Bekijk het origineel

Dr. Tilanus’ opvatting over een noodzakelijke wijziging van ons kiesstelsel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dr. Tilanus’ opvatting over een noodzakelijke wijziging van ons kiesstelsel

20 minuten leestijd

„Bij de algemene beschouwing van verleden jaar heb ik aandacht geschonken aan het rapport van de kommissie-Donner over een wijziging van ons kiesstelsel. Ik zal niet herhalen hetgeen ik toen gezegd heb. Men kan het vinden in de Handehngen van 30 september 1958, blz. 65. Ik ben het in het algemeen met de negatieve konklusies van het rapport eens, namelijk dat in de grote lijnen ons kiesstelsel geen wijziging behoeft. Maar ik heb bij die gelegenheid wel bepleit de mogelijkheid om enige malen de kiesdelea: te eisen alvorens tot de Kamer te worden toegelaten, vooral nu de kiesdeler door de Kamei'uitbreiding na 1956 kleiner is geworden. Wij hebben een volstrekt mathematisch zuiver werkende evenredigheid. Maar de politieke evenredigheid behoeft niet dezelfde te zijn als de volstrekt mathematische evenredigheid. Wanneer ik dit bepleit, doe ik dat niet om enkelingen of kleine partijen te weren uit gebrek aan demokratisch sentiment, maar in het be­ lang van het werk van onze Kamer, dat niet gediend wordt door sphnterpartijen. Ik hoop, dat in het bijzonder de minister van Binnenlandse Zaken een eventuele wijziging van de Kieswet in zijn gedachten zal willen betrekken, nu wij daarvoor nog de tijd heb'ben. Vlak voor de verkiezingen is dit dikwerf bezwaarlijker."

Aldus sprak Dr. Tilanus in zijn rede van 29 september jongstleden.

De - wijziging van de Kieswet ligt Dr. Tilanus zeer na aan het hart. Het vorige jaar toch bracht hij deze aangelegenheid bij de behandeling van de algemene politieke beschouwingen ter sprake.

Toen kwam echter nog al duidelijker aan de dag wat hij met deze wijziging eigenlijk voor had, waar hij toen met een voorstel kwam aandragen om in de kieswet een bepaling te brengen, waardoor het partijen, die bij de verkiezingen van de Tweed© Kamer niet minstens vijf zetels behalen, onmogelijk zou gemaakt worden in de Tweede 'Kamer een afgevaardigde te krijgen.

Dr. Tilanus herinnerde toen aan ihet voorstel, dat destijds door de Anti-Revolutionaire minister de Wilde bij de Kamer was ingediend en waarvan hij meende dat daanbij ook de eis van het halen van vijf zetels gesteld was.

Hierbij vergiste Dr. Tilanus zidh echter deerlijk. Minister de Wilde stelde niet als eis het behalen van vijf, maar van diie zetels, wat toentertijd voldoende was om de afgevaardigden van de S.G.P. uit de Kamer te wersn; wat bij Dr. Tilanus ook onder meer kennelijk de 'bedoeling is, waar hij het vorige jaar nul op 'het rekwest kreeg, nu al weer de wijziging van de Kieswet te berde gebracht heeft.

Het laat zich heel gema'kkelijk begrijpen, dat ook hier weer door Dr. Tüaous naar voren werd gebracht, dat de kleine partijen een belemmering vormen voor het parlementaii-e werk. Dit is door degenen, die de kleine partijen per sé uit de Kamer willen verbannen, steeds als argument voor de wijziging van de Kieswet aangevoerd. Doch geheel ten onrechte. Veeleer zijn het de grote partijen, welke het parlementaire werk belemmeren, c-!oordat het gedurig voorkomt, dat waar hun een veel grotere spreektijd wordt toegekend dan de kleine, 'hun sprekers nog eens in hun redevoeringen gaan repeteren wat reeds door hun eerste spreker is gezegd; wat de kleine partijen, indien zij dit ook wilden doen, niet zouden kunnen doen, dewijl de hun toegekende .spreektijd dit ten enenmale onmogelijk maakt. Het is dan ook niet dan een kunstig bedacht fabeltje, 'hetwelk Dr. Tilanus nu weer opnieuw aangegrepen heeft om de kleine partijen uit de Kamer te bannen. Het is zeer wel te verstaan, dat Dr. Tilanus onder meer de S.G.P.-afgevaardigden gaaiTie uit het parlement zag verdwijnen, want dezen zeggen in de hun kort toegemeten tijd dingen en waarheden, die hem allerminst welgevallig zijn, en daarom moet hun stem aldaar gesmoord worden.

Zo wordt er niet alleen door de S.G.P. oo'er geoordeeld, maar ook door tal van niet-S.G.P.-ers, zelfs door personen, die van de beginselen van de S.G.P. niets moeten hebben. Zo werd deze aangelegenheid ook bekeken door een verslaggever van de werkzaamheden van de Tweede Kamer, die jarenlang de vergaderingen van deze Kamer van zeer nabij ihad gevolgd. Zo oordeelde de heer Hans, destijds de zeer bekwame parlementaire verslaggever van een Haags blad, in het nummer ivan dit blad van 13 augustus 1934, waarin hij het navolgende sdhreef:

, , Wij zouden het — om slechts een voorbeeld te noemen — schromelijk onreöht vinden om op grond van de nieuwe bepaling de groep S.G.P. uit het parlement te stoten. Wij staan tegen deze fraktie rechtdraads over; wij moeten van haar politiek niets hebben; slechts bekrompenheid echter kan ontkennen, dat zij de zienswijze, het principe van een grote en bij opeenvolgende verkiezingen gegroeide volksgroep vertegenwoordigt. Dat de aanwezigheid van deze fraktie in strijd zou zijn met het parlementarisme, of dit in zijn funktie zou belemmeren, is een volstrekte onjuistheid, en het is ten enenmale ongepast om door een 'bepaling, die volgens ons een pure machtsdaad 'ZOU zijn, haar (geoordeeld naar haar positie van het ogenblik) verder uit te sluiten. De evenredigheid geldt juist om ook minderheden principieel tot hun recht te doen komen".

Wij hebben 'hier dan weergegeven het getuigenis van een uiterst bekwaam 'beoordelaar van de parlementaire werkzaambeden, welke hij jarenlang 'als verslaggever van zijn blad van zeer nabij heeft waargenomen. Hoewel hij verklaart: „Wij staan tegen deze fraktie (de S.G.P.) rechtdraads over; wij moeten van haar politiek niets hebben", verklaart hij vervolgens: „Dat de aanwesag'heid van deze fraktie in strijd zou zijn met het parlementarisme, of dit in zijn funktie zou belemmeren, is een volstrekte onjuistheid; en het is ten enenmale ongepast om door een 'bepaling, die volgens ons een pure machtsdaad zou zijn, haar verder uit te sluiten. De evenredigheid geldt juist om ook minderheden principieel tot hun recht te doen komen".

Zeer terecht heeft de heer Hans het ten enenmale ongepast genoem'd om door een bepaling, die volgens hem een pure machtsdaad zou zijn, de S.G.P. verder uit te sluiten. Het is inderdaad niets anders dan een pure machtsdaad, dan een ergerlijk machtsmisbruik van de grote partijen, wanneer 2aj in de Kieswet zulk eon bepaling aanbrachten, waardoor kleine partijen de toegang tot het parlement onmogelijk gemaakt werd. Dit zou alles weg hebben van een maatregel van een tyran, die van zijn macht misbruik maakt om een ieder, die bet met zijn regeringsbeleid niet eens is, de mond te snoeren. Nochtans wil Dr. Tilanus deze pure machtsdaad in praktijk gebraöht hebben. Hij is op de toepassing daarvan zo belust, dat hij in zijn replieJ'irede nog eens weer op de wijziging van de Kieswet terugkwam. Hij zeide daarin:

„Ik ben 'de geachte afgevaardigde de heer Burger dankbaar, dat hij mij is bijgevallen in mijn betoog over de wenselijkheid van een eventuele wijziging van de kieswet in verband met de verlaging van de kiesdeler en het tegengaan van een te grote verbrokkeling van ons politieke leven en de daaruit voortvloeiende benadeUng van ons parlementaire werk. Ik heb hierover — misschien is het mij ontgaan — van de minister-president niets ge-'hoord. Na hetgeen ik hierover het vorige jaar heb opgemerkt en hetgeen ik ook dit jaar daaraan heb toegevoegd, zou ik 'het zeer op prijs stellen, indien deze zaak niet aan de aandaöht van de minister van Binnenlandse Zaken zou ontgaan en indien hij zou willen overwegen, of er in verband met de verlaging van de kiesdeler en de politieke gevolgen daarvan niet enige wijziging in onze Kieswet moet worden aangebracht".

Dr. Tilanus bekwam van de m'inisterpresident inzake wat hij in zijn rede en repliekrede had gezegd het navolgende antwoord:

„De geachte afgevaardigde de heer Tilanus heeft bij herhahng geïnformeerd naar de plannen van de regering ten aanzien van de kiesdeler. Naar ik meen te weten, is de vraag in kwestie door 'de ambtsvoorganger van de minister van Binnenlandse Zaken voorgelegd aan de Kiesraad om advies. Mocht dit niet zijn geschied, dan is de 'betrokken minister bereid dit advies alsnog in te vionnen".

Het stemt ons tot voldoening, dat Dr. Tilanus van de minister-president geen direkte toezegging heeft kunnen bekomen, ofschoon hij daar tot twee malen toe voor gepleit heeft, dat er een wijziging in de Kieswet zal worden aangebracht. Dit zal op zichzelf geen kleine teleurstelling voor hem geweest zijn, gelijk het voor ons een reden van blijdschap was. Desniettemin zien wij met belangstelling het verdere verloop van deze kwestie te'gemoet. Het heeft bij ons wel enige verwondering verweilct, dat Mr. Burger, die bij voortduTing als een kampvechter voor demokratie optreedt, evenals Dr. Tilanus dat ook al doet, Dr. Tilanus in zijn pleidooi is bijgevallen, terwijl toch in deze de demokratie met voeten getreden werd en feitelijk niet anders dan een tyrannieke maatregel werd aanbevolen.

Ds. Zandt is op het pleidooi voor wijziging van de Kieswet niet ingegaan. Eensdeels omdat hem daarvoor de tijd ten enenmale ontbrak om daar grondig het zijne van te zeggen, anderdeels omdat de wijziging van de Kieswet, in de zin als de heren Tilanus en Burger zulks wensen, door de afgevaardigden van de S.G.P. reeds meermalen 'bestreden is, en wanneer de huidige regering soms met een wetsvoorstel in de geest als de heren Tilanus en Burger wensen, mocht komen, er betere gelegenheid zal zijn om dit voorstel te bestrijden, dewijl zij dan daarvoor over meer tijd dan bij de repliekrede zullen kunnen 'beschikken. Ook bestaat er de mogelijkheid, dat deze kwestie .straks 'bij de behandeling van Binnenlandse Zaken weder ter sprake gebracht zal worden; dan is de fraktie der S.G.P. voornemens daarover 'het hare te zeggen.

Die S.G.P. toch

Men was destijds het er vrijwel algemeen over eens, dat toen Mr. de Wilde als minister van Binnenlandse Zaken een wetsvoorstel heeft ingediend, waarbij bepaald was, dat niemand op een kandidatenlijst tot lid van de Tweede Kamer gekozen verklaard kon worden, tenzij er op die hjst drie personen tot leden van de Tweede Kamer gekozen zouden zijn, dat dit wetsvooi'stel met bij'bedoelingen was veivaardigd en ingediend.

Het getal drie was toch een geheel •willekeurig gekozen getal, waarbij de vraag met recht gesteld kon worden, waarom niet twee, - vier of vijf of nog hoger getal gesteld was, maar juist drie. Het antwoord, dat 'zeer velen op die vraag gaven, luidde: „'Omdat de S.G.P. het toentertijd niet tot de verkiezing van drie Kamerleden kon brengen". Zij zeiden, dat de minister van A.R. huize met opzet het getal drie gekozen had, omdat de A.R.P. dan van de voor haar zo lastige en onaangename vertegenwoordiging van de S.G.P. in de Kamer af was. Het wetsvoorstel van Mr. de Wilde druiste regelrecht tegen het evenredige kiesstelsel in, maar dat hinderde de minister en de voorstanders van zijn wetsvoorstel niet. Het wetsvoorstel was van welke kant ook bezien, een infaam wetsvoorstel, maar dat deerde hem blijkbaar niet, als het doel maar 'bereikt werd. Dit werd echter niet 'bereikt, want het wetsvoorstel werd verworpen.

Met de suggestie, waarmede Dr. Tilanus het vorige jaar in zijn rede kwam aandragen, namelijk dat er op een kandidatenlijst vijf gekozen zouden moeten worden, alvorens er één van die kandidaten van die lij.st als lid tot de Tweede Kamer zou kunnen worden toegelaten, komen eveneens bijbedoelingen naar voren. Zeer velen zijn het er over eens, dat het hierbij onder meer ook vast en zeker ging om de S.G.P. uit de Kamer te weren. De S.G.P. is tallozen in den lande, onder meer ook vele Ohristelijk-Historischen, een doom in het vlees. Zij zien haar vertegenwoordiging liever vandaag dan morgen uit de Tweede Kamer verdwijnen. Haar getuigenis mag door ons volk van uit de Kamer niet langer gehoord worden. Allerlei illusies en droomvoorstellingen over gewaand volksgduk mogen vrijelijk vanaf de tribune van de Tweede Kamer verkondigd worden, doch de stem der waarheid willen velen daar gesmoord hebben. Dat ons voDc steeds verder wegzinkt in aanbidding van het stof, van stoffelijke 'belangen en stoffelijke, wereldse genoegens, dat hindert tallozen in den lande niet. De verheerlijking daarvan en de aanbevelingen daartoe horen zij tot hun eigen verderf en ondergang wel gaarne, juichen zij zelfs toe. Dat ons volk de heidenen daarin gelijk wordt, dat het in panem et ciroenses, brood en spelen, zoals dat bij het Romeinse heidendom het geval was, hoe langer hoe meer opgaat, dat verontrust een zeer groot getal Nederlanders niet, neen, dat strekt him zelfs tot niet geringe vreugde. Dat zo velen van ons volk daarhenen leven zonder God en zonder Christus, vervreemd van het leven Gods, wat toch inderdaad wel het ergste is wat eens mens overkomen kan, daarover bekommert onze verdwaasde tijdgeest zich niet; helaas zelfs in het minst niet.

Daarover laten de bewonderaars van onze tijdgeest geen traan vallen. Integendeel, zij 'bewonderen en prijzen dit als een gevolg van de toenemende verlichting en beschaving.

Doch de S.G.P.-fraktie willen velen uit het parlement gebannen zien. Wat is er in de loop van haar bestaan al tegen haar opgeraapt en aangevoerd, tot in het schandelijke toe, als van haar gezegd werd, dat zij erger is dan de kommunistische partij. Ook is van haar het getuigenis gegeven, en dit om haar maar bij een groot deel van cns volk verachtelijk te maken, dat zij driehonderd jaar te Iaat ontstaan is en de stem van de Dordtse synode is. Hoe vaak is zij vooral in de eerste tijd van haar bestaan do'or de protestants christelijke partijen afgesdhilderd

als een scheurpartij

die niet anders deed dan verdeeldheid en scheuring brengen! In hoevele redevoeringen en in artikelen in de pers is met bijzondere nadruk tegen haar en de aansluiting bij haar gewaai'schuwd, als ware zij een giftige plant, welke hoe eerder hoe beter diende uitgerukt te worden en van de aardbodem te verdwijnen! Hoe vaak is zij al als een scheurpartij dood gewenst en dood verklaard! Een scheurpartij, dat is de S.G.P. allerminst. Tegenover het verwaterde christendom, dat ook in de staatkunde zo verwaterde, dat het een koalitie aanging met de Rooms-Katholieke Staatspartij, met Rome, waarvan Dr. Kuyper eenmaal schreef, dat het van de ure van onze landsgeboorte af een erfvijandin van de Reformatie was. Deze verwatering, deze verflauwing der grenzen, waartegen Dr. Kuyper ook zeer ernstig gewaarschuwd heeft, heeft zich voortgezet in die mate zelfs, dat de A.R.P. en de C.H.U. het goedgekeurd hebben, dat er van hun partijen elk twee ministers zitting namen in het rooms-rode kabinet met de socialist Dr. Drees als minister-president, terwijl er ook thans twee ministers van hun partijen zitting hebben in het huidige kabinet, gezamenlijk met liberalen en rooms-katholieken. Waarlijk, de S.G.P. is niet uit scheuringszucht, maar uit nood, zelfs uit harde noodzaak opgericht. Zij heeft het aloude staatkundige program van onze gereformeerde voorouders, dat der Reformatie, aanvaard en neemt daardoor een eigen positie en standpunt in, gdheel onderscheiden van die van al de andere bestaande partijen in het parlement. Van scheurmakers gesproken, kan er dan ook met veel meer reoht van de A.R.P. en de C.H.U. gezegd worden, dat deze partijen scheurmakers zijn, want zij hebben zich afgescheurd van het program der vaderen, zoals dat in het onverminkte artikel 36 der Nederlandse Geloofsbelijdenis ons gegeven is.

Dat inderdaad de S.G.P. dit onverminkte ai-tikel als haar program volgt en handhaaft, kwam reeds heel spoedig tot uiting, zelfs in de jaren toen Ds. Kersten nog alleen als vertegeniwoordiger van de S.G.P. in de Tweede Kamer zitting had, en wel in 'n debat, waarin deze overeen-'komstig genoemd artikel zich er tegen verzette, dat het deïsme, pantheïsme en atheïsme in ons land vrijelijk gepropa geerd modhten en konden worden, zoaJs de woordvoerders van de A.R.P. en de C.H.U. dat wilden en voorstonden, verklarende, dat aan dit hoge goed der vrijheid niet mocht getornd worden.

Trourwens, zowel Mr. Heemskerk als 'Dr. Colijn hebben beiden verklaard, dat de S.G.P. geen scheurpartij is, zodat van lieverlede zijn weggestorven de verwijten en beschuldigingen, aan het adres van de S.G.P. gericht, dat zij een scheurpartij was, die niets anders deed dan scheuring, verdeeldheid en splitsing brengen. Het is iwel mogelijk, dat hier en daar nog wel iets in die geest beweei'd wordt, maar de vooraanstaande leiders en woordvoerders van de A.R.P. en van de C.H.U. hoort men niet meer zeggen, altlians voor zover mij bekend is, dat de S.G.P. een scihem"partij is.

Ook is zeer lange tijd tegen de S.G.P. aangevoerd de beschuldiging, dat zij

louter negatief is

Dat het optreden van de S.G.P. louter negatief en daarom destruktief is, is een beschuldiging, waarmede de A.R.P. en de C.H.U. gedurig de S.G.P. te lijf zijn gegaan. Doch deze besdhuldiging is ook niet steekhoudend.

Kort geleden nog heeft het Tweede-Kamerlid de heer Smallenbroek d^e beschuldiging nog eens geuit in een Kamerdebat, waarop Ds. Zandt hem zeer terecht en naar wajarbeid heeft kunnen antwoorden:

„dat hoewel liij ons ten laste gelegd heeft, dat ons optreden negatief en destruktief is, ons optreden dit niet is. Wij komen op voor de beginselen der Reformatie, en dit is niet negatief. Het is wel negatief, als men in strijd met de beginselen der Reformatie handelt, bijvoorbeeld wanneer de Anti^Revolutionairen, zoals zij steeds doen, hun stem vóór het gezantschap bij de paus uitbrengen, iets wat Galvijn en Luther zeker nooit gedaan zouden hebben. Als de Anti-Revolutionairen en Qhristelijk-Historischen leden van hun partij in een rooms-rood kabinet zitting laten nemen, wordt dit ook in brede kringen van onze bevolking, zelfs d< x)r tal van Anti-Revolutionairen en Christelijk-Histori'Schen, als negatief en destruktief beschouwd, en dit zeer terecht".

Het zijn dan ook niet anders dan loos bedachte beweringen, dat de S.G.P. negatief en destruktief is, welke meermalen alleen geuit worden om de kiezers bij de stemibus van het stemmen op een kandidaat der S.G.P. af te houden.

Dat de S.G.P. niet negatief en destruktief is, behoeft feitelijk geen nader betoog. Zij wenst het regeringsbeleid toch overeenkomstig Gods Woord uitgeoefend te zien. En dit Woord is noch negatief, noch destruktief. Het is daarentegen uiterst positief in al zijn uitspraken, (zowel in zijn beloften als in zijn bedreigingen. Nog nooit is iemand in heel de geschiedenis der eeuwen bedrogen uitgekomen, die zijn handelingen en leven daarnaar ingesteld heeft, terwijl aUen, die dit niet gedaan hebben of doen, de verwoesting, zoals de Heüige Sdhrift dit uitdrukt, de dood liefhebben en in een eeuwige verwoesting en ellende zich zullen storten.

Ook hoort men af en toe zeggen, dut de S.G.P. en haar Kamerleden overal tegen zijn, wat dan ook al dient om haar zwart en de mensen van haar afkerig te maken. In werkelijkheid is het zo gesteld, dat de S.G.P. in alles, ook bij de stemmingen in het parlement tegen is en tegen stemt wat Goids Woord ons verbiedt en wat niet naar den Woorde Gods is, en vóór alles is en stemt, wat dit Woord ons gebiedt en wat naar den Woorde Gods en Zijn wet is. Daar kan men toch niet op tegen hebben als men ook nog maar enige eerbied voor Gods Woord, de Bijbel, heeft.

Al niet minder wordt er in de dagen der verkiezingen en anders ook wel druk gewerkt met de bewering, welke ook al loos bedacht is en geen steek houdt, dat de S.G.P. in het parlement als een kleine partij niets kan uitrichten. Zij richt daarin terdege wel wat uit, veel, het allervoomiaamste zelfs uit, als zij bij de regering bepleit, dat zij verplicht is om haar regeringsbeleid als dienares Gods naar Gods Woord en wet te richten en daarin ook zeH beeft voor te gaan, en als zij daarbij tevens bepleit, dat de regering ons volk terug zal roepen tot verootmoediging voor des Heeren aangezicht en tot het verlaten van de paden der zonde.

Wie in heel het parlement doet zulks, behalve de afgevaardigden der S.G.P.?

En daarom is het hoogst gewenst, dat de S.G.P. haar vertegenwoordiging in het parlement behoudt, wat, zo dit niet geschiedt, niet alleen hoogst onrechtvaar­ dig zou zijn, maar ook zeer te betreuren zou zijn, want haar afgevaardigden Zijn verwaardigd geworden om gedurig bij aangelegenheden betreffende Gods wet, om er maar één te noemen, de rust op en de heiliging van de dag des Heeren, voor een strikte naleving van die wet zijn opgekomen, waarbij zij geheel alleen stonden en een geiheel andere houding hebben aangenomen dan de andere leden van het parlement.

Nu heeft Dr. Tilanus weer wat nieuws bedacht, waar hij bepleit heeft de Kieswet te wijzigen, en dit in het belang van het werk der Kamer, dat niet gediend wordt door

splinterpartijen

Wanneer, zoals Dr. Tilanus ten vorigen jare bepleit heeft, de Kieswet in die zin gewijzigd wordt, dat er op een kandidatenlijst vijf kandidaten gekozen moeten worden, aleer één van die kandidaten, en dan ook begrijpelijk alle vijf, als lid tot de Kamer toegelaten kan worden, dan wordt daarmede, naar de mens gesproken, de vertegenwoordiging van de S.G.P. in de Tweede Kamer onmogelijk gemaakt.

Dit zou in alle opzichten oniedeHjk en onrechtvaardig zijn, alsook in flagrante strijd met de demokratie en de evenredige vertegenwoordiging, en ook mede daarom, dewijl de S.G.P. niet uit versplintering, niet uit zucht tot versplintering, maar uit beginselen is voortgekomen. Als het er op aankomt, is de benaming van splinteilpartijen toepasselijk op de G.H.U. en de A.R.P. Ik erken dat er geschillen tussen deze partijen be staan, maar die zijn toch niet van die aard, dat daarom de vereniging van deze partijen tot és'n partij uitgesloten zou zijn. Wat mij betreft, ik zou, indien er tussen de S.G.P. en de A.R.P. en de C.H.U. geen diepgaande principiële verschillen bestonden, er niet toe overgegaan zijn om mij bij de S.G.P. aan te sluiten en haar in de Kamer te vertegenwoordigen. Ik 'ben er vast van overtuigd, dat de versplintering tussen de A.R.P. en de C.H.U. kon en behoorde opgeheven te worden; dan was er tenminste één splinterpartij minder in de Kamer. De S.G.P. heeft met versplintering niets uitstaande. Zij is een partij met een eigen program, geheel verschillend van de programs van de andere partijen. Zij is een principiële partij, en begrijpelijk, waar het hier een principiële partij betreft, brengt dit verdeeldheid mede. Het is tooh 20 gesteld, dat principes scheiding maken tussen degenen, die hen delen en degenen, die ze niet delen. Wil men de principiële partijen daarom met de min vriendelijke naam als splinterpartijen benoemen, nu, dan moet men niet één maar alle principiële partijen uit de Kamer bannen.

Bovendien is van de zijde der S.G.P. in de loop der jaren meermalen het voorstel van de S.G.P.-afgevaardigden uitgegaan om zich op de grondslag van Gods Woord en wet tot een grote christelijke protestantse partij te verenigen; een voorstel, waarop nooit van de zijde van de C.H.U. of de A.R.P. is ingegaan, waaruit wel heel overtuigend blijkt, dat bij haar de lust om te versplinteren niet bestaat.

Wij hebben dit artikel niet geschreven om de S.G.P. als zodanig te verheerlijken. Wij zijn ons er bewust van, dat de S.G.P.-ers evenals al de anderen van nature kin-deren der duisternis en des toorns zijn en zij van node hebben, als een iegelijk mens, door de krachtdadige werking van Gods Geest wederomgeboren te worden; en ook al niet om haar afgevaardigden de kroon op het hoofd te zetten, dewijl zij van zichzelf gans onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad zijn, en zij bij hun zo belangrijke afbeid in het parlement de leiding des Heiligen Geestes behoeven, weshalve - wij hen aanb-evelen in de voorbede van allen, die de Geest der genade en der gebeden ontvangen hebben; maar wij hebben dit artikel wel geschreven als een scherp protest daartegen, dat haar afgevaardigden tegen alle recht en wet in — en ook niet als splinterpartij, zoals Dr. Tilanus dit wü en bepleit heeft — uit de Tweede Kamer gebannen zullen worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1959

De Banier | 8 Pagina's

Dr. Tilanus’ opvatting over een noodzakelijke wijziging van ons kiesstelsel

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken