Bekijk het origineel

Begroting van Justitie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Begroting van Justitie

11 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Repliekrede van Ir. van Dis

Nadat de minister van Justitie de Kamerleden, die aan de besprekinig van zijn bagrotinig hadden deelgenomen, beantwoord had, werd er gelegenheid gegeven tot repliek. Aangezien de minister zich van enlcale 'gewichtige aamgefcigenlieden wel wat al te gemaüdoelijk had afgemaakt, zoals om er maar een paar te noemen, de kunstmatige inseminatie bij de mens en de zedenondemii]nende lektuur, werd van die gelegenheid door Ir. van Dis gebruik gemaakt om er nog eens op teru'g te komen.

Wat die lektuur betreft is het wel allerdroevigst gesteld. Zelfs van rooms-katholieke zijde werd ©r lektuur in het lidht gegeven, die de vraag doet oprijzen: waar moet het heen? Ir. van Dis noemde de naam van de betreffende r.k. schrijver en de titel van het door deze geschreven boek nie^, omdat hij door de2» wel te noemen, mede zou werken aan de verbreiding er van, daar de ervaring toch genoiagzaam leeot, dat juist ziulce boeken maar al te veel aantrekkinigskraoht uitoefenen. Naam en titel van het boek, welke met citaten er uit door een deskundige op letterkundiig gebied aan Ir. van Dis waren toegeïzon'den, zijn echter bekend, zodat voor de waarheid van hetgeen door de afgevaardigde der S.G.P. te dezer zake werd opgemerkt, tenvoUe kan worden inigestaan.

Dit kan er nog bij vermeld, dat de in-'houd van bedoelde citaten van die aard was, dat de pers geweigerd had om ze in een recensie over het bedoelde 'boek op te nemen. Men doirfde het niet aao de aan het boek ontleende citaten onder die ogen der lezers te brengen. En van dit boek verschenen al mjeerdere drukken!

Bij deze inleiding zullen wij het laten, daar de rede dajideHjk genoeg voor zichzelf spreekt.

Ir. van Dis repliceerde als volgt:

Bij deze replieken wens ik te beginnen de Minister dank te betuigen voor de beantwoording van verscheidene vragen inzake door mij ter sprake gebrachte onderwerpen. Hierbij verklaarde de ministesr onder meer, dat hij bereid is ten aamzien van hen, die gewetensbezwaar tegen verzekerinig hebben, een regeling in het aangekondigde wetsontwerp betreffende wettelijke aansprakelijikheid op te nemen, waarbij aan deze personen vrijsteHing 'van deze verplichte verzekerinig woidt verleend'.

De minaster knoopte hieraan enkele opmerkinigen vast 'betreffende de kosten, welke deze nieuwe verzekering zullen meebrengen, zulks naar aanleidinig van wat door mij was bepleit, nameUjik, d'at de regeling zodanig zal zijn, dat deze lasten ook door de minder draagkrachtigen onder de houders van motorvoertuigen zullen kunnen worden gedragen. Dat dit door mij bepleit werd, heeft zijn reden. Het is ons namelijk helemaal niet met zekerheid bekend, op welke wijze de vrijstellinig voor de hier in het gedinig zijnde gewetensbezwaarden door de minister zal worden geregeld. Br zijn dienoanigaande verschiMende nmoigeHj'kheden, zodat 'het zeer wel zou kunnen gebeuren, dait er een regeling kwam, welke voor tal van autogebruikers uiterst bezwaarlijk, 3 ja zelfs te zwaar zou zijn. Bc denk aan bet geval, dat men van dezse personen het storten van een waarborgsom zou eisen. Wanneer dit 'gebeurde, zou dit, naar ik vrees, velen, die voor hun bedrijf of beroep een auto 'beslist nodig hebben en deze niet kunnen m'issen, in zeer grote, welHoht onoverkomenHjke moeilijkheden brengen. De verklaring van de minister, dat het in zijn voomiemen 'ligt, een reële mogelijkheid te scheppen, dat zij, die igewebensberwaren tegen verzekerinig hebben, toch aan het motorisch verkeer kunnen blijven deehi'em'en, beeft echter 'bij mij de verwachting gewekt, dat de minister de tie verlenen 'vrijstelltog niet in deze richting zal zoeken en dat derhalve een regeling zaïl getroffen worden, die door de gewetensbezwaarden zal zijn na te 'komen. Wat de besfcrij'dinig van pornografische geschriften betreft, 'bHjven vrfj van oordeel dat daartegen niet wordt opigetreden zoals 'dit zou behoren te igesohi'eden. En .dit geldt niet alleen van pomografisobe lektuur, maar ook van lektuur, welke 'vrijelij'k te koop wordt aangeboden zonder dat dit diTekt onder het begrip pomiografie valt. Ik 'heb daarbij bovendien niet uitsluitend het •oog op boeken •van schrijvers van atheïstische levensschouwinig, maar ook op die van sohrijr vers 'van geheel tegenovergestel'de rich­ting. Ik zou 'hierbij een naam fcuninen noemen van een schrijver - ik zal het niet doen - vaa rooms-katholieke huize, letterkundig resenoent van een roomskatholiek daigblad. Het •voriige jaar werden mij schriftelijk enige passages uit een - door deze schrijver geschreven boek toegezonden, welke een beslist zedenondermijnend karakter droegen. Dergehjke boeken, waanbij de zeden geleidelijk aan ondergraven worden, zijn mijns inziens nog veel gevaarlijker dan geschriften, welke tot de pomoigrafie gerekend moeten worden, daar laatste genoem'de veelal klandestien in omloop zijn en een beperkte afname hebben. Daarom staan wj - voor, 'dat niet alleen tegen specifiek pomografeohe ile'ktuur van overheidswege woidt opgetreden, maar ook teigen die lektu'ur, weEce ailgemeen niet als pornografisch aangemerkt wordt, maar waarvan de schadeHjke ge-•volgen no'g veel erger zijn, doordat zij een veel groter terrein bestrijken en zedelijke begrippen propageren, •welke beslist in strijd zijn met

Gods Woord en wet.

Inzake de kunstmatige inseminatie bij de mens, werd door de ministei-ander meer opgemerkt, idat hij niet deelt de vrees, dat het 'hiermede zal gaan als bij andere kwesties, waarbij van overheidswege niet bijtijds werd ingegrepen, zodat een bepaald kwaad niet meer te stuiten was. Bc kan het 'in dezen met de minister niet eens zijn. Het is toch m'et het kwaad menigmaal zo gesteld, dat het in het 'begin zeer geringe afmetingen heeft en langzaam aan s-teeds ver^der vooitvreet. M'et de Hjfcverbran'dinig 'ginig het ook zo. Er werd omstreeks 1915 •een prooesverbaal opgemaakt, toen er voor 'het eerst in ons land een Bjk verbrand werd, wat leidde tot een uitspraak van de Hoge Raad, .dat de hjloverbran'dinig wel in strijd was met de Begrafeniswet, maar dat er een leemte was in deze wet, daai de strafbare persoon er niet in •weid aangewezen. De toenmalige regering Het daarop deze hei'dense praktijk •weer ongeihin'derd voortgaan, ook de zich christeHj'k noemende rechtse koaUtieregering bleef na haar optreden in 1918 te dezer zake in 'gebreke. Ook zij en de haar steunende frakties wijzigden de Begrafeniswet niet in dier voege, dat de hjfcverbrandinig verboden werd. Dat duurde •voort tot in 1956, toen de brede-basisregerinig naet de socialisten er in aan de hjkverbrainiding wettelijke sanktie verleenden, dat was d'us na een perio'de van circa 40 jaar. Hierop ziende, alsook op nog aH'dere kwesties, waarop door mij nu niet nader zal worden ingegaan, achten wij 'het noodzakehjk, dat niet te lang gewaciit zal worden met het nemen van maatregelen inzake de kunstmatige inseminatie, welke ook door de Synode der Nederlandse Hervormde Kerk niet lang 'geleden terecht veroordeeld werd, evenals deze Synode zich •verleden week ook in afwijzende zin heeft uitgesproken over de voetbalpools. Mijnheer de Voorzitter! Wat rui de kwestie vtan het artsen-echtpaar Meulenbelt

betreft, •meen ik uit het antwoord - vaa de minister te mogen opmaken, dat wij hieromtrent nog een afzonderlijke be. sprekin'g te verwachten hebben. Met belangsteHtng zien •wij deze tegemoet, waarbij het echter wel nodig zal ajn, dat de Kamer tevoren meerdere opening van zaken verkrijgt, 'doordat aan het echtpaar Meulenbelt, eventueel met zijn raadslieden, de 'gelegenheid •geboden 2al •worden zich uit te spreken, opdat de Kamer zich te dezer zake een onpartijdig oordedl zal kunnen vormen. Bc acht dit onder meer noodzakelijk, omdat door genoemd artsenechtpaar ten sterkste - betwist wordt, dat zij een m'edisch ondierzoelc hebben ondergaan •voordat zij maar eea krankzinnigengesticht werden vervoerd, wat toch mijns inziens noodzakeKj'k is om tot zulk een diep ingrijpend© maatregel over te 'gaan. Mijnheer de Voorzi'tter! Thans nog iets over de grote - vrijheid, welke aan delinquenten •wordt •verleend. Het 'steilde mij teleur, dat de minister zich ter verdedi'ging hiervan beriep op de opvattingen van het moderne strafrecht, 'daar dit toch maar al' te zeer gebou'wd is op de 'h-umanistisohe fevensbeschouwing, welke hjnrecht ingaat tegen de Bijbelse leer ever de oorsprong en het kaïakiter van de zonde en van de staat van de gevallen miens. Bc zal hierop nu niet veoder ingaan, doch wel 'wil ik er even op •wijtsen, dat ook leden van de iiechterhjfce miacht em^ stige bezwaren höbben tegen de grote •vrijheid, welke tegenwoordig aan delinquenten wordt verleend. Zo zeide de officier van justitt'e bij de Haagse rechtbank in september van "dit jaar met hiet oog op gedetiu'eerden mt ©en 'asiel to Soheveninigen, die zich aan in'braak, dus niet aan een zedendelikt, hadden schuldig 'gemaa'kt: „Het is een teken aan de ^.vand, dat de verdachten in het asiel zoveel •vrijiheid igenoten, dat ze konden gaan inbreken". De president van die Amsterdamse rechtbank. Mr. J. Coninck-Laefstinig, veddiaaide voL gens ©en verslaig in „De Volkskrant" vaa 23 april 1, 1., aangaande een tvroetal delinquenten, waarvan de één een strafblad had met 10 en de ander met 12 veroordelinigen: „Droeve voorbeelden - van d© 'praktijk, waartoe het modeni'e igemeensobapssysteem in de •gevanigenis 'leidt". Op de25e voorbeelden ziende. Mijnheer de Voorzatter, is ©r, dunkt mij, voor de minister toch wel alle reden oim de kwestie van' 'het verlenen van grote - vrijlieKl aan delinquenten nog eens teideige nader te bezien en zich daarbij niet - fce laten leiden door de opva'ttimgen van het modem'e strafrecht, maar door de rechtsbeginselen van Gods Woord. Mijnheer de Voorzatterl Thans nog enkele opmerkinigen aangaand© dte kwestfe der

spijtoptanten. Ddenaanigaande zijn wij van' oard'Sel, dat voor 'deze mensen, die in de tijd tussen 1949 en 1951 voor het Indanesische staatsbuTgersohap 'gekozen hebben, doch daarover later spijt gekregen hdbber^ een spoedige oplossing noodzakelijk fe. Het is niet verantwoord, deze ex-Nedeïlanders, die indertijd onder m'eer op aaa- jadea van. Nederlandse hoofdaanbtenaren 'voor de Indönesisdie nationaliteit gekozen hebben, menende, dat Indonesië «iet Nederland ia unieverband op voet van vriendschap zou blijven sfcaan en dat hun kinderen op Nederlandse sohoien zouden ikunnen worden opgeleid, nog langer in de moeilijke omstandigheden te laten, waarin zij thans verkeren. Op de fegerinig rust zelfs een morele plicht om deze mensen, die zich met Neder-Jand nauw verbonden gevoelen en zich deswege in Indonesië in een uiterst precaire situatie bevinden, ten spoedigste de nodige hulp te bieden. Het was toch de Hoge Kommissaris, de heer Lamping, die indertijd de Indo-Europese Nederlanders te sterfcste aamgeraden heeft voor het Indonesische staaits'bungeirschap te opteren. Hij deed dit op het tijdstip, toen de optietermijn bijna verstreken was en nog slechts een Hein gedeelte van deze mensen het Indonesische staatsburgerschap hadden aanvaard. De heer Lampinig verklaarde zelfs, dat de Nederlandse regering bij herhaling als haar mening te kennen had gegeven, dat zij het gebruik maken van de optiemogehjkheid, het aanvaarden dus van het staatsburgerschap van het fouverein geworden Indicaiesië, voor de op Indonesië georiënteerdie Nederlandiens de meest natuurlijke oplossing vond. In overeenstemming hiermede beval de Hoge Kommissaris de betreffende Indo-Europese Nederlanders ten sterkste aan voor het Indonesisohe staatsburgerschap te iJdeizen. Hierop ziende behoort onzes inziens al het mogelijke te worden gedaan om de^ Be mensen, wier leven in Indonesië idhier ondiraaigjlijk geworden is, in staat te Ktdien, Indonesië te verlaten, al ver­ helen wij ons de moeüijikheden, waarover de minister heeft gebroken, niet. Ook bepleiten wij bij de minister de naturalisaties van de hier toegelaten spijtoptanten en anderen uit Indonesië te b^poedigen, opdat zij weten, waaraan zij toe zijn met betrekking tot htm nationaliteit. Zij hebben, zoals reeds bHjkt uit wast door mij werd opgemerkt, destijds niet uit liefde voor de republiek Indonesië voor het Indonesisches staatsburgerschap geopteerd, maar omdat de nood hen daartoe als het ware dwong. Wij zijn dan ook van oordeel, dat deïze mensen genaturaliseerdbehoren te worden en derhalve als gehjkwaardigen in de Nederlandse samenr leviriig behoren te worden opgenomen. Ook wensen wij bij de minister voor te staan, dat ten aanzien van de kosten, welke aan de naturalisatie verbonden zijn, al degenen, die voor naturalisatie in aanmerkimg komen, op voet van gelijkheid zullen worden behandeld. Het is nu toch zo, dat de spijtoptanten ƒ 200.— moeten ibetalen, terwijl de meerderjarige 'kinderen en de gelijikgestelden kosteloos genaturaüseexd worden. Gecden het grote leed, dat deze mensen hebben moeten doorstaan en nog doorstaan, waar zij van het land hunner geboorte afscheid hebben moeten nemen, omdat het leven daar voor hen schier onmogelijk was geworden, achten wij het alleszins biUijk, dat ook voor deze spijtopitanten de naturalisatiekosten zullen vervallen, terwijl wij bovendien voor hen een verkorting van de wachttijd aUeszins verant^A'aord en redelijk achten. Wat de ingediende moties betreft, daarover wensen wij eerst het oordeel van de minister af te wachten, voor er onze hou'diriig tegenover te bepalen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1959

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Justitie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken