Bekijk het origineel

Calvijn

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Calvijn

16 minuten leestijd

V.

Vervolg van de brief van Calvijn aan de Franse koning

Voorwaar, de kerk van Christus heeft geleefd en zal leven zo lang Christus regeren zal aan de Techterhand des Vaders, door Wiens hand zij ondersteund, door Wiens bescherming zij verdedigd wordt, door Wiens kracht zij haar zekerheid behoudt. Want Hij zal zonder tvidjfel volbrengen hetgeen Hij eenmaal beloofd heeft, dat Hij bij de Zijnen wezen zal tot aan de voleinding der eeuwen (Matth. 28 : 20).

Tegen deze kerk nu hebben wij de strijd niet, dewijl wij met een gelijke overeenstemming met het ganse volk der gelovigen één God en één Heere Christus eren en aanbidden, zoals Hij altijd door alle god\Tuchtigen aangebeden is. Maar zij zelf dwalen niet weinig van de waarheid af, daar zij geen andere kerk erkennen dan die zij met hun ogen aanschouwen en dezelve trachten te besluiten birmen die palen, binnen welke zij geenszins besloten is. Over deze hoofdzaken dan loopt ons geschil: Vooreerst, dat zij de gestalte der kerk altijd blijkbaar en zichtbaar willen hebben; ten andere, dat zij die gestalte zeU stellen in de stoel der roomse kerk en de orde van deszelfs prelaten. Wij daarentegen beweren dat de kerk zonder enige zichtbare gedaante bestaan kan, en dat ook haar gedaante niet naar die uiterlijke glans, die zij dwaselijk bewonderen, maar naar een gans ander merkteken moet geschat worden, namelijk: de zuivere verkondiging van Gods Woord en de wettige bediening der sakramenten. Zij brommen daartegen niet anders dan dat de kerk altijd met de vinger kan worden aangewezen. Maar hoe dikwijls is het gebeurd, dat zij onder het Joodse volk zo misvormd werd, dat er geen gedaante overbleef?

Welke glansrijke gedaante menen wij dat zij vertoond heeft toen Eha klaagde, dat hij alleen was overgebleven (1 Kon. 19 ; 11) JP Hoe lang is zij na de komst van Christus zonder gedaante verborgen geweest? Hoe dikwijls is zij, sedert die tijd, door oorlogeh, beroerten en ketterijen zó onderdrukt geweest, dat zij zich geenszins aanwezig toonde? Indien zij nu in die tijd geleefd hadden, zouden zij dan wel geloofd hebben dat er een kerk aanwezig was?

Maar Elia hoorde, dat tot hem gezegd werd dat er nog zevenduizend mannen waren overgehouden, die hun knie voor Baal niet hadden gebogen. Ook moet het ons geen twijfelachtige zaak zijn, dat Christus, sedert Hij ten hemel is gevaren, immer op aarde heeft geregeerd. Maar indien de godvruchtigen te dien tijde enige uiterlijke gedaante met hun ogen hadden gezocht, zouden ze niet geheel de moed verloren gegeven hebben?

En waarlijk, Hilarius hield reeds in zijn dagen dit voor een hoofdgebrek, dat zij, door een zotte bewondering, die zij jegens de bisschoppelijke waardigheid koesterden, verblind, de dodelijke pest, die onder dit mom verborgen lag, niet opmerkten. Zo toch drukt hij zich uit: „Tot één zaak vermaan ik u; wacht u voor de antichrist; gij vergaapt uzelf aan de zotte liefde jegens de muren; gij vereert ten onrechte de kerk Gods in de schoonheid van daken en gebouwen; ten onrechte geeft gij aan dezelve de naam des vredes; is het ons twijfelachtig, dat de antichrist daar zijn zetel zal vestigen? De bergen, de bossen, de meren, de kerkers en de holen houd ik voor mij veiliger; want daarin hadden de profeten hun verblijf en woonplaats als zij profeteerdsn".

Nu, wat is het anders, dat de wereld in derzelver gehoornde bisschoppen vereert dan dat zij die voor heüige voorstanders van de godsdienst houdt, die zij ziet dat hun zetels in de voorname steden hebben gevestigd? Weg dan met een zo zotte verering! Laat ons liever de Heere dit toestaan: at Hij, daar Hij alleen weet wie de Zijnen zijn (2 Tim. 2 : 19), ook somtijds de uitwendige gedaante Zijner kerk van voor het oog der mensen wegneme. Dit is, ik beken dat, wel een schrikkelijke wraak Gods over de aarde, maar indien de goddeloosheid der mensen zulks verdient, waarom trachten wij deze wraak Gods tegen te spreken? Zo heeft de Heere in voorgaande eeuwen de ondankbaarheid der mensen gewroken. Want dewijl zij aan Zijn waarheid weigerden gehoorzaamheid te bewijzen, en Zijn licht uitblusten, zo heeft Hij toegelaten, dat zij, verblind in hun verstand, door ongerijmde leugens verleid en in diepe duisternis bedolven zouden worden, zodat er van de ware kerk geen gedaante gezien werd.

Intussen heeft Hij echter de Zijnen, hier en daar verstrooid en verscholen, in het midden der dwalingen en duisternis voor de ondergang bewaard. En geen wonder: Want Hij heeft geleerd hen te bewaren zelfs in de verovering van Babel en in de vlam van de brandende oven. Dat zij nu wiUen, dat de gedaante der kerk zal worden afgemeten naar ik weet niet welke praal, hoe gevaarlijk dit is, zal ik met weinige woorden meer aanwijzen dan uitleggen, opdat ik mijn rede niet tot in het oneindige uitrek.

De paus, zeggen zij, die de apostolische stoel bezit, en de prelaten, die door hem gezalfd en gewijd zijn, stellen, zo zij slechts met mijter en staf voorzien zijn, de kerk voor en moeten voor de kerk worden gehouden, en kunnen daarom ook niet dwalen. Hoe zo? Omdat zij herders van de kerk en de Heere toegeheiligd zijn.

Maar waren Aaron en de andere oudsten van Israël ook geen herders? Evenwel hebben Aaron en zijn zonen, die reeds tot priester waren aangesteld, gedwaald, toen zij het kalf hebben gemaakt. Waarom zouden volgens deze regel de vier­ honderd profeten, die Achab misleidden, de kerk niet hebben vertegenwoordigd? Maar de kerk was aan de zijde van Micha, die wel alleen stond en verachtelijk was, maar uit wiens mond de waarheid voortkwam (1 Kon. 22 : 8 enz.).

Droegen ook niet de naam en de gedaante der kerk de profeten, die met algemeen gedruis tegen Jeremia opstonden en dreigend stoften, dat het onmogelijk was, dat de wet van de priester, de raad van de wijze, en het woord van de profeet zou vergaan (Jer. 18 : 18)? Tegen deze ganse natie van profeten wordt Jeremia alleen gezonden, om van 's Heeren wege te verkondigen, dat de wet van de priester, de raad van de wijze en het woord van de profeet vergaan zou Oer. 4 : 9).

Blonk een zodanige glans niet uit in de kerkvergadering, die de overpriesters, schriftgeleerden en farizeën bijeen geroepen hebben om raad te nemen om Christus te doden (Joh. 12 : 10)?

Laat nu onze tegenpartijen heengaan en aan het uitwendig masker blijven hangen om Christus en al Gods profeten tot scheurmakers, en daarentegen des satans handlangers tot werktuigen van de Heilige Geest te maken. En zo wij van harte spreken, laat hen dan oprechtelijk antwoorden in wat land en onder welk volk, buns bedunkens, de kerk haar zetel heeft sedert de tijd, dat Eugenius volgens het besluit der kerkvergadering van Bazel van zijn pausschap afgezet, en Amadeüs in zijn plaats verkozen is geworden. Zij kunnen, al moesten zij ook van spijt bersten, niet loocI; enen, dat die kerkvergadering, wat de uiterlijke vorm betreft, een wettige is geweest, en niet alleen van één paus, maar van twee beschreven. Aldaar is Eugenius als scheurmaker, opstandeling en hardnekkige veroordeeld, met de ganse hoop der kardinalen en bisschoppen, die met hem getracht hadden die kerkvergadering te verstoren. Evenwel heeft hij naderhand, door de invloed van sommige vorsten geholpen, de pauselijke stoel ongestoord hernomen; en de verkiezing van Amadeüs, die op gezag ener algemene en heilige synode wettig had plaats gehad, is in rook verdwenen; behalve alleen dat hij, gelijk een blaffende hond met een voorgeworpen brok, met een kardinaalshoed is gepaaid. Uit die schoot van ketters, oproermakers en hardnekkigen is voortgekomen al wat later paus, kardinaal, bisschop, abt of priester geweest is. Hier is het dat zij zich moeten gevangen geven. Want aan welke van deze beide partijen zuUen zij de naam van kerk geven? Zullen zij ontkeimen, dat het een algemeen koncilie is geweest, aan hetwelk toch niets ontbrak, wat de uitwendige majesteit betreft? Dewijl het namelijk bij twee bullen plechtig bijeengeroepen, door de legaat van de roomse stoel, die voorzitter was, ingewijd, en met alle plechtigheden wel geschikt, in diezelfde waardigheid altijd tot de afloop toe volhard heeft. Zullen zij bekennen, dat Eugenius met zijn ganse aanhang, van welke zij allen hun vvdjding hebben, een scheinrmaker is?

Zo moeten zij dan óf de gedaante der kerk anders beschrijven, óf zij zullen, zo velen als zij zijn, door ons voor scheurmakers gehouden worden, die wetens en willens hun wijding van ketters hebben ontvangen. En schoon men nooit tevoren bij ervaring had bevonden, dat de kerk niet verbonden is aan uiterlijk praalvertoon, zo zouden zij zelf echter ons tot een voldoend bevvdjs kunnen verstrekken, daar zij onder die fraaie titel van kerk zichzelf zo lang aan de wereld trotseHjk hebben aangeprezen, daar zij nochtans dodelijke pesten waren in de kerk. De spreek hier niet van hun zeden, en van die gruwelijke wanbedrijven, waarmede hun gehele leven vervuld is; daar zij zelf zeggen, dat zij farizeën zijn, die men wel moet horen, maar niet navolgen.

Maar indien het u behaagt iets van uw tijd te besteden in het lezen van ons geschrift, zult gij duideHjk bemerfjen, dat juist die leer, om welke zij zeggen dat zij recht hebben op de titel van kerk, niet anders is dan een gruwelijke zielmoorderij, een verderfelijke fakkel, en een verwoesting en een verderf der kerk. EindeHjk, zij handelen niet zeer redelijk, als zij op een hatehjke wijze verhalen, hoevele beroerten, muiterijen en onenigheden de verkondiging onzer leer heeft veroorzaakt, en hoedanige vruchten zij thans in vele mensen voortbrengt. Want de schuld van deze onheilen, die aan de boosheid van de satan moest geweten worden, wordt ten onrechte aan die leer ten laste gelegd. Het is als het ware een vaste eigenschap van het GoddeHjke Woord, dat het nooit te voorschijn treedt, of de satan ontwaakt en wordt wakker. En dit is een zeker en ontwijfelbaar merkteken, waardoor het onderscheiden wordt van de valse leringen, die zichzelf lichtelijk openbaren, daar zij met gewillige oren worden ontvangen en door de wereld met toejuiching worden aangehoord.

Alzo heeft die vorst der wereld enige eeuwen vóór deze, gedmiende welke alles in diepe duisternis bedolven lag, schier alle mensen tot voorwerpen van zijn spel en zijn spot genomen, en gelijk esn Sardanapalus in diepe rust met hen zijn vermaak gehad. Wat toch zou hij anders hebben kunnen doen dan lachen en spelen, overmits hij was in het stil en vreedzaam bezit van zijn rijk?

Maar zodra het licht, van boven nederschietende, zijn duisternissen enigszins verdreef, zo haast die Sterke zijn rijk begon te bestormen en te verstoren, zo haast begon hij ook zijn gewone traagheid af te schudden en de wapenen ter hand te nemen.

En eerst heeft hij de handen der mensen in beweging gebracht, om daardoor de opkomende waarheid gewelddadig te onderdrukken. En toen hij daardoor niet vorderde, heeft hij zich gewend tot listen en heeft door zijn wederdopers en ander boos gespuis twisten en onenigheden in de leer verwekt, om door dezelve de waarheid te verduisteren en eindelijk uit te blussen. En thans gaat hij nog voort in het bestrijden van dezelve met het aanwenden van die beide praktijken.

Want hij legt het er op toe om het zaad der waarheid met kracht en geweld van mensen uit te roeien, en door zijn onkruid (zoveel in hem is) te verstikken, opdat het niet opwasse en vrucht geve. Maar dit alles is echter tevergeefs, als vvdj de waarschuwing des Heeren ter harte nemen. Die ons zijn kunstgrepen lange tijd tevoren heeft bekend gemaakt, opdat hij ons niet onvoorziens mocht verrassen, en tevens ons tegen al zijn aanvallen met genoegzame wapenen heeft voorzien.

Welk een boosheid is het overigens, Gods Woord te beschuldigen van het hatelijke of van beroerten, die goddelozen en opstandelingen, of van sekten, die verleiders daartegen verwekken! Nochtans is dit voorbeeld niet nieuw. Tot Eüa werd de vraag gericht, of hij het was, die Israël beroerde. Christus Zelf werd door de Joden voor een oproermaker gehouden. De apostelen werd de misdaad, van het volk tot oproer te hebben aangezet, ten laste gelegd. Wat anders doen hedendaags zij, die ons de schuld opleggen van alle beroerten, opstanden en twdsten, die onder ons opborrelen?

Wat men echter dezulken te antwoorden hebbe, heeft ons Elia geleerd, te weten, dat niet wij het zijn, die óf de dwalingen verbreiden, óf de beroerten verwekken, maar zijzelf, die zich aankanten tegen de 'kracht van God. Doch gelijk dit enige genoegzaam is om hun veimetelheid te fnuiken, zo is het aan de andere zijde nodig de zwakheid van anderen tegemoet te komen, die door zodanige ergernissen niet zelden ontsteld en wankelmoe< iig worden gemaakt. Dezen moeten dan, om door deze ontsteltenis niet te bezwij. ken of ontmoedigd te worden, weten, dat de apostelen in hmi dagen hetzelfde ondei-vonden hebben, wat ons thans bejegent. Er waren toen onwetende en ongestadige mensen, die, gelijk Petrus zegt (2 Petr. 3 : 16), tot hun eigen verderf vervalsten hetgeen door Paulus door Goddelijke ingeving geschreven was.

Er waren ook verachters van God, die, wanneer zij hoorden dat de zonde was vermenigvuldigd opdat de genade te overvloediger zou worden, terstond daartegen inbrachten: ij zullen dan in de zenden blijven, opdat de genade des te overvloediger worde; die, wanneer zij hoorden dat de gelovigen niet zijn onder de wet, terstond daarop hernamen: o zuUen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet, maar onder de genade zijn (Kom. 6 : 1, 15).

Er waren er, die hem beschiildigden, dat hij leerde dat men kwaad mocht doen. Vele valse apostelen drongen zich in, die de gemeenten, die hij gesticht had, verwoestten. Sommigen predikten het Evangelie door nijdigheid en twist, en niet in oprechtheid, menende op een kwaadwillige wijze daardoor zijn banden te verz\varen (Füipp. 1 : 15). Elders had het Evangelie geen grote voortgang. Allen zochten het huime, en niet hetgeen van Jezus Christus was. Anderen keerden terug, gelijk de honden tot hun uitbraaksel, en de gewassen zeugen tot de wenteling in het slijk. Velen misbruikten de vrijheid des Geestes tot losbandigheid van het vlees. Velen gaven zich uit VOM broeders, van welke later de vromen niets hadden te wachten dan gevaren. Onder de broeders zelf ontstonden onderscheidene twisten.

Wat stond de apostelen hier te doen? Was het oorbaar voor die tijd te zwijgen, of bever dat Evangelie achterwege te laten of vaarwel te zeggen, dat zij zagen te zijn een kweekplaats van zo veb twisten, de brandstof van zo vele gevaren, de oorzaak van zo vele ergernissen? Maar te midden van zodanig© beknellende omstandigheden bedachten zij, dat Christus is een Steen des aanstoots en een Rots der ergernis, gesteld tot een val en een opstanding van velen, en tot een teken dat wedersproken zou worden (Lukas 2 : 34).

Met welk vertrouwen gewapend zij te midden van alle gevaren van beroerten en ergernissen vrijmoedig voortgingen. Met diezelfde gedachte moeten ook wij ons versterken, devsdjl Paulus getuigt (2 Cor. 2 : 16), dat dit de duurzame eigenschap des Evangehes is, dat het is een reuk des doods ten dode hun, die verloren gaan; hoewel het ons veeleer hiertoe bestemd was, dat het een reuk des levens ten leven, en .een kracht Gods tot zaligheid zou zijn degenen, die geloven. Hetgeen ook vwj met de daad zouden ondervinden, indien wij deze zo bijzondere weldaad Gods door onze ondankbaarheid niet verhinderden, en hetgeen ons het enig middel ter zaligheid behoorde te zijn, niet tot ons eigen verderf verkeerden.

Maar ik wend mij wederom tot u, o koning! Laat u toch geenszins bewegen die valse aanklachten, waardoor onze tegenpartijen u een schrik pogen aan te jagen, te weten, dat door dit nieuwe Evangelie — want zo noemen zij het — niets anders wordt beoogd en gezocht, dan de gelegenheid tot beroerten en de vrijheid tot allerlei wanbedrijven. Want onze God is geen Werkmeester van onenigheid, maar van vrede; en de Zoon van God is geen dienaar van de zonde, daar Hij §«• komen is om de werken des duivels te verbreken. En van zodanige bedoelingen worden wij ten onrechte beschuldigd, naardien wij nooit enige reden van vermoeden te dien opzichte gegeven hebjjen. Zouden wi] namelijk vi'el op omverwerping der rijken bedacht zijn, wij, van wie nimmer enig oproerig woord gehoord j5 en wier leven altijd, toen wij onder u leefden, als rustig en eenvoudig is bekend geweest; en die ook nu nog, uit onze woonplaats verdreven, niet ophouden te bidden om alle heü voor u en uw rijk?

Zouden wij de vrije teugel tot allerlei wandaden begeren, in wier zeden, schoon er veel in kan berispt worden, nochtans niets zal worden gevonden, dat zodanig verwijt verdient? Wij zijn ook door Gods genade in het Evangelie niet zo weinig gevorderd, dat ons leven voor zodanige lasteraars niet zou lamoen zijn een voorbeeld van kuisheid, vriendelijkheid, barmhartigheid, matigheid, lijdzaamheid, zedigheid en allerlei andere deugden. Het is waarlijk met de daad openbaar, dat wij God oprecht vrezen en dienen, dewijl wij zowel in ons leven als in onze dood Zijn Naam begeren te heüigen, en zelfs de nijd gedwongen is aan sommigen van ons het getuigenis te geven van hun onstraffelijkheid en bm"gerlijke oprechtheid, in vAe dit alleen met de dood gestraft werd, dat anders een bijzondere lof waardig was.

Indien er enigen zijn, die onder de dekmantel des Evangehes oproer aanrichten — hoedanigen tot nog toe in uw rijk niet zijn aangetroffen — indien er enigen zijn, die de ongebondenheid hunner wandaden met de dekmantel van de vrijheid der genade Gods bedekken — hoedanigen ik zeer velen ken — er bestaan tegen dezulken wetten en straffen, bij die wetten bepaald, met welke zij naai" verdiensten streng kunnen beteugeld worden. Dat men echter intussen het Evangelie Gods niet blamere om de boosheid der goddeloze mensen.

Gij hebt, o koning, met genoegzame woorden de venijnige onbillijkheid van hen, die ons lasteren, horen voorstellen, opdat gij door een al te hchtgelovig oor niet zoudt luisteren naar hetgeen zij aanbrengen. Ook vrees ik, dat ik in deze te veel woorden gebruikt heb, dewijl deze voorrede schier de uitgebreidheid ener verantwoording bereikt heeft, hoewel mijn voornemen niet was door dezelve een verdediging voor te stellen, maar alleen om uw gemoed, tot een welwillend horen van onze zaak, vooraf te vermurwen, hetgeen thans wel van ons afkerig en vervreemd, ja tegen ons verbitterd is; maar welks gunst wij vertrouwen wederom te kunnen verwerven, indien gij deze onze bekentenis, die wij wülen dat bij uwe majesteit de plaats onzer verdediging beslaan zal, eenmaal met kalmte en bedaardheid zult hebben gelezen.

Maar indien daarentegen de achterklap der kwaadwilligen uw oren zó bezet, dat de beschuldigden geen plaats wordt gelaten om voor zichzelf te spreken, en dat aan de andere zijde deze razende furiën onder uw oogluiking, immer met gevangenissen, geselingen, pijnbanken, folteringen en brandstapels blijven voortwoeden, zo zullen wij, als schapen die ter slachting geschikt zijn, tot het uiterste worden gedreven; nochtans zó, dat wij onze zielen in onze lijdzaamheid bezitten, en de sterke hand des Heeren verwachten zullen. Die zonder twijfel op Zijn tijd tegenwoordig zijn en wel toegerust verschijnen zal, zowel om de armen uit hun verdrukking te verlossen, als om wraak te oefenen over de verachters, die heden in zo grote zorgeloosheid van vreugde opspringen.

De Heere, de Koning der koningen, bevestige, zeer doofluchtige koning, uw troon door rechtvaardigheid, en uw zetel door billijkheid!

Johannes Calvijn

Bazel, 1 augustus 1536.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1959

De Banier | 8 Pagina's

Calvijn

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken