Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

9 minuten leestijd

Maar op deae zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft. Jesaja 66 : 2b

Jesaja, wel eens genoemd de evangelist onder de profeten, heeft in hoofdstuilc 66 de 'Heeire sprekende ingevoerd met deze woorden: „De hemel is Mijn ti'oon, en de aarde de voetbank Mijner voeten". Hij stelt de Heere voor in Zijn majesteit en ontzaggelijfcheid.

Het is een eigenschap van de profeet om de Heere, de Alleiihoogste, te prediücen in Zijn hoogheid en alwaardigheid; daartegenover de mens in zijn nietigheid, schnld, schande en verweipelijildheid.

Hij ziet de Heere op de troon van het ongeschapen licht, omgeven éoor troongeesten, die hun beginsel niet verlooöhend hebben, maar wier lust en leven het is 'Hem, Die op de troon zit, te verlieerlijiken in nooit gestoorde zaligheid, waarom hij dan ook uitroept: „Ik 'zag de Heere zittende op een hoge en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel", hoofdst-uk 6 ; 1—4; docli daar tegenover de nietigheid en onreinheid van het schepsel (vers 5): „Toen zeide ik: Wee mij, w'ant ik verga, dewijl ik een man van onreine 'lip'pen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn. ogen hébben de Koning, de Heere der heirscharen gezien". Dodh nu gaat de profeet in dit ons teksthoofdstuk voorstellen hoe God wel de Hoge en Verhevene is, tnaar ook woont bij die, die van een verbroken en verslagen geest is.

Hoofdstuk 66 verplaatst ons in de tijd der baHingschap. Immers in het bijzonder het tweede gedeelte van zijn profetieën, namelijk hoofdstuk 40—66, wordt genoemd: Jesaja's troostboek. Want het is gericht tot hen, die aan Babels rivieren verkeerden, met hun harpen aan de wilgen en 'geen lied des Heeren konden zingen in een vreemd land.

Dooh deze bange tijd voor het overblijfsel naar de verfdezing der genade is bijna ten einde. De terugkeer n'aar Kanaan is aanstaaiTidte. En daarom, we kunnen ons voorsteilen hoe het heimwee in het hart der oprechten zich uitstrekte najar die dag der verlossing. En daarom, hoe nader die dag kwam, hoe vuriger het verlangen om het Babelse diensthuis te verlaten en de voeten te plaatsen op de bemande grond. Dan zou vervuld worden: „Ik ben wedergekeerd tot Jeruzalem met OBtfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden".

Doch zie, gelijk thans, zo was het ook fnen, het was niet alles Israël wat Israël genaamd werd.

Ook toen waren er, die schone leuzen uitspraken, doch deze waren niet overeenkom'stig het hait. Zij' vergaten dat eij voor straf naar Bafoel waren gezonden en waren dus onboetvaardig. Er was bij hen niets dan een nationale trots, om Stad en tanpel te herbouwen, maar waar de wa­ re vernedering des harten, ootmoed en weze Gods ontbrak.

In zulk een vleselijke godsdienst, uitwenr diigheid en vormelijkheid had de Heere geen behagen. En daarom voert de profeet de Heere sprekende in met deze woorden in het eerste vers: „Waai' zou dat huis zijn, dat gijliedten Mij bouwen zoudt? En wa'ar is de plaats Mijner rust? " En daarom, niet op u, die niet anders voorstaat dan een uitwendige godsdien, rt, niet anders openbaart dan een Jehu's ijver, , , maar op deze 2ai Ik zien, op de wme, de verslaigene van geest, en die voor Mijn Woord beeft".

Met drieërlei trek zien we hier geteikend het beeld van de ware sioniet. Want zo wordt hij dan in de eerste plaats ons voor ogen gesteld als een arme.

Van armen wordt op meerdere plaatsen in Gods Woord ges-j> -'vken, \Vf '•l-^nfc, °n hier bijzonder aaa de bergrede, alwaar de Heere zegt: „Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen".

Doch zult ge zeggen: een arme gelukkig, klinkt dat niet ongerijmd? Is bet niet beklagenswaardig om arm te zijn? Hoe kan de armoede het hart verscheuren als het lioognodige ten enenmale ontbreekt. Als de sdiuldeiser dwingt tot betahng der sdhulden, en de nodige middelen daartoe ontbreken.

Doch het zou 'kunnen gebeuren, d'at een rijke vriend of familielid bewogen is over het lot van zu'lk een arme, en deze in de noden voorziet. Zeker, dan is zulk één gelukkig te prijzen, al is het dat hij de druk van zijn armoede voor het heden nog gevoelt. Dan is hij gelukkig in het vertrouwen, dat hij in zodanig iemand stelt, die zijn nood kan lenigen en zijn schulden kan en wil betaten. Doch dan is hij niet gelukkig om zijn armoedte, maar omdat 'hij in zijn armoede geholpen woixit.

Maar, zo vraagt ge, is dan armoede een kenmei-'k van de ware gelovigen, in die zin dat ze iets vóór hebben ten opzichte van het 'Koninkrijk dfer hemelen?

Immers zo menen 'het de roomsen, de zogenaamde bedelmonniken, die afstand doen van al hun 'bezittingen. Zij leggen de belofte af van vrijiwiflige armoede, kuis'heid en gehoorzaamheid. Zij merken dit aan als verdienste en enige voorsprong in de genade. Doch 'hoe gans verdorven is zulk een stelling.

Het zal ons daarom duidelijk zijn, dat hier niet gedoeld wordt op armen in tijdelijke zin, al walen we toegeven, dïtt vaak de armen, in onze tekst 'bedoeld, veelal gevonden worden bij hen, die ook arm zijn naar de wereld, waar Paulus zegt: „Gij ziet uw roeping, broeders, , dat ge niet vele machtigen, rij'ken of wijzen zijt", enz. Echter geen rijke wordt afgewezen om zijn rijkdom, en geen arme wordt aonigsnomen om zijn armoede. Daarom, de arme in onze tekst bedoeld, is één, die geestelijk arm is. Er zijn in het oorspronkelijke twee woorden voor iirm zijn. Het eerste is ami als toestand, dat wil zeggen, arm te zijn, zonder dat men er door neergedrukt is en onder gebogen gaat. Het tweede woord ecihter wil zeggen: iemand' die zijn ai-moede kent en dat draagt als een last, waaronder hij gebogen gaat.

Immers waarom toch wordt iemand in 'het natuurlij'ke ann genoemd? Die recht arm is in het maatsdhappelijke, voelt zich ©lendig; alles ontbreekt hem. Zijn spijize is sober, zijn kleding scihamel, zijn woning armoedig. En dit is nu bij de geestelij'k arme niet anders gesteld. De armoede van de mens, die van God is afgevallen, overtreft veiTe de ellende van hem, die arm is naar de wereld. Maar nu is dit het verschil. 'De aime in aardse zin kent zijn gebrek, voelt zijn ellende, doch de geestelijk arme van nature niet. Van hem geldt wat de Heere zegt tot Laodicéa: „Gij weet niet, dat gij zijt arm, jammerlijk, naakt en blind". De mens is blind voor zijn blindheid; blind voor zijn .irmoede, bhiïd voor zijn «Hende.

Dixsh als dan in de tekst gezegd wordt: , , Op deze zal Ik zien, op de arme", wordt hier kennelijk gedoeld op de arme, die zijn armoe en ellende kent, op welke van van toepassing is: „de arme spreekt smekingen, maar de rijke antwoordt harde dingen". Dezulken, ontdekt aan hetgeen ze door de zonde en hun rampzalige val geworden zijn, worden met de arme^Lazarus bedelaars en smekelingen aan de troon der genade. Dezulken liggen aan de poort, met de blinde Bartimeüs roepende: „Zoon Davids, ontferm U mijner". Gelijk een arnie naar de wereld zidh berooid gevoelt van alle goed, terwijl , schuldeisers hem dwingen: „Betaal mij Wat gij schuldig zijt", zo is het ook met een waar geestelijk arme. Hij gevoelt zijn ©Hende. Hij ziet Zich als Adam in het Paradijs naa'kt voor God.

En wat zijn ellende en airmoe volkomen maa'kt, is dat zijn schuldeiser hem op de hielen zit. Ontdekt aan izijn totaal onvermogen om een kwadrantpenning te betalen, ziet hij izich van alle zijden arm en ellendig. Zo zijn ze van alle zijden arm en ellendig. Het enige en noodzakelijke, namelijk een God voor hun hart en een Borg voor 'hun schuld, missen eij, waarom ze wel eens uitroepen:

Gij, Die 't zuchten hoort der annen, Wil U over mij erbarmen, 'Dat i'k U niet langer mis. Die mijn ziel zo dierbaar is.

Zo zien we bij de aanvang, als een zondaar zichzelf leert kennen in zijn ware toestand, dat hij een arme is. Alle todden en vodden van een verbroken werkverbcnd, waar hij zichzelf mee wilde dekken voor de gereöhtigheid Gods, ontvallen, hem; affle 'kooppenningen, waanmede hij de genade wü kopen en een grondslag wil leggen om door de Heere aangenomen te worden, ziet hij als een spinrag weggevaagd door het ontledigende en ontgrondende wenk van God de Heilige Geest. In deze weg alleen wordt hij een opderwerp voor het Voorwerp, Qhristus, waarvan de apostel getuigt: „Gij weet de genade van onize Heere Jezus Christus, dat Hij om mventvidl is arm geworden, daar Hij rijk was". Voorwaar, dan kan niets en niemand hun uitgebreide 'begeerten, hun totale ledigheid en armoede vervullen, dan Hij, waarvan ze met Grosnewegen wel eens uitroepen;

Ik weet, dat ik door ail mijn klagen, Jezus lief, U niet kan behagen. Maar 't 'bedroefd, geprangd gemoed Vindt in 't wenen U nog goed.

Zij leren niet alleen echter statelijk, maar ook na ontvangen genade standehj'k hun armoede beleven. En o wonder, juist aan een arme kan de Heere Zijn genade kwijt. Daarom is 'het 'genade, armmakende genade, die ons telkens weer een onderwerp moet maken van di© allerzoetste genade, voor de rijkdom der hemelse genadegaven. 'Hij moet ^tijd maar weer met ledige handen komen. Want genade verheerlijkt zioh in bedelarm te komen. Verliezen zet 'de ziel in het rijkste winstgenot. Niets hebbende, nochtans alles bezittende, wondt in deze weg geleerd. En daarom niets hebbende, arm aan gerechtigheid, arm aan geloof, arm aan heiligmoiking, maar als een worm voor God in het stof te liggen, wordt n'ochtans in die armoede het al'lergrootste goed ontdekt, dat zijn 'bezitters het eeuiwige leven schenkt. Om deze armoede te beleven is noodzakelijk, maar is ook genade en begeerlijk, gelijk de dichter in Psahn 119 zingt:

Geen meeKler goed. Heer', Gij mij geven meugt. Dan dat Gij mij vernedert en maakt Meine.

Sliedreoht

Ds. C. Smite

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1959

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken