Bekijk het origineel

Rede van Ds. Zandt betreffende de regeringsverklaring

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Rede van Ds. Zandt betreffende de regeringsverklaring

20 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Dinsdag 26 mei legde de minister-president Prof. De Quay de aangekondigde regeringsverklaring in de vergadering van de Tweede Kamer af.

De debatten daarover hadden de volgende dag plaats en niet, zoals eerst was aangekondigd, na een pauze op dinsdag. Dat hierin een wijziging was aangebracht, is zeer terecht geschied. De reregeringsverklaring toch was een lijvig stuk, dat uit niet minder dan 21 vrij grote pagina's bestond, hetgeen het de redaktie onmogelijk maakt, met het oog op de plaatsruimte, om haar in „De Banier" op te nemen. Zoals te verwachten was, bleek in deze verklaring, dat het kabinet de enige goede grondslag, die van Gods Woord, mist, waarover 'Ds. Zandt krachtens de beginselen der S.G.P. zijn leedwezen uitsprak en waarom hij zich genoodzaakt zag het ministerie te bestrijden.

Daarbij werden, zoals zich laat verstaan, tevens onderscheidene onderwerpen door hem besproken, waarover in de verklaring gehandeld is.

Dat deze niet alle door hem besproken zijn, laat zich gemakkehjk begrijpen, want dan zou zijn rede buitensporig laag geworden zijn. Bovendien biedt de aan staande behandeling van de Rijksbegroting 1960 daarvoor een veel geschikter gelegenheid, wanneer de regering een volledige uiteenzetting van tal van kwesties , zoals zij zich voorstelt deze te zullen behandelen, geeft. Geen enlcel Kamerlid heeft ook alle in de regeringsverklaringen genoemde aangelegenheden besproken, zodat de bespreking op één dag heeft kunnen aflopen.

Aangezien de rede van Ds. Zandt in een voor ieder verstaanbare taal is gesproken, behoeft zij geen nadere toehchting, te meer niet deviajl er in de rede geen aangelegenheden behandeld zijn, die zulks vereisen.

Wij laten de rede hierbij dan ook zonder meer volgen zoals zij werd uitgesproken.

Mijnheer de Voorzitter!

Bij de besprekingen over de regeringsverklaring moeten wij tot ons leedwezen verklaren, dat

de grondslag,

waarop dit Kabinet gevestigd is^ door ons niet aanvaard kan worden, maar zelfs bestreden moet worden. Daarbij zal onze bestrijding eoh'ter geen persoonlijk, maar een principieel karakter dragen, al is het op zichzelf geen aaiv gename zaak ter bestrijding te moeten overgaan. Wij gevoelen ons volgens onze beginselen daartoe verphdit, waarbij wij al het persoonlijke strikt wensen te vermijden. De enige goede grondslag, waarbij heel ons volk wèl zou varen, missen wij helaas ook in de afgelegde regeringsverklaring. Het ds die,

welke naar Gods Woord

is, welke het welzijn en de welvaart voor overheid en onderdanen waarborgt.

Alvorens wij nader op dit gewichtige punt ingaan, maken wij enige opmerkingen over de wijze, waarop het Kabinet is samengesteld. Al wat daarbij is voorgevallen tot het definitief werd samengesteld, heeft

allerminst een verheven aanblik

te aanschouwen gegeven. Ook daarbij heeft weer een touwtrekkerij plaatsgevonden, waardoor het aanzien van de regering^ het parlement en het gezag schade leden. Het is waar, dat het niet in zulk een ergerlijke m'aite als bij de samenstelling van het kabinet in 1956 heeft plaatsgevonden, maar toch is heit ook thans wel van dien aard geweest, dat

het partijbelang

daarbij geheel op de voorgrond en het landsbelang daarbij geheel op de achtergrond geraakt is. Het is ook nu weer een passen en meten geweest, waarbij elke partij zich geducht heeft laten gelden om niet alleen het gewenste aantal zetels, maar ook de door hen begeerde zetels in het ministerie te bekomen. Dit is zelfs van dien aard geweest, dat om daaraan te voldoen de formateur prof. de Quay daarmee tenslotte

geen raad meer

heeft geweten en zijn opdracht als een hopeloos verloren zaak aan de Koningin heeft teruggegeven, mede omdat van antirevolutionaire zijde aan de formateur was ter kennis gebracht, dat de antirevolutionairen hun medewerking aan het te vormen ministerie onttrokken, omdat naar hun gevoelen het christelijksociale beleid in het kabinet niet voldoende gewaarborgd was. Zo was de formatie van het kabinet door prof. de Quay

spaak gelopen,

hetgeen het anittrevolutionaire „Friese Dagblad" aanleiding gaf te schrijven. dat de formateur, die zich eerst naam maakte door zijn optreden als leider van de Nederlandse Unie in bezettingstijd, nu nog meer bekend zal worden in Nederland als de man, die in zijn dagboek zal kunnen schrijven: „Ik schuif, ik schoof, ik werd geschoven",

een uitspraak,

die wij geheel voor rekening van het blad laten, evenals die van bet roomskatholieke dagblad „De Volkskrant", waarin het vermoeden werd uitgesproken, dat de antirevolutionairen zelfs de formatie in handen walden hebben, ten einde een kabinet te kunnen vormen van A.R.P., V.V.D. en K.V.P. met uitschakeling van de C.H.U.

Dat wijst er wel op, dat er een

hevige touwtrekkerij

om de zetels in het ministerie is geweest, waarbij zelfs ministeo-Zijlstra overboord werd geworpen, zijn ontslagbriefje in ontvangst kon nemen en volgens zijn eigen zeggen tijd kreeg om met zijn zoontje mest het stoommachinetje te spelen. Daarop werd, nadat die vorming van een kabinet door de heer de Quay op een totale mislukking was uitgelopen, door de Koningin weer

de hulp van prof. Beel

ingeroepen. Deze is het dan eindelijk gelukt een ministerie te vormen en dit kant en klaar in handen van prof. de Quay te leggen, die nu als ministerpresident fungeert.

Dit kabinet

onderscheidt zich van het vorige, doordat de Partij van de Arbeid er niet in is verfcegen/woordigd, die plaats heeft moeten maken voor de V.V.D., terwijl de K.V.P. met 6, de A.R.P. en de C.H.U. elk met 2 en de V.V.D. met 3 zetels daarin vertegenwoordigd zijn.

Wat betreft de vervanging van de Partij van de Arbeid door de V.V.D. in dit kabinet, kan geheel naar waarheid worden gekonstateerd, dat, hoewel er belangrijke verschillen tussen beider staatkundig beleid zijn, zij toch beide

in grondbeginsel één zijn.

Beide partijen zijn namelijk van mening, dat niet de soevereiniteit Gods het richtsnoer van het staatkxmdige beleid behoort te zijn, maar de soevereiniteit van het volk, en niet Gods Woord, maar de menselijke rede daarin moet worden gevolgd.

Voorts zal het door niemand kunnen worden ontkend, dat

de K.V.P.

met haar zes ministers in dit ministerie naar verhouding van de getalsterkte van de rooms-katholieken in onze bevolking en ook ia de Tweede Kamer, waar die getalsterkte toch maar omstreeks een derde bedraagt, daarin te sterk is vertegenwoordigd. Wat de aanwezigheid betreft van de A.R.F, en de C.H.U. in dit ministerie wil ik oprnierken, dat wij daarin zien

een hernieuwde snelle afloop der wateren.

Had men in de hoogtijd van de zgn. rechtse koaütie gezegd, dat er een dag zou aanbreken, dat zij met de socialisten en de liberalen nog eens in één ministerie zitting zouden hebben, dan zouden zij deze bewering met grote verontwaardiging en steUige ontkenning als een lasterlijke blamage van de hand hebben gewezen. Toen werd de koalitie-regering door hen als de christelijke bij het volk aangeprezen en werden zowel de liberalen als de socialisten als paganisten aangemerkt.

En zie. Mijnheer de Voorzitter, nu hebben de antirevolutionairen en de christehjk-histoiischen eerst jaren achtereen met de socialisten in één kabinet gezeten en thans zitten zij in een kabinet met de liberalen. Wat blijft er op deze wdjz« van de beginselen over?

Mr, Groen van Prinsterer

heeft terecht met grote nadruk gezegd, dat vooral in tijden van verval de beginselen zuiver bewaard moeten worden. De regeringspartijen dienen zich om strijd als de progressieve partijen, dat zijn de partijen van de vooruitgang, bij ons volk aan.

Letten wij echter op de zeden des volks, dan valt er een

schrikbarende achteruitgang

te konstateren. De zeden van een volk zijn van een zo groot belang, dat de oude christehjke kerk zeer terecht heeft gesteld, dat de overheid de zeden des volks meer ter harte diende te gaan dan de stoffelijke goederen.

Mijnheer de voorzitter! Met deze zo juiste en hoogst belangrijke stelregel van de oude christelijke kerk en van de Reformatie, die geheel naar den Woorde Gods is, is door de regering van ons land jaren achtereen, helaas, geen rekening gehouden. Wij hebben, afgaande op de verklaring en de samenstelling van d© regering, geen enkele reden om aan te nemen, dat daarin een gunstige keer zal worden genomen. Dit is toch hoog nodig.

De krimihaliteit,

ook onder de jeugd, neemt op een verontrustendfe wijze toe. Het is hierbij al zo ver gekomen, dat om maar w^einig geld een moord wordt gepleegd, aaj> slagen op banken, personen, ouden-van^ dagen, zijn schier aan de orde van de dag. Diefstallen, berovingen, korrupties, bedriegerijen, oplichterijen en falsifikaties komen zo veelvuldig voor, dat het iets heel bijzonders is, als men een krant leest, waarin geen bericht daaromtrent vermeld staat. Daarbij komt nog, dat de ontkerstening van ons volk hand over hand toeneemt.

Het getal dergenen,

die met God en Zijn geboden openlijk hebben afgedaan, is tot een gjrote hoogte .geklommen en neemt nog steeds toe. Aan het feit, dat zulk een ontzaggelijk verval — dit is het — is ingetreden, hebben ook de

regeringsmaatregelen in geen geringe mate medegewerkt,

omdat de wetten en maatregelen van de regeringen niet gericht waren op het naleven van Gods wet en Woord, maar meer op het doen opgaan van ons voUc in het aardse en in de begeerlijkheden der wereld, getuige de vele en hoge subsidies, welke door de regeringen en de haar steunende partijen beschikbaar gesteld werden voor sport en spel, komedie en opera en andere vermakelijkheden, tot zelfs het dansen toe en de danskunst daarbij! Ook ten aanzien van

de eerbiediging van Gods dag

is de regering in vroegere jaren niet alleen in alles te kort geschoten, maar heeft zij door haar wetgeving er zelfs hard aan medegewerkt, dat des Heeren dag — dit is de zondag — tot een werkdag en zondedag werd gemaakt, terwijl de samenstelling , van het huidige kabin^et ons

geen enkele waarborg biedt, dat het in deze anders zal op. treden. Die wending achten wij hoogst noodzakeHjk om het verdeire verval van ons volk te keren, ook ten aanzien van onze rechtspraak.

De kerkvader Augustmus

heeft in één van zijn geschriften geschreven, dat het kwaad zijner eeuw was, dat het kwaad niet vi^rd gestraft Dit verschijnsel doet zich ook in sterke mate in onze dagen voor.

Door de toepassing van het moderne strafrecht

wordt bevorderd, dat de misdaden niet naar behoren worden bestraft en dat er 2ielfs aan gevaarlijke misdadigers zuil; een grote mate van vrijheid wordt verleend, dat talrijken ktmnen ontsnappen, die een groot gevaar voor de veiligheid, zelfs voor de levens van de gewone bur. gers opleveren, terwijl ook veel straffere maatregelen behoren t© worden genomen tegen degenen, die in beschonlcen toestand met een auto allerlei ongelukken, zeHs van dodelijke aard, veroorzaken. Kort geleden is — dat is zeer terecht opgemerkt — in een proces door een advokaat gezegd, dat de jeugdgevangenissen de daarin verblijvende jeugd een schone gelegenheid bieden nieuwe plannen voor aanslagen en didstaUen te beramen. Evenmin als

Augustinus en Calvijn

voor een wrede rechtspraak waren, zijn •wi] als S.G.P.-ers daarvoor. Dit sM echter niett uit, dat wij op grond van Gods Woord van oordeel zijn, dat de schuldigen naax behoren moeten worden gestraft en dat het bedreven kwaad dient te worden gewroken. In korte bewoordingen samengevat is ons hoofdbezwaar tegen het kabinet, dat het Gods Woord en wet niet tot richtsnoer in zijn regeringsbeleid stelt.

De eeuwige, geestelijke belangen,

zoals die in Gods Woord beschreven sitaan; zien wij daarin totaal verwaarloosd. Zij worden bij de tijdelijke en stoffehjke geheel ten achter gesteld. Zulk een ten achterstelling is door één van de voormannen van d© A.R.P. terecht eens zeer scherp veroordeeld, toen hij schreef, dat zulks niet minder was dan een verraad aan Christus Zelf. Hoewel dit een scherpe veroordeling is, is zij nochtans in overeenstemming mei Gods Woord. Daarin wordt toch het op de voorgrond stellen van aardse, tijdelijke, stoffeHjk© belangen scherp afgekeurd, zoals - dat geschiedt in Matth. 6

door Christus Zelf,

wanneer hij tegenover de levenswijze der heidenen stelt: „Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid en al deze dingen zullen u worden toegeworpen". Van de eeuwige belangen, 'die voor elk mens van belang zijo en die naar Gods Woord en volgens de leer van de oude christelijke kerk en die van de refonnatie door de ovetrheid bovenal moeten worden behartigd, wordt in de regeringsverklaring echter met geen enkel woord melding gemaakt. Wel wordt daarin over de

christelijke grondslag van onze beschaving

gesproken, maar allerminst in de geest van Gods Woord en in die van de oude christehjke kerk en die van de reformatie. Wij zien 'het woord „christelijk" ook weer gebruikt in deze zin, zoals JOI-Groen van Prinsterer reeds opmerkte, „dat hoe meer dit woord gebruikt wordt, des te minder er van Christus en Zijn Woord in is", wat per slot van rekening oiets anders is dan een

schromelijk misbruik

yajj (He naam. Het woord „christelijk" js in onze dagen weder in zwang en (jjent soms zelfs als een vlag om alkirlei onchristelijke lading te dekken.

Mijnheer de Voorzitter! Ook het geestelijk welzijn, waarover in de regeringsverklaring gesproken woodt, vereist een nadere verklaring. Wat wordt er onder verstaan? Eteze en soortgelijke verklaringen zijn ook door vroegere regeringen afgelegd, waar

oos protest

zich er toen tegen gericht heeft, dat zie alleen aardse en wereldse zaken betroffen maar waarmee die schrikkehjke ontkerstening van ons volk en de grote verwüdering der zeden veeleer in de hand gewerkt dan dat ze daarmee gekeerd wordt. Heit treft ons in deze regeringsverklaring nu ook weer, dat hierbij alles

van de mens,

diens rede en fcraohten wordt verwacht en dat de uitspraken van Gods geopenbaard Woord, de Bijbel, geheel niet in aanmerking komen. Zo is het ten aanzien van de birmenlandse en ook ten aanzien van de buitenlandse politiek. Uit de regeringsverklaring valt op te maken, dat dezie regering in dezen

dezelfde politiek

zal volgen als die van de kabinetten van de brede basis. Wij zijn immer tegenstandJers van dat regeringsbeleid geweest. Wij weiden uitgekreten voor ouderwetse personen, die hun tijd volstrekt niet begrepen en zie, nu komt een onverdachte voorstander er van, niemand minder dan de oud-staatssekreftaris van Buitenlandse Zaken, die heer van der Breugel, verklaren, dat de tijd van zoet dromen over de Europese eenheid voorbij is.

Mijnheer de Voorzitter! Onzerzijds is, mede als - bezwaar tegen dit vergaande internationalisme, waaraan zelfs Indië is opgeofferd en waaraan velen ook nog wel

onze soevereiniteit

opgeofferd willen zien, aangevoerd, dat men utopieën en niets dan utopieën najoeg, waarmee men bitter teleurgesteld zou uitkomen. Hierin worden wij door de feiten en door de openHjke bekentenis van nota bene een

oud-staatssekretaris van Buitenlandse Zaken

gereohtvaaidigd en in het gelijk gesteld.

Dit was voor ons steeds een bezwaar, maar ons hoofdbezwaar was, dat zowel de Volkenbond als de Organisatie der Verenigde Naties, waarin door de Russische invloed Gods Naam nog niet eens ia de officiële bescheiden mocht worden genoemd en ook in andere internationale instituten

God en Zijn Woord en wet

werden miskend. Er is wel geprofeteeird, dat er langs deze weg een eeuwige wereldvrede en een ongekende welvaart zouden komen, maar het tegendeel - is gekomen in de twee wereldoorlogen, waarmeie de H-eere bet ongeloof en de hoogmoed heeft bespot en gestraft.

De zwaarste oordelen,

zoals in de wereld, die na de zondvloed nog nooit .gekend had, zijn in deze oorlogen over heel de aarde en baar bewoners gegaan. Zulke oordelen staan ons nog te wachten. Wanneer dez», dank zij Gods lankmoedigheid niet direkt zichtbaar tot uiting kwamen, zoals de

apostel Petrus

beschrijft, sloeg men aan hêt spotten en leef'de men in dodelijke gerustheid voort, zoals het ook in het tijdperk van de eerste christenen was. Als deze vanwege de Godsverzaldng de komst van oordelen aankondigden en deze niet direkt in een zichtbare vorm tot uitvoering werden gebracht, dan werden deze ohiistenen door de heidenen uitgelachen en bespot, geBjk wel uit de geschriften van Lucian duidelijk blijkt. In verband hiermede

betreuren wij het,

dat in de regeringsverklaring er niets van valt te bespeuren, dat de regering in deze zorgelijke tijd, waarin de spanr ningen onder de - volkeren zo hoog gestegen zijn, voornemens is, ons volk aan te manen, zich te verootmoedigen voor Gods aangezicht en om het pad der zonden te verlaten. We vrezen integendeel, dat haar w-etgevende maatregelen er hand aan zidlen meewerken, dat ons volk nog hoe langer hoe meer opgaat in een

materialistische levenswijze.

Daarop wijst ondermeer ook - de mededeling in de regeringsverklaring, dat er naar een definitieve regeling van de kwestie betreffende de voetbalpool za] worden gestreefd na herziening der Loterijwet. Wij vrezen, dat daaa-mede

de gokwoede,

welke onder ons volk nu reeds zuJk een enorme vorm h-eeft aangenomen, van regeringswege niet aUeen gesanktioneerd, maar in zekere zin zelfs aangemoedigd zal worden. Hierbij valt een bijzonder snelle afloop der watesren bij de antirevolutionaire ministeis te konstateren. In 1956 stelden zij voor het toetreden tot bet kabinet de voorwaarde, dat zij - niet in het kabinet zitting zouden nemen, wanneer het kabinet de voetbalpool aanhangig zou maken. Nu is deze voorwaarde blijkbaar niet eens gesteld.

Mijnheer de Voorzitter! Overgaande tot de bespreking van onderwerpen, die ook in de regeringsverklaring warden behandeld, wensen wij allereerst een opmerking over

de belastingdruk

te maken. De regering verklaart hiervan zelf, dat deze belastingdruk in Nederland wel zeer zwaar is.

Wij zijn van oordeel — wij hebben dit reeds jarenlang betoogd — dat de belastingen ingrijpend verlaagd behoren te worden.

De hoge belastingen

zijn een sta in de weg voor de bezitsvorming daar zij de mogelijkheid tot sparen tegenhouden. Hoge belastingen belemmeren ook de bloei van tal van bedrijven, vooral de bloei van middelgrote en kleine bedrijven en zijn bijzonder onrechtvaardig - tegenover de ongehuwden. Wij achten het dan ook van groot belang voor vrijwel geheel ons volk, indien de regering met voorstellen tot het parlement komt, waarin de belastingen in sterke mate zullen worden verlaagd. Mede om daartoe te komen is stellig nodig, dat

de staatsuitgaven

in belangrijke mate worden verlaagd. Deze zijn toch in de laatste jaren op onverantwoorde wijze gestegen. Er is maar van de hoge boom geleefd, alsof het geld niet op kon. Er is een groot beir van ambtenaren in het leven geroepen. Dit ambtenarenheir is zelfs zo groot, dat op

elke tien boeren

in ons land één ambtenaar aanwezig is, waardoor de bureaukratische rompslomp voor het bedrijfsleven een schier ondragelijke last is geworden. Het behoeft dan ook niet te vea-wondeien, dat er steen en been over het gevoerde

dirigistische beleid

is en wordt geklaagd. Het spreekt eigeiilijk vanzelf, dat wij tegen-ambtenaren als zodanig geen bezwaar hebben; neen, wij achten hen zelfs nodig, maar wij hebben wel bezwaar, < ^t er zon groot heirleger ambtenaren is en niet een normaal aantal; die kunnen steUig niet gemist worden, maar zoals het thans met het heirleger ambtenaren-gesteld is, kan het voor het welzijn van ons volk niet langer doorgaan.

Met een enkel woord terugkomende op de geweldig hoge staatsuitgaven wensen wij op te merken, dat verlaging daarvan zeer nodig K, ook met het oog op de waarde van onze munteenheid,

de gulden.

De rampen en het leed van tallozen onder het volk zijn niet te overzien als het nog verder voortgaat met de waardevermindering van onze munt. Vooral de minst gegoeden zal dit zwaar treffen. Voor velen is het leven reeds zo duur en maatschappehjk benard. Duizenden kleine renteniers, gepensioneerden en zovele anderen, die

onder de vergeten groepen

te rekenen zijn, verkeren in een dergelijke toestand, dat hun levensbestaan ïjchier onmogelijk wordt gemaakt. Indien de waarde-vermindering van onae munteenheid zo maar doorgaat. Dit niet alleen: ook het bedrijfsleven zal daardoor zwaar getroffen worden.

Wij zullen dan ook met belangstelling de maatregelen afwachten - terzake van de hoge staatsuitgaven, de buieaukratie, de waarde-vastheid van onze munt, de zaken betreffende de landbouw en andere onderwerperL, zoals Nieuw-Guinea^ de verhouding tot Indonesië en nogal meer, waarover wij thans niet nader zullen spreken, ook om des tijds wil.

Een enkel woord wens ik nog te spreken over

de woningbouw.

Met de woninigtoestaand is het, na zovele jaren na de beëindiging van de bezetting, ondanks de schone voorspiegeHngen en de rijke beloften - door vroeger© regeringen gedaan, nog steeds droevig gesteld. Aan de woningnood behoort, zoals jaar op jaar door onze fraktje is bepleit, alle zorg te worden besteed. Daarbij behoren aan het partikulier initiatief meer mogelijkheden , geboden te worden. Ook moge de regering haar zorg laten gaan

over de veiligheid op de wegen

in verband met het verkeer, want er grijpen nog steeds vele ongevallen plaats, vaak zelfs met dodelijke afloop.

Met instemming hebben wij uit de regeringsverklaring vernomen, dat de regering haar aandacht er aan zal verlenen om te komen tot verandering van de licbtingss-terkte en/of

verkorting van diensttijd.

Die verkorting achten wij van igroot 'belang. Meermalen hebben wij in deze Kamer bepleit, dat een verkorting zeer wel mogeHjk zou zijn, zonder dat de militaire opleiding schade zou lijden. Het zal onzerzijds geen bezwaar ontmoeten indien het beroepspersoneel wordt uitgebreid, dewijl dit toch wel noodzakelijk zal zijn vanwege de gekompliceerdheid van de moderoe wapens en het materiaal.

De tegenwoordige lange diensttijd

is voor menig studerende, die daarvan in zijn studie grote hinder ondervindt en ook voor menigeen, die een bedrijf heeft of in het bedrijfsleven niet kan worden gemist, een zeer ernstig bezwaar, dat, zo even mogelijk, uit de weg geruimd dient te worden.

Mijnheer de Voorzitter! In de regeiingsverklarin-g treffen wij bij voortduring het woord

„vrijheid"

aan, waaraan dit kabinet blijkbaar een enorme waarde hecht. Dit zou voor velen onzer landgenoten het hoopvolle uitzicht kunnen geven, dat zij verlof zouden wonden van de dwangmaatregelen, waarbij het dwang op dwang is en waardoor tal van bedrijfsgenoten met de deurwaarder als stok achter de deur worden gedwongen heffingen op t© brengen, zoals dat onder meer het geval is bij

de P.B.O.,

waaruit de schappien en ook het Landbouwschap zijn voortgevloeid, waarbij maar even 56 miljoen gulden moeten worden opgebracht en het enorme - bedrag van 10 miljoen gulden in het vorige jaar alleen voor propaganda werd uitgegeven. Het lid van de Eerste Kamer, de heer Louwes, behorende tot de V.V.D., heeft verleden jaar wel verzucht, dat er zonder deurwaarders in het geheel geen P.B.O. zou zijn, maar uit de regeringsverklaring valt af te leiden, dat, ondanks de tegenwoordigheid

van drie ministers van de V.V.D.

in het kabinet en ondanks de schoon klinkende leuzen van de regeringsverklaring inzake de vrijheid, die regering de publiekrechtelijke institutiies, waartoe ongetwijfeld de P.B.O. behoort, wil handhaven, ja zelfs nog verder wil ontplooien. Zo wordt ook hier, zoals meermalen in de .geschiedenis ]s gebeurd,

de vrijheid

in naam van de vrijheid vermoord. Zo staat dan zeer te vrezen, dat de vrijheid in 'hot bedrijfsleven, welke eeuwenlang op onze vaderlandse bodem heeft - bestaan, door dit ministerie allerminst hersteld zal worden, maar dat het staatsdirigisme in dezen zal worden voortgezet, hetgeen voor ons zeer bezwaarlijk is.

Voorts zijn in de regeringsverklaring opmerkingen gemaakt aangaande de lonen, het subsidie op de melk, de werktijdverkorting en de huren. Deze zaken zijn

van zo ingrijpende aard,

dat wij alvorens ons oordeel hierover te kunnen uitspreken de na-dere wetsvoorstellen en maatregelen van de regering wensen af te wachten. Hierbij wensen wij het Schriftuurlijke - standpunt gehanidhaafd te zien, dat de arbeider zijn loon waard is, en wensen wij geen maatregel te steunen^ die een ongemeen zware druk op de bevolking, inzonderheid op de vergeten groepen, legt. Over

de duur van dit ministerie

valt niets met enige zekerheid te zeggen. Nu tijdens de fonnatie van dit kabinet reeds een geduchte touwtrekkerij tussen de partijen, waaruit het is samengesteld, heeft plaatsgevonden en er wederzijds allesbehalve vriendschappelijke 'kritiek is geoefend en zelfs, nu het kabinet is samengesteld, openlijk door de heer Kikkert — en hij staat hierin in de C.H.U. niet alleen — verklaard is, dat hij hevea: een kabinet op brede basis met de socialisten had gezien en ear ook onder de K.V.P. zeer vele leden zijn, die van hetzelfde gevoelen zijn, zou het niet te verwonderen zijn, wanneer het kabinet op de één of andere dag genoopt werd

af te treden,

te meer, waar dit kabinet een extiaparlementair kabinet is en er .geen binding tussen de regering en de frakties bestaat.

Dit konstateren wij als een feit, waarbij wij nadrukkehjk wensen te verklaren, dat wij niet een binding voorstaan, zoals deze door de Partij van de Arbeid begeerd wordt, waarbij de regering eigenUjik niet regeert, maar geregeerd wordt door de partijen.

Mijnheer de Voorzitter! Tenslotte verklaren wij, dat wij de

daden van het kabinet wensen af te wachten en deze overeenkomstig onze beginselen wensen tie beoordelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1959

De Banier | 8 Pagina's

Rede van Ds. Zandt betreffende de regeringsverklaring

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken