Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

CXCII.

De rooms-katholieken eerst tegen de gemengde school, daarna verandering van standpunt. Groen en het koningsschap.

Bij de behandeling van het Adres van Antwoord op de Troonrede, welke de Koning in 1856 bij de opening der Staten-Generaal uitgesproken had, richtte Mr. Groen van Prinsterer zich ook, zoals de vorige maal vermeld werd, tot de rooms-katholieken. Voorheen toch hadden deze zich meermalen als tegenstanders van de gemengde school geopenbaard. Reeds in 1822 had een zekere Le Sage ten Broek aangedrongen op het stichten van rooms-katholieke bijzondere scholen, omdat het karakter van de openbare scholen door de rooms-katholieken niet kon worden aanvaard, wat dus in de lijn lag van wat Groen voorstond met zijn fakultaüeve splitsing der openbare school. En toen Groen in 1837 in zijn „Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het staatsrecht getoetst" het schoolstelsel van die tijd aan een scherpe kritiek onderwierp, werd dit met instemming aangehaald in het rooms-katholieke orgaan, de „Cathoheke Nederlandse Stemmen".

Ook in 1849 nog had het rooms-katholieke dagblad „De Tijd" zich in scherpe 'bewoordingen uitgelaten tegen een ontwerp, waarin handhaving der gemengde school voorop gesteld werd. Ja, zelfs in 185.3 was men in het kamp der roomskatholieken nog tegen de gemengde school, maar in 1856 bleek men daar eensklaps van standpunt veranderd te , zijn.

Wat was nu de reden van 'deze gewijzigde houding der rooms-katholieken? Groen gaf op deze vraag een antwoord, hetwelk hierop neerkwam, dat Rome in een gemengde school zonder Bijbel een voortreffelijk middel zag om het slopen der protestantse instellingen te bevorderen. En waar een school zonder Bijbel geheel in de hjn der vrijzmnigheid lag. 'herinnerde Groen ook aan wat, zoals hij schreef, uit België gemeld was, namehjk, dat in Nederland, met elke schrede der vrijzinnigheid voorwaarts, ook het rooms-katbohcisme veld won.

In het vervolg van zijn rede kwam Groen voor de Koning op, in wie hij het ten zeerste prees, dat hij ter bescherming van de rechten der natie was opgekomen. Men zal zich wellicht nog herinneren, dat Koning Willem III de vorige regering tot aftreden genoopt had, doordat hij haar te verstaan gegeven had, dat hij, ook al zou het onderwijs-cntwerp van minister van Reenen door de Kamers aangenomen worden, hij nimmer zijn goedkeuring daaraan zou hechten. Dit was een kloeke houding, waarmede de Kening het bewijs leverde, dat hij geen marionet van het ministerie wenste te zijn. Te begrijpen is het, dat een dergelijke houding niet in de smaak viel van konservatieven en hberalen. Tegen hen nu nam Groen de Koning in bescherming. Daar het ons niet van belang ontbloot voorkomt om aan Groens standpunt inzake het koningsschap meer bekendheid te geven, laten wij hier woordelijk volgen wat Groen dienaangaande in zijn rede opmerkte. Groen begon aldus:

„Een Koning verdient lof en dank, als hij een geopend oor en hart heeft voor de gewetensbezwaren zijner onderdanen en, eer dergelijk ontwerp wet wordt, nader overleg vï^il".

Hierop liet hij enige korte opmerkingen volgen inzake de vorming van het ministerie, om daarna als volgt verder te gaan:

„Doch ik verdedig dit ministerie niet, ik breng hulde 'aan de sjonpatie, die de Koning betoond 'heeft. Er is met ophef gesproken van het buitengewone van de m'aatregel, die in andere landen verbazing en schier spotternij gewekt had. Ik erken, dat de m'aatregel buitengewoon geweest is, maar de voorzitter der kommissie heeft te zeer in de schaduw gesteld het buitengewone ook van de toestand, waarin de Koning gebracht was. Moest hij lijdehjk afwachten tot de wet bij de Kamers was aangenomen; wachten totdat de i gevormd was, om de punt er op te zetten? Is dat de enige roepitig van de Vorst? Dan is de zaak eenvoudig. Maar ïk acht, dat de Koning regeert, niet alleen door, maar met de ministers; dat de ministers zijn verantwoordelijke, maar ook zelfstandige dienaars der Kroon; ook ik stel op het grondwettig, het konstitutionele koningsschap hoge prijs. Maar ik verlang, en zeer velen met mij, dat aan de konstitutionele koning niet gebeure hetgeen de Fransen uitdrukken met de spreuk: que l'adjectif dévore le substantif" '(dat het bijvoeglijk naamwoord het zelfstandig naamwoord verslindt)! De konstitutionele Koning moet Koning blijven; een persoonlijke wil hebben en het veto, niet een suspensief (schorsend) maar een definitief veto; anders is hij geen Koning meer. Men heeft gesproken van gemeen overleg, en gevraagd — bij gemeen overleg esn zonderlinge vraag — moet 'de Kamer volharden of zwichten?

De Kamer moet niet zwichten en de Koning ook niet. Er moet een einde aan de zaak komen; o ja, de toestanden der maatschappij zijn niet van die aard, dat dergelijk antagonisme (strijd tussen twee tegengestelde meningen), zonder uitkomst op den duur bhjve. Maar de uit­ komst mag niet gezocht worden in dwingen of zwichten. Wanneer de Koning de Kamer doet zwichten, is er absolutisme; wanneer de Kamer de Koning doet zwichten, is er republiek; het voordeel van het Koningsschap is, dat er een instelling zij, die voor de meerderheid niet behoeft te zwichten; die, tegen Kamers en kiezers, de rechten der natie, door weigering van sanküe, handhaaft. En daarbij is het in de Nederlandse Staat een eigen voorrecht, dat het grondwettige Koningsschap eenzelvig met het historische Koningsschap is. Hier is het Koningsschap, meer wellicht dan in enig 'land, met republflceinse zin en geest doorvoed, heeft een repubhkeinse wortel, is 'geboren uit de geschiedenis van het Gemenebest. De Koning is het eminente hoofd; hetgeen de natie eeuwenlang begeerd heeft. In die ^nvoudige waarheid Ugt de waarborg tegen afwijkingen aan de ene of aan de ander© kant. De Koning in Nederland is niet een landsheer, maar ook niet een figurant: de Prinsen van Oranje hebben nooit in de volkshistorie voor figuranten te boek gestaan. De Koning is beschermheer, desnoods tegen de meerderheid, desnoods tegen een tijdelijke opinie; beschermheer van de rechten en vrijheden des volks. Dit is het denkbeeld geweest in 1813 en daarom was het woord, op zichzelf misschien gevaarlijk, soeverein, in ons land niet gevaarlijk omdat hetgeen 'daarin gevaarlijk had kunnen zijn, in de volkshistorie een korrektief' had. Men heeft mij wel eens gevraagd, welk praktisch nut 'die soevereiniteit had. Zie hier een voorbeeld, nu de Koning, door persoonlijke wil, tegen de wil van de meerderheid der Kamer, het terzijde stellen, zonder nader onderzoek, van de bezwaren zijner onderdanen belet. Dit is de soevereiniteit van het Huis van Oranje in praktijk".

Tot zover Groen, wie bestrijding niet bespaard bleef, zowel van roomse als van liberale zijde, doch hierover D.V. in het vervolg.

dait de regering nfet in staat is het stijgen der prijzen tegen te houden, waardoor het leven dan nogal duurder en zodoende voor tal vain mensen nogal benarder zal worden dan het nu reeds is. Niet alleen wij zijn het, die deze gevaren zien, doch vele anderen zijn met ons van hetzelfde gevoelen. Wij wijzen slechts op het artikel van professor Witteveen in de „Ëkcoomisch Statistische Berichten" van 14 oktober 1-1., waarin deze verklaarde, dat d« begroting 1960, mede door het stijgen der uitgaven, bij nadere analyse allerminst het krachtige tegenwicht biedt, waar de huidige ontwikkeling met haar dreigende nieuwe golf van inflatie en overbestedinig om vraaigt en vooiTts, dat deze begroting gemeten aan haar eigen doelstelling volkomen te kort schiet.

Het is niet nodig hier 'dieper op het betoog van professor Witteveen 'in te gaan, aangezien uit de memorie van antwoord blijkt, dat de minister met de inhoud hiervan bekend is.

Wij volstaan derhalve met nog slechts te verm'eld'en, dat deze hooggeleeTde eaten zeerste beducht voor is, dat prijsstijgingen niet te voorkomen zullen zijn en dat deze ten aanzien van d© kosten van leven.'ïOniderhou'd wel 5 pot. zulien bedragen. Met het oog op deze emstiige situatie wordt door professor Witteveen, 'onder andere door hem genoemde maa, tregelen, ook bet verlagen der staatsuitgaven ten zeerste aanbevolen, iets, dat onzerzijds jaar op jaar reeds is voorgestaan en ook thans bij vernieuwing wordt bepleit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1959

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken