Bekijk het origineel

Uit het eigen land

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit het eigen land

5 minuten leestijd

Al valt er onder de gegeven omstandigheden op het politieke, staatkundige terrein niet veel nieuws te melden, toch is er nog wel iets, dat vermeldingswaard is. Het betreft een begroting voor het jaar i960, en wel de zwaarste, welke het grootste offer van de schatkist vordert, namelijk die van Defensie. Daarmede is nog immer een enorm bedrag gemoeid, en wel de som van maar eventjes ƒ 1696 miljoen.

Hoewel het ministerie het zonder een minister van Defensie moet stellen, heeft de ministerraad dit bedrag reeds vastgesteld en de begroting doorgezonden, zoals de wet dit vereist, naar het kollege van de Raad van State, dat over deze begroting nader advies zal uitbrengen en, indien het zulks gewenst acht, ook nog bepaalde wijzigingen kan voorstellen.

Het totale bedrag van de defensiebegroting 1960 gaat die van 1959 iets te boven, maar blijft toch nog aanmerkelijk beneden het bedrag, dat de voormalige minister Ir. C. Staf in een vergadering van de Eerste Kamer verklaard heeft, dat hij voor de defensie nodig achtte.

Was de begroting overeenkomstig de toenmalige zienswijze van de genoemde voormalige minister samengesteld, dan zou de begroting thans ongeveer ƒ 1800 miljoen hebben bedragen.

Met dat al is het nochtans een enorm bedrag, dat er voor de defensie uitgetrokken is. Dit bedrag blijft verdeeld over de land-en luchtmacht eensdeels, en over de zeemacht anderdeels, en is van die aard, dat de zeemacht geheel en al haar budgetaire zelfstandigheid behoudt, waarom haar het bedrag van ongeveer 360 miljoen gulden en aan de land-en luchtmacht omstreeks 1300 müjoen gulden is toegekend.

Ofschoon dit bedrag, dat er nu weer door het huidige ministerie voor onze defensie gevraagd wordt, ontegenzeggelijk zeer hoog is, zijn wij toch van gevoelen, dat het niet verantwoord is, waar de koude oorlog nog steeds onverzwakt voortwoedt, dat onze defensie verwaarloosd wordt, gelijk dat in vroegere jaren onder de druk van de Kamerleden der socialisten en vrijzinnig-demokraten maar al te zeer geschied is. Men denke in deze alleen maar aan de uitspraak van het socialistische Kamerlid de heer Schaper: „Voor de militie geen man en geen cent". Had er in vroegere jaren niet zulk een kolossale verwaarlozing van onze defensie plaats gevonden, dan zou deze niet zulke enorme uitgaven gevorderd hebben als er in de jaren na de beëindiging van de bezetting aan besteed hebben moeten worden. Een deugdelijke de­ fensie is toch voor ons land een noodzakelijke vereiste. Ook ons land heeft naar de mate zijner kracht voor een behoorlijke defensie zorg te dragen. Deze eis wordt ons in Gods Woord gesteld. Op deze eis zullen wij thans niet nader ingaan, dewijl wij dit op schriftuurlijke gronden meer dan eens gedaan hebben, al staat het op dezelfde gronden evenzeer vast, dat daarop het vertrouwen niet gesteld mag worden. Wat niet wegneemt, dat het ook een van God opgelegde plicht der overheid is om er naar te staan en geldmiddelen voor over te hebben, dat de defensie naar behoren is, opdat het door haar bestuurde volk niet ten prooi zal vallen aan de bezetting van een uitheemse vijand, noch aan de aanslag van inlandse oproermakers. Men moge daarover niet te licht denken, gelijk dat maar al te vaak het geval is, zowel ten aanzien van de bezetting van ons land door de Fransen in een vroegere eeuw, als ten aanzien van de Duitse bezetting in onze dagen.

Al zijn waj besliste voorstanders van een deugdelijke defensie en al keuren wij het allerminst af, dat daarvoor grote financiële offers gebracht worden, nochtans zijn wij er allerminst van overtuigd, dat er zulke grote offers gebracht behoefden te worden, indien er ook ten aanzien van onze defensie niet met geld gesmeten was geworden. Welke kapitalen zijn er toch bij de helmenkwestie en ook anderszins overboord gegooid! Hoe zijn er enorme bedragen uitgegeven, zonder dat onze defensie daarmede gediend werdr In het verleden is er van de zijde van de S.G.P. in de Kamer ook bij voortduring tegen geprotesteerd en op de betrachting van een goede besteding der toegestane gelden aangedrongen. Daajbij bekruipt ons de vrees, dat de gelden nog niet zo besteed worden als zij behoorden besteed te zijn, waarop in de toekomst bij leven en welzijn stellig weder van even tevoren genoemde zijde aangedrongen zal worden, zo dikwerf als zich daarvoor een goede gelegenheid voordoet. De uitgaven voor onze weermacht zSjn toch ontzaggelijk hoog en moeten tenslotte maar door de belastingbetalers worden opgebracht, die er dan ook een zeker recht op kunnen laten gelden, dat zij op de juiste wijze besteed zullen worden, en voor wie het bij de zo zware belastingen een hoogst welkome verlichting zou zijn, indien de uitgaven des rijks in het algemeen en ook die van onze defensie verlaagd zouden worden. Hierbij komt nog, dat de ten onzent zo langdurige militaire dienstplicht ook zulke zware offers van menige landgenoot vraagt. En waar deze in andere landen 2» aanmerkelijk korter is, daar is ook door de Kamerleden der S.G.P. bij de regering bepleit, dat deze ook in ons land verkort zal worden. Wij zijn er ten volle van overtuigd, dat dit ook zeer zeker mogelijk zou zijn, zonder dat de paraatheid van onze weermacht daardoor geschaad wordt. Er wordt toch heel wat tijd bij het vervullen van de müitaire

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1959

De Banier | 8 Pagina's

Uit het eigen land

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken