Bekijk het origineel

Davids vertrouwen en uitzien onder de verstrooiing van de Kerk Gods

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Davids vertrouwen en uitzien onder de verstrooiing van de Kerk Gods

8 minuten leestijd

of:

Het sterkste wapen in de geestelijke strijd

Doch op U zijn mijn ogen, Heere, Heere! op U betrouw ik; ontbloot mijn ziel niet.

Psalm 141 : 8

De toestand iwaarin David, de man naar Gods hart, verkeerde in deze psa: lm, was, saar de mens gesproken, hopeloos.

Onder zwaar lijden en verdrukking bescliuldigden 'hem zijn vijanden en sloegen hem met hun lastertongen, of zodhten aan zijn mond verkeerde woorden te onüdkken ten hem tot de gemeenschap aan hun goddeloze handelingen, tot him ongereohtige werken te verleiden. Het gevaar voor David was nu nog groter en dreigender dan toen zijn vijanden, als in Psalm 140, hem met geweld belaagden en tegenstonden.

Ja, wanneer de vijand onzer ziel zijn doel niet bereiken kan met geweld, dan probeert hij het met list.

Hij laat geen middel onbeproefd. Op allerlei wijze zoekt satan Gods volk af te trekken en als een prooi naee te voeren. Er zijn tijden voor Gods kinderen, dan worden zij gewaar, dat satan omgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij Eou mogen verslinden. Hij zoekt de val en de ondergang van Gods volk. Satan is met een bittere vijandschap tegen hen vervuld en stelt al het mogelijke in het werk om hen te verderven.

Ja, uitwendig was het voor David alles hopeloos. Het vöBc lag verstrooid als beenderen aan de mond des grafs. Het was zó ver weg, dat 't scheen nooit meer bij elkander te komen. Maar in die ibange strijd dacht de Heere nog aan Zijn kind. God heeft Zijn volk liefgehad met een eeuwige liefde.

Zijn beloften, aian Zijn volk gedaan, zulten niet feilen.

Vooral in de diepten en in de engten wordt Gods volk het wel .gewaar: zo die (Kerbare Middelaar niet over hen waakte bij dag en bij naöht, maar hen ook niet Ondersteunde, dan was er geen hoop of Terwachting. Dooh Hij is hun nabij in al ïiun tegenspoeden. Hij blijft voor hen eeniwig Dezelfde ia trouw, Hefde en macht. iDie getrouwe Verbondsjehova EÏet hen steeds aan in Christus en wekt hen ook op door Zijn Geest om. zich als ellendigen in 'Zichzelf op Ohristu's te verfeten.

Hoe ver in hom waarneming de afstand dan ook is tussen God en him ziel, zij •worden toöh steeds tot Hem getrokken. Dat blijkt zo duidelijk uit onze tekst.

In onze diepe val in Adam zijn vdj het oeeld Gods verloren, en alzo oök de ware kermis Gods.

In de wedergeboorte opent God de Hei­ lige Geest de blinde 'zielsogen van Zijn voDc. Zij wordten geopend om God in Zijn heiligheid en lechitvaardigheid te zien, maar ook zichzelf in hun straf-en vloekwaardigheid. Zij zien) de grootheid van hun kwaad, dat zij Go-ds deugden hebben geschonden, Gods wetten overtreden en zichzelf buiten de gemeenschap Gods hebben gezondigd.

O, wat een smart, wat een droefheid verwekt dat in hun hart. Van hun zijde is het kwijt en verloren. God kan van Zijn recht geen afstand doen.

Maar hun' ogen worden ook geopend uan, te zien, dat God in Qhristus genadig en barmhartig is, lankmoedig en van grote goedertierenheid over allsn, die Hem aanroepen in waarheid.

Wat een grote weldaad is het, om, al is het met een gebroken oog, te mogen zien op die' verhoogde koperen slang, op die gezegende Christus, Die veithoogd is op het kruis van Golgotha, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven heibbe. Wat een voorrecht om op dat Lam Gods te mogen zien, dat de zonde der wereld wegneemt. Dat voorreöht wordt alleen geschonken aan dat volk, dat zaligmakend door Gods Cïeest is overtuigd en ontdekt. Er zijn wel mensen, die over Christus spreken, doch zonder de openbaring van de heme] is het maar een besdhouwing van het verstand' en dat raakt het hart niet. Dat is ook niet tot zaligheid. Bij Gods kinderen is het anders. Het is een Goddelijke openbaring in hun hart.

En dat geeft een folijdsdhap in de ziel, die de wereld niet kent.

De waarachtige bekering is een afsterving van de oude mens en een opstanding van d© nieuwe mens, maar het is ook een voortgaande en doorga'ande verlichting des Heiligen Geestes.

De belofte 'ligt er, dat zij zullen toenemen als mestk; alveren, en wat is het groot wanneer de Heere Jezius de Naam des Vaders openbaart in ons hart. Wanneer wij God leren kennen op een zaüigmakenide wijize in Zijn Wezen en Personen, eigenschappen, werken en eer.

Die openbaring moet ons van de hemel geschonken worden. God openbaarde Zich aan Mozes en aan Zijn volk Israël in het brandende braam'bos als de Ik Zal Zijn Die IK Zijn Zal. Aan Mozes en aan het in Eg> 'pte 'ZO zwaar verdrukte volk maakte 'de Heere Zelf de diepe zin van Zijn Naam Jdhova ibekend, toen hef scheen alsof de Heere veranderd was en niet meer gedacht aan Zijn verbond, dat Hij gemaakt had met Abraham, Izak^en Jafajib.

Jehova is Gods allergrootste Naam. De pleit'grond voor hen, die in sdchzeJf niet anders dan ontrouw bevinden. O, wat een sterkte ligt er voor 'het geloof in diie Naam, en welk een ruimte wordt daarin geopend' voor Gods aiune volk, dat alle steunsel en leunsel buiten God verliest en verloren heeft.

Opmerkelijk is het, dat in onze tekst tweemaal de Naam Heere^ Heere genoemd wordt. Eerst de Naam Jehova, de Verbondsnaam, en dan de Naam „Adonai", d'.w.z. „B-ezatter". In die Naam openbaart God Zijn volkomen heerschappij over alle schepselen tot ondea-houding van alles in de wereld en dn bet bijzonder in Zijn. kerk. Hij is toch de Bezitter niet alleen van al wat Hij geschapen heeft, maar in het bijzonder van Zijn volk, dot Hij Zich veirkoren heeft en in Chrisitus tot Zijn eigendom gemaakt heeft.

Hij vermag Zijn uitverkoirenen te 'vei'-Jossen uit alle nood, en zal het 'doen gelijk Hij beloofd 'heefit. Hij bezit een onbeperkt vermogen, dat Hij openbaart , n bevestigt tO't verlossing der Zijnen. Hij zal de ziel Zijner torteikkiif niet overgeven' aan het geweld der hel. Neeni, Hij zal Zijn ahnacht tonen, de vijanden beschamen en Ziijn kerk (bevrijden. Hij is met 'hoogheid bekleed, en zal ter oorzake van de eex Zijns Naams voortdurend Zijn eigendom beschermen; en inzonderheid wanneer zij verkeert in het grootst gevaar.

Wat is het dan toch een onuitsprekelijke weldaad om Go'd te leren keninen dn het aangezicht van die Heere Jezus Christus. In die kennis Hgt het eeuwige leven. Maar wat is 'het ook groot om 'door het geloof gebruik van 'die God te mogen maken. En dat mocht David hier doen in onze tekst

Zijn zielsogen waren op die Go'd gericht. Van Hem alleen verwachtte hij zijn heil. Tot Hem zag hij op om uitkomst en redding.

Neen, zo was het niet altijd in het leven van David'. Hij had ook andere tijderv gekend. Zeker, dat 'gelovig zien op God is nooit geheel en al weg uit de ziel van Gods kinderen, maar hun O'gen kunnen zo verdonkerd zijn door ongeloof en twijfel^ dat het is: waarom zal ik nog langer op de Heere wachten? Nu vras het bij de man naar Gods hait anders. , , Doch op U zijn mijn O'gen, Heei-e, Heere, op U beti^ouw ik". Het waren, gehjk wij reeds opmerkten, .bedroefde tijden eni omstandigheden waarin liij met de kerk Gods verkeerde. Van hun zijde was alle hoop en verwachting tot herstelling afgesneden. Wij kunnen onszelf wel afkeren, maar nooit meer terugkeren. Wij .kunnen onszelf wel in de ellende brengen, maar het is onm'Ogelijk om onszelf er uit te brengen.

En zelfs na ontvangen 'genlade, dan doen wij niet anders dan het maar verwachten van heuvelen en van ibergen. O, wat kan een mens al niet ondernemen in eigen kracht om zichzelf te herstellen en oon de kerk te reformeren.

Doch het blij'kt, dat het maar is een nieuw stuk zetten op een oud Meed'. In. elke weg moet de mens maar aan het eind met zichzelf, 'met al zijn bedoelingen, met al zijn werk gebracht worden, afgesneden en er uit .gezet vrorden om bij God terecht te komen. En dat voorrecht was David ten deel gevallen. Wat een grote genlade.

Het wordt in ons leven wei openbaar, dat dat alleen Gods eigen werk is. Al zijn onze cgen door God geopend; al hebben wij tot onze blijdschap en zaligheid iets van God mogen leren kennen), toch moet Hijzelf ons verwaajrdigcn door Zijn Geest om onze ogen al'leen op Hem te slaan.

De .tollenaar achter in de tempel durfide zijn ogen niet opheffen, vanwege de schaamte over. zijn zonden, en zo is dat toch bij elke ziel, die iets .beleeft van de verwoesting der zonde.

Een arme zondaar durft zijn ogen! niet opheffen tot de Heere, wanneer hij gevoelt de vloek van Gods heilige wet, en gebukt gaat onder het gevoel van Gods toorn en gramschap. O, die toom Gods verteert zijn leven, en hij gevoelt zijn diepe onwaardigheid tegenover dat vlekkeloos rein en heili.g Wezen, Die 'geen gemeenschap met de zonde kan 'hebben, maar ze haat eri, straft.

Toch niet anders dan veroordeling kan zijn ziel vervullen voor die hoge majesteit Gods. Zij zijn toch zelf de oorzaak van al die verstrooiin, g en verdeeldheid. En de minste overtreding neemt toch de vlakte en de vrijmo'edd'gheid tus'sen God en onze zael weg. Neen, daar is geen sprake van een toenadering tot God, tenzij het bloed van het Lam onze schuld verzoent, en dat door Christus de weg effen, en vlalc gemaakt woidt.

Gr. Rapidis (U.S.A.) Ds. W. C. Lamaia

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1959

De Banier | 8 Pagina's

Davids vertrouwen en uitzien onder de verstrooiing van de Kerk Gods

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken