Bekijk het origineel

Algemene financiële beschouwingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Algemene financiële beschouwingen

8 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Repliekrede van ir. van Dis

In zijn beantwoordin'g van de onderscheidene sprekers werd door de minister van Financiën, prof. Zijifetra, nog eens duidelijk onderstreept, wat door de minister-president reeds bij de algemene politieke beschouwinJgen over de Rijksbegroting voor 1960 was veirklaard nameiijk, dat het door minister Zijlstra gevoerde financiële beleid een voontzetting was van het beleid der voiige reseringen.

Het is te verstaan, dat velen, dfe sedert lang op een breken met dit beleid hun hoop hadden gevestigd en met het ver­ dwijnen der socialisten uit de regeaing dit ook verwacht hadden, door verklaringen als van de minister-president en nu weer van m'inister Zij'lsitra zelf, zeer teleurgesteld zulten zijn. Bij de replieken, welke na de rede van de minister van fin'anciën plaats vonden, werd daarop door Ir, van Dis noig eens de aandacht gevestigd. Voorts toonde hij m-et m^eerderiQ bewijsstukken aan, dat tegen de voorgestelde verlenging van enkele belastinigverhio gingen, welke een paar jaar geleden in het kader der bestedingsbepeiikende maatregelen genomen en als van tijdeüjke aard door de mieerdierheid óer Kamer aanvaard wairen, bij het bedrijfsleven zeer ernstige bezwaren 'bestonden.

Ten aanzien van de boige staateuibgaveii werd irizonderheid de aanidacht van de minister gevestigd op de grote sommen gelds, die uit 'de overheidskaasen dn die vorm van subsidies verstrekt worden aan ïJlerlei 'instellin: gen van publiek vermaak.

Bij deze 'inleiding kunnen wij het laten, daar de repliekrede diiidelijk genoeg voor zichzieK spreekt en naidere toeüchtin'g dus ni'et no'dig ds. Ir. van Dis sprak als volgt:

Mijnheer de Voorzitter! Voor wie het nog mocht betwijfeld hebben of het financiële beleid van de huidige regering een voortzetting is van bet financiële beleid der vorige regeringen me't siocialisfeche ministers van Financiën, zal door de rede van de minister wel \'oor goed' van alle twijfel dienaangaande [genezen zijn. De ministea" beeft toch verklaaid, idlat hij aan een ombuiging, om dan van een forse ombuiginig helemaal maar niet te spreken,

nooit behoefte heeft gehad, omdlat het voorheen gevoerde financiële befe'id volgens hem een alleszins juist beleid is .geweest. Hoewel ik de dindelijkheid van 's ministers antwoord met betrekkin'g tot deize aangelegenheid waardeer, meen ik toch te mogen handhaven, wat over deze 'kwestie door mij in eerste termijn is gezegd, namehjk dat het niet ombuigen van het financiële beleiid vxior velen ongetwijfeld een grote teleurstelling is, namelijk voor al diegenen, die geheöl andere verwachtingen hadden en meenden, dat er ook inzake het financiële beleid 'een radikal'e verandering zou komen.

Voorts is ziowel uit de redle van de minister als uit die van de staatssekretaris wel komen vast te staan, dat zij 'die voorstellen inzake de vei-lenging van de onderhavige tijdelijke belastin'gverho gingen wensen te handhaven. Door 'de belanghebbenden zal dit 'ongetwijfeld ten zeerste woiden betreurd. Reeds verleden jaar werdten uit de krinigen van bet bedrijfsleven tegen het bestendigen vaar deze belastingverho'gin'gen ernstige bezwaren ingebracht, zodat het volkomen bogrijpehjk is, 'dat, nu 'de ekonomische toestamid sedert die tijd zoveel verbeterd is, het verlengen er van in de kringen der ondernemers grote ontstemming heeft verwekt. Ten bewijize hiervan werd door mij in eerste instantie reeds gewezen op het oirgaan: „De Nedferlandse Indaistrie", nam-elijk het nummer van 15 oktober j.l., waaruit bleek, dat men Het gaat er nu om, hioe veander gehandeld moet worden en ook wel om de vsuag, of de regeiing een taailc heeft ecB t» helpen. Die vraag meen ik bevestigend te moeten beanitwoorden, ook al dient de huJp van partikuHeren niet achter te blijven en al mag bovenal afhattkehjkheid van God niet vergeten woiden. Mijnheer de Voorzatter! Over de reeds verleende hulp meen ik enige vragen te mogen stellen.

Js elke veehouder geholpen met bietenkoppen en - blad? Of zijn, zoals ia „De Vrije Boer" van 17 oktober 1959 is vermeld, veehouders, die vijf of minder koeien hebben, iritgesloten? Ik meen, dat, indien dit zo is, dit toch wel een onjuiste wijze van handelen is, daar dan de hulp, door velen spontaan verleend en door de regering bevorderd, met aan allen is ten goede gekomen.

Is er onderscheid gemaakt tussen georganiseerden en niet georganiseerden of tussen hen, die bij de ene of bij die andere organisatie aangesloten zijn? Gaarne zag ik, dat de minister bevorderde, dat allen van de verleende hulp kunnen genieten. Al sta ik niet op het standpunt, dat de overheid alles moet doen, toch meen ik, dat de regering wel een taak heeft, als er in een bepaalde nood moet worden voorzien. De nood ten gevolgö van de droogte is toch, evenals die, ten gevolge van oarlogsigewelid of watenoverliaist ontstaan, van aigemene

Daarom meen ik, dat niet alleen er voor gazorgd moet worden, idat ©r veevoeder is, maar acht ik het bovendien nodig, dat veevoeder kosteloos ter beschikking te stellen. Daarvoor zal wel een regeling nodig zijn, maar ook bij de hulpverlening in andere gevallen zijn negelingen getroffen. Ook zal er voor moeten worden geaorgd, dat het nog aanwezige voeder beschikbaar blijft. Er is reeds weinig wintervoer, zodat de uiterste voorzichtigheid nodig is. Daarbij denk ik in het bijzonder aan de pulp. Wordt er pulp door buitenlanders gekocht en uitgevoerd? Zal het vervoederen van suikerbieten de vooiraad pulp niet 2!0> danig beïnvloeden, dat weer anderen te weinig voieder kunnen betrekken? Er is reeds weinig pulp, idiooi-dat er weinig bieten zijn, want het aantal kilogrammen bieten zal toch wel een s'tuk lagear zijn, althans in sommige gebieden, dam in vorige jaren. Bc meen, dat vele veehouders ingesteld zijn op het betrekken van pulp can daardoor weer hun winter\'Oorraad van vcedier te 'kunnen aanvuMen. Wannesi-nu ©en deel van de suikerbieten aan het normale gebruik wordt onttrokken, dan zal de hoeveelheid pulp verminderen, en dit zal nog sterker zijn, wanneer men een gedeelte daarvan naar aet buitenland stuurt. Ik meen, dat dte heer De Ruiter er op heeft gewezen, dat men niet de één moet helpen, als men daardoor de ander weer in moeite brengt. Het geven van kredieten zal in sommige gevallen goed zijn, do^ch ik m'een ook, dat dadelijke financiële hulp nodig is en dat deze voor een deel zou kunnfen worden verleend door het kwijtschelden van grond-en waberschapalasten, maar dan zal de voorwaar­ de moeten woidien gesteld, dat de eigenaren de pachten met een igehjk bednag verlagen. Immers, aniders komt het nog niet aan de landbouwers zelf ten goede, maar zou het verschil inderdaad in. die zakken van anderen terechtkomen.

Uitstel van betalinig van lasten acht ie in deze geen oplossing.

Het is toch wel 20, dat door het beleid, dat voorheen is gevoerd, het voimen van reserves wel zieer moemlijk is geweest, zodat, wanneer er nu nood is, wij ook dadelijk 'de noodzaak hebben om te gaan helpen.

Mijnheer de Vooizitteo-! De landbouwer heeft toch in de nood in voorgaande jaren, voornamelijk in de oorlogstijd, ons volk geholpen en ik geloof, dat hij nu ook recht heeft op huip van ons volk, en dan verwacht ik, dat hier de partikuliere hulp alleen niet voldoende zal zijn, maar dat ook de regering die hulp zal moeten verlenen. Dit geldt te meer, omdat, zoals ik zei, voorheen geen reserves konden worden gevormd. Ook voor de direkte financiële hulp zal iniderdaad een regeling nodig zijn. Ik ga niet vragen, Mijnheer de Voorzitter, of de minister nu reeds wil zeggen: zo kan het en zo zal het moeten gebeuren, want het lijkt mij nooidzafcelijk, dat daarover nog wel-©ens even 'gedacht wordt. Ik wil niet beweren, dat men nu alles moet uitS'tellen; er zal dadelijk h'uilp nodii'T zijn. maar men zaï! ook moe­ ten denken aan die gevolgen, die zich later openbaren en waarvoor dan een regeling kan worden getroffen.

Mijnheer de Voorzitter! Voor hot verlenen van die hulp zal de medewenking van de plaatseUjke autoriteiten nodig eajn, doch deze zullen die inderdaad wel verlenen en de 'ervaiing heeft geleerd, dat zulks is te regelen. Wanneer er werkelijk — ik vind dat nog ndet z» vaststaand — werkloosheid zou ontstaan door de droogte, dan üj'kt het mij noodzakelijk, dat hier maatregelen worden getroffen.

Het is ook mo'geHjk, dat dit nogai meevalt; het is ook mogehjk, dat door de late regenval er later veel werk komt, meer dan voorheen. Mocht zich het geval voordoen, dan wil ik een beroep op de regering doen om ook hieraan aandacht te geven en de nodige hulp te verlenen. Wie spoedig helpt, helpt - dubbel. Dus vraag ik dadelijk hulp. Ook vraag ik hulp ten aanzien van de latere gevolgen, vooiral de financiële. Ik hoop dan, dat daardoor de nood enigSTins zal wordten gelenigd en dat men in het bijzonder aan de klc'ine onidememer 'denkt, want, kennende het leven van de kleine boer, weet ik, dat de kleine boier, wanneer dergelijke omstandigheden zich voordoen, 'in vele gevallen zich'zelf 'niet meer zal kunnen helpen en dat hulp van buitenaf no'dig is, opdat deze nijvere tak van 'de bevolkinig een bestaansmoigelijikh'~id kan 'behouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1959

De Banier | 8 Pagina's

Algemene financiële beschouwingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken