Bekijk het origineel

De langdurige droogte

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De langdurige droogte

8 minuten leestijd

De langdurige droogte leert ons boven alles één ding, namelijk dat de Heere regeert.

In onze donkere dagen wordt daarmede door tallozen in het geheel geen rekening gehouden. In menselijke overmoed zijn velen daarin zo ver gegaan, dat zij allerlei plannen, zelfs voor de duur van ettelijke jaren gemaakt hebben, zonder dat het zelfs in hun gedachten is opgekomen, dat zij in de uitvoering daarvan geheel afhankelijk zijn van Hem, in Wiens hand hun leven is, en Die de uitvoering van hun plannen geheel kan verstoren. Niet de mensen toch zijn met almacht bekleed, al beelden zij zich dat in verregaande verdwazing ook al in, maar de 'Heere der heirsöharen. Het aloude spreekwoord luidt dan ook zeer terecht: „De mens wikt, maar God beschikt".

Dit wordt ons helder en klaar getoond in de zo langdurige droogte. Wie had in de aanvang van de zomer gedacht, dat er zulk een langdurige droogte zou intreden, of zelfs zou kunnen intreden, dat daardoor onze rivieren voor tal van vaartuigen onbevaarbaar konden worden gemaakt? En toch, ja toch is dit geschied en geen menselijke macht heeft het kunnen keren.

Het is toch na de jongste dalingen van de waterstanden in de rivieren zo ver gekomen, dat de IJssel voor tal van vaartuigen onbevaarbaar is geworden, de Rijn op sommige plaatsen doorwaad kan worden, zonder dat men tot de heupen nat wordt; de Waal ook al hier en daar doorwaad kan worden, dat het water degsne, die er door waadt, niet hoger dan de borst komt.

De nachtvaart verboden zijn daardoor zelfs sterk uitgebreid geworden, waarbij voor het eerst gedurende deze droogteperiode ook voor de Waal een nachtvaartverbod is ingesteld.

In de laatste tijd is het water in onze grote rivieren blijven vallen, al was de val, per dag gerekend, niet groot; maar bij de tegenwoordige lage waterstand is elke centimeter van betekenis.

De IJssel is zo goed als niet meer bevaarbaar, kan althans door tal van vaartuigen niet meer bevaren worden. Tussen de kop bij Westervoort en D'oesburg staat plaatselijk nog slechts negentig centimeter water, en tot Zutfen niet meer dan een meter.

De Rijn is het ondiepst tussen Heveadorp en het Amsterdam-Rijnkanaal. Daar staat plaatselijk niet meer dan 1, 15 meter water en ook hier laat de rivier zich gemakkelijk doorwaden.

Zelfs de Waal vertoont plaatsen, waarin ondiepten voorkomen van 0, 80 meter. Deze rivier wordt nog door veel schepen bevaren, maar vrijwel alle zijn onderbeladen. Grote schepen kunnen niet eens van deze rivier gebruik maken, tenzij zij voor tenminste de helft onbelast blijven. Op de IJssel is de nachtvaart totaal verboden en op de Rijn mag 's nachts niet worden gevaren tussen Pannerden en het Lekkanaal. Op de Waal is thans tussen Nijmegen en Millingen een nachtvaartverbod voor twee dagen afgekondigd, maar gedurende de rest van de week zal de vaart in dit gedeelte toch ook gestremd zijn, in verband met werkzaamheden, die aan deze rivier moeten worden uitgevoerd.

Dit is de toestand op de genoemde rivieren, welke bestaat op het moment, dat wij dit artikel schrijven, wat ons wel heel overtuigend te zieii^ geeft, hoe zeer de langdiurig© droogte daarop heeft ingegrepen.

Ook heeft de langdtirige droogte haar sterke invloed uitgeoefeiwi op de laiwU bouw ea veeteelt.

Vooral in sonunige streken van ons land is zij voor boeren en veehouders een zware bezoeking geweest, waarvan begrijpelijk ook de arbeiders een deel medegekregen hebben. Het is hierbij zelfs zó erg geweest, dat bij voorbeeld op Ameland uit gebrek aan voedsel voor de dieren een deel van het vee is verkocht moeten worden, terwijl in Steenwijkerwold veehouders zich genoodzaakt hebben gezien verscheidene koeien af te maken, die aan een verstopping leden. De koeien bleken hoeveelheden zand naar binnen te hebben gewerkt, variërend van dertig tot zestig pond, als gevolg van grazsn op zanderige weiden.

Is op deze en ook op andere wijze de langdurige droogte een enorme schadepost geweest, zij is dit ook voor de arbeiders, dewijl de seizoenwerkloosheid, naar verwachting van de voorzitter van de Christelijke LandaAeidersbood, de heer Stokman, veel vroeger dan anders zal intreden.

Het behoeft geen nader betoog, dat de vrijwillig aangeboden hulp aan de zwaar beproefde boeren en veehouders zeer op haar plaats was en is. Deze is reeds in vrij ruime mate aangeboden. Ons leger heeft daarbij een zeer te waarderen hulp verleend. Het heeft in één week ongeveer 2.500 ton bieteloof, dat degenen, die dit missen konden gegeven hebben, naar de gebieden, welke erg door de droogte geleden hebben in Noord-en Oost-Nederland, met legerauto's vervoerd. Het vervoer beloopt op het moment tussen de 3.500 en 4.000 ton. Op maandag 19 oktober is met 117 auto's gereden en op de daarop volgende dinsdag ook.

Tevens zijn er in Zeeland toezeggingen ontvangen van levering van 900 ton bietekoppen met blad, 80 ton hooi en stro en 10 ton voederaardappelen, tenvijl de bijdragen in geld reeds een bedrag van ƒ 20.000.— overschreden hebben.

Het bieteblad gaat naar Oost-Brabant en Limburg, en de bedrijven in het zandgebied van Zeeuwsch-Vlaanderen en die rcnd de Braakmanpolder. De beter houdbare voedermiddelen zullen voor Drente en Overijssel gereserveerd worden. Voor de biimenkomende gelden zal voeder voor Drente worden gekocht. Tevens werd besloten de mogelijkheid tot het inschuren van vee uit Drente open te stellen.

De landbouwers in Drente, die reeds zo veel schade van de droogte geleden hebben, zijn bovendien nog zwaar bezocht, doordat zondag 18 oktober een stormachtige wind, die een groot deel van die dag over de verdroogde akkers streek, kolossale hoeveelheden stof de lucht in stuwde, waardoor over de landen als het ware een dichte mist kwam te hangen, met gevolg, dat men aanneemt, dat de boeren aldaar tevergeefs geploegd en gezaaid hebben. De humuswolken vormden esn roodbruin schijnsel boven de akkers, zodat het er veel van weg had alsof sommige dorpen in brand stonden. Het stof veroorzaakte een zodanige duisternis op de wegen, dat de auto's op de dag met groot licht moesten rijden.

In landbouwkringen is men, het gebeurde op zondag 18 oktober geheel buiten beschouwing latende, van oordeel, dat wanneer er niet spoedig een gunstige verandering komt, de weiden met een sterk beschadigde grasmat de winter ingaan. Deze winter kan mild en regenrijk zijn, waardoor de grasmat hersteld wordt, maar komt er een strenge en kale wdnter, zonder sneeuw, dat dan de weiden zeer ernstig bovendien nog te lijden zullen krijgen, waarbij komt, dat de grond zo droog is, dat er bijna geen vrinterkoren gezaaid kan worden.

In even tevoren genoemde kringen oordeelt men, dat de langdurige droogte van dit jaar alle rampen, welke in de laatste jaren de landbouw troffen, uitgezonderd de watersnood van 1953, in omvang overtreffen.

Het bestuur van de Overijsselse C.B.T.B. heeft een verklaring uitgegeven, waarin verklaard wordt, dat in buitengewone weersomstandigheden, zoals van deze zomer, de hulp van de overheid niet gemist kan worden. Het door de overheid gevoerde prijsgarantiebeleid kan nauwelijks voldoende worden geacht voor het dragen van normale bedrijfsrisiko's, om van de abnormale risiko's, zoals in 1954, 1956 en ook dit jaar weer, maar niet te spreken. Tegen deze achtergrond gezien, acht het bestutu het bij de zo langdurige droogte van dit jaar dan ook gerechtvaardigd, een beroep op de overheid te doen. Het bestuur stelt voor om zowel voor de voedergranen als voor de melk aan de hand van de landbouw-ekonomisch-instituutbedrijven of genormaliseerde bedrijven een gemiddelde oogstnorm vast te stellen. Voor de droogtegebeiden disnt op basis hiervan een toeslag aan de getroffen bedrijven verleend te worden. Het bestuur acht het van belang dat bij zeer ernstige gevallen een aanvullende hulp zal worden geboden door middel van een soepele kredietregeling voor de ook reeds in 1954 en 1956 getroffen bedrijven.

Voorts is het bestuur van oordeel, dat de regering zal dienen te bezien of maatregelen kunnen worden getroffen, welke leiden tot het ter beschikking stellen van goedkoop veevoeder.

Ook wij zijn van mening, dat, afgaande op berichten, die daaromtrent in verband met de langdurige droogte in de dagbladen verschenen zijn, de regering de getroffen bedrijven te hulp dient te komen met de haar ten dienste staande middelen. Bij de steunverlening behoort echter voorkomen te worden, dat ds kleine bedrijven ten achter gesteld worden bij de grote, die in vele gevallen veel gemakkelijker geleden schade te boven komen dan de kleine, die er zeer ernstig onder lijden. Het is allerminst gewenst, dat, zoals bij een vroegere steunverlening gescliied is, de grote steungelden per auto worden opgehaald en dan bij één of andere bank gedeponeerd worden, terwijl de bezitters van kleine bedrijven met schriele bedragen worden afgescheept. De kleine bedrijven hebben toch hulp stellig niet minder nodig dan de grote.

Inmiddels heeft de minister van Landbouw en Visserij, Mr. V. G. H. Marijnen, in een rede bij de opening van de internationale landbouwbemrs te Zuidlaren verklaard, dat de regering er van doordrongen is, dat verdere maatregelen nodig zijn om de door grote droogte ernstig getroffen boeren te steunen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1959

De Banier | 8 Pagina's

De langdurige droogte

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken