanwijzing der gebieden, waar het houden van runderen slechts zou zijn toegestaan aan aangeslotenen bij een erkende gezondheidsdienst, worden afgeleid, dat de in zulk een gebied opererende gezondheidsdienst de erkenning had verkregen en dus ook, dat de voorwaarde voor zodanige erkerming, namelijk goedkeuring van de statuten, was vervuld.

De publikatie in de Nederlandse Staatscourant van de statuten van bedrijfsverenigingen geschiedt krachtens artikel 9 van de wet van 22 april 1855. De provinciale gezondheidsdiensten zijn evenwel geen verenigingen, doch stichtingen, waarop de wet van 1855 niet van toepassing is.

3. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord.

4. Daarlatende wat ter zitting van het gerechtshof te Arnhem is verhandeld, moge de ondergetekende er op wijzen, dat het door dat hof op 4 juli 1957 gewezen arrest door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 10 december 1957 is vernietigd, juist omdat naar het oordeel van ons hoogste reohtskollege niet op voldoende wijze was beslist omtrent de erkenning van de betrokken gezondheidsdienst voor dieren. De Hoge Raad verwees de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Laatstgenoemd hof heeft in zijn arrest van 21 mei 1958 als bewijs van de erkenning van de gezondheidsdienst voor dieren in Gelderland aanvaard een in fotokopie overgelegde minute van de beschikking dd. 22 maart 1947, nr. 1769/85, waarbij genoemde gezondheidsdienst werd erkend krachtens het toen geldende Besluit Bestrijding tuberkulose onder het rundvee en waarbij tevens de toen vastgestelde statuten werden goedgekeurd. Een wijziging van die statuten is, gelijk aan het hof mede is aangetoond, bij beschikking van 19 juni 1951, nr. 4775/89 P, eveneens goedgekeurd.

De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bevestigd bij arrest van 9 december 1958. 5. Het is de ondergetekende bekend, dat de schrijver van een artikel in het blad „De Vrije Boer" van 18 april 1959 zich niet heeft ontzien, uitsluitend uit eigen weergave van de gang van zaken ter zitting van het gerechtshof te Amhem te besluiten: „dat men met falsifikaties heeft gewerkt". Dat hier teiuninste van onjuiste voorlichting sprake is, moge iiit het voorgaande duidelijk zijn.

6. De ondergetekende ziet geen aanleiding ruim tien jaar oude beschikkingen thans nog in de Nederlandse Staatscourant te publiceren. De nummers en data dezer ministeriële beschikkingen zijn:

Noordbrabant, Noordholland, Utrecht, Limburg en Drenthe:13-7-1946, nr. 5890/660, afdeling JZ/L.

Zuidholland en Zeeland:12-8-1946, nr. 6591/697, afdeling JZ/L.

Groningen:13-1-1947, nr. 11903/872, afdeling JZ/L.

Gelderiand:22-3-1947, nr. 1769/85, afdeUng JZ/L.

Overijssel:24-3-1947, nr. 1869/91, afdeling JZ/L.

Friesland:30-8-1948, nr. 163/89P, afdeling JZ/L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1959

De Banier | 8 Pagina's

Beantwoording van de vragen van Ir. van Dis inzake de Prov. gezondheidsdiensten voor dieren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken