Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

8 minuten leestijd

Maar op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft. Jesaja 66 : 2b

II.

Viai degenen, op wie de Heere zal nederzien, staat niet alleen geschreven dat ze arm zijn, maar ook verslagen van geest

Een verslagene van geest, dit doet ons denken aMi iemand in grote droefsnis en sdhrikkélijk leed. Een leed, dat zo aangreep, dat de geest er geheel door nedergedrulkt werd. En van zulk één eegt Salomo: Esn neergebogene van geest, wie richt die op?

Verslagen van 'geest is hij, die in bitter leed verkeert en alle troost mist; die in grote rouw en droefheid terneder zit. Dodh nu is er tweeërlei droefheid. Paulus zegt: De droefheid der wereld werkt de dood, maar de droefheid naar God weAt een onberouweHjke bekering tot zaligheid. En gelijk er 'bij een arme niet gedacht moet worden aan een aime in stoffelijke zin, EO ook hebben we hier te doen met een verslagene van geest, niet tengevolge van stoffelijke armoede of tegenslagen, niet om tijdelijk nadeel. Oo'k niet één, die be'droefd en verslagen is over de gevolgen van zijn schuld en zonde, maar over de zonde zelf. Hier geldt het woord van Jeremia: „Wat klaagt dan een levend mens? Een iegelijk klage vanwege zijn zonden".

Versfegenheid van geest, wie kent het niet? Wat al rouw en droefheid is er in de wereld. Waarlijk, als we zien al de jammer en al het lijden, dan zouden we geneigd zijn om te zeggen: de ganse wereld is één groot krankenhuis, ja nog meer, ze is één grote doodkist. Waarlijk, ons aller naam mag wel zijn: Ben-oni, Koon der smarten.

Doch de verslagenheid, in deze tekst bedoeld, verschilt hier grotelijks van. Immers, de verslagenheid 'hier is niet over de gevolgen van de zonde, maar over de zonde zelf. Het is een verslagene voor God, die onder zijn schuld en zcnde gebogen gaat. Dit is vrucht van ware zielsvemederende ontdekking, waardoor de ziel verbrijzeld is, waarom zij uitroept: .

Mijn ziel, gans neergebogen, Solirikt voor Uw alziend' ogen in deze jammerstaat.

Het is de verslagenheid des harten, gelijk we lezen van de Pinksterlleden: „Als ze nu dit hoorden, werden zij verslagen in het hart".

Met de tollenaar roepen zij uit: „O God, wees mij zondaar genadig". En met Efraitn: „Nadat ik met mijzelf ben bekend gem'aakt, heb ik op de beup geklopt".

Want waarlijk, als de 'Heere een mens ontdekt aan zijn armoede, zo wordt hij ook een verslagen© van geest. 2]o gïfflg het ook met de ibaUiugen ia Ba­ bel, die de gevolgen van him zonden, de ballingschap, zagen in het licht van him eigen schuld en verwerpelijkheid. Neen, niet het uitwendig vertoon van de eigengerechtige Jood, die ijverde voor de wederopbouw van stad en tempel zonder meer. maar de waarlijk gebogsne, die weende om zijn schuld en zonde, waarom 'hij de Heere oorzaak gegeven had tot toornen. En zo is het nog.

Wie hier zeggen zou: Ik heb Jezus zo lief. Ik heb zulk een lust en liefde 'tot de dienst van God, gelijk de vleselijke Jood, hierboven bedoeld, maar dan tegelijk moet betuigen nooit een walg aan zichzelf gèh'a'd te hebben, die misleidt zichzelf. Bij die is het niet meer dan verstandsbespiegeling. Want deel te hebben aan Jezus' borggerechtigheid, kan slechts volgen op een waarachtige ontdekking aan ; zidhzelf.

Verslagenheid van t; eest is ge.'n pes'-!' miisme, geen melancholie, oo'k geen medelijden met zichzelf of bang zijn voor de gevolgen van de zonde. Want al deze dingen vinden hun overeenstemming daarin, dat er geen leed is over de zonde als schuld voor God, geen breken met de zonde, geen droefiheid en bekommernis, die yitdrijft tot God en Christus.

Deze verslagenheid veronderstelt een erkennen van zijn schuld als gevolg van hartvemederende ontdekking. Een buigen onder God, Een toevallen van Zijn recht, zeggende: Heere, Gij zijt rechtvaardig en elk één Uwer oordelen is recht. Ja, dit zal dan ook niet anders veroorzaken dan hartgrondige boetvaardigheid, 'oveibuiging en vertedering, die zich openbaart in smeking en geween, en uitroept:

Zie op mij in gunst van boven, Wees mij toch genadig, Heer'; Eenzaam ben ik en verschoven, Ja, d' ellende drukt mij neer.

Doch die arm en verslagen van geest zijn, worden ook aangeduid als die beven vcor het Woord van God.

Van beven nu kan in onderscheiden zin gesproken worden. De dief, die op heterdaad betrapt wordt en overgeleverd wordt in de handen der rechtsdienaars, kan beven en sidderen. Als een schap verkeert in nood en stormgetij dan beeft menig passagier bij het zien van de geweldige golven en (het horen van 'het gekraak van het schip. Als in de dag der dagen aller oog Jezus zal zien op de wolken des hemels, zo zullen de goddelozen sidderen en 'beven voor Zijn ontzaggelijke troon, en zal het wezen: „Bergen valt op ons en heuveïen bedekt ons voor het aangezicht Desgenen, Die op de troon zit".

Zou het ziük een vrees Etjn, die hier bedoeld wordt? O zéker, er is grote vrees wanneer de mens Gods Woord in zijn ontdekking leert kennen. Als de Heere hem 'bekend maakt met zidhzelf, dan leert hij verstaan:

Mijn ziel, herdenk met heilig beven, Hoe God, met majesteit bekleed. Zijn wet op Horeb heeft gegeven, Daar Hij deez' woorden horen deed.

Als de Heere de wet geestdijk in ons hart verklaart. Als we Gods Woord niet op kunnen slaan, of wij lezen onze veroordeling. Wie kan voor God bestaan en leven? Doch daarmede is nog niet alles gezegd. Immers, het beven waarover hier gesproken wordt, komt voort uit vrees.

Nu is er drieërlei vrees. Daar is een slaafse vrees. De slaaf doet zijn werk en gehoorzaamt, niet uit liefde tot zijn heer of lust tot zijn werk, maar uit vrees voor straf. Zo is er ook menigmaal een slaafse vrees in het hart in tijden van oorlog en besmettelijke epidemieën enz, , doch als dergelijke oordelen maar weer over zijn, dan is het 'beven en vrezen ook iweer voorbij en is de mens de oude weer. Hoevelen, die op een ziekbed lagen, waren gekomen tot aan de oever des doods, waren benauwd, deden geloften enz., doch het is zo waar wat onze ouden zeiden: Menige ziekbedbekering blijft aan 'het bedsh'O hangen.

Daar is ook een 'knechtelijke vrees. Hier is 'Ijet niet om de straf te ontgaan in de eerste plaats, maar hier is het om loon te doen. Hier verwacht men het van zijn werkzaamheden, van zijn wettische woelingen en 'drijvingen. Hier •wordt het woord vervuld, door Jesaja gesproken: „Gij eist gestrengelijk loon op al uw arbeid". Neen, niet het beven voor schuld en straf, niet de kneöhtelijke vrees om zijn loon te ontvangen. Hoewel dit veelal en meestal dingen zijn, die voorafgaan. Dodh hier wordt bedoeld de ware kinderlijke vreze. Het is niet 'het beven van angst en ontzetting, maar een beven voor de hoogheid en waardigheid Gods. Het wil zeggen: een opzien met ontzag voor het Woord Gods.

Dit nu kenden de eigen'gerechtige en onboetvaardige Joden in Babel niet. Zij wilden stad en tempel opbouwen en zich daardoor verdienstelijk maken voor God; het was niet meer dan een knechtelijke vrees, geen buigen voor het Woord des

Heeren uit liefde tot God en Zijn geboden. Het woord des Heeren was tot hen gekomen. Dit was een woord van bevrijding. Ze zouden namelijk bevrijd worden uit Babel, en dat was hun één en 'hun al. En zo is het nog. Er is een beven voor hel en voor dood; een begeerte om in de hemel te komen; maar een hemelzoeker is geen Godzoeker, en alle overtuiging is nog geen overbuiging. 'Neen, het woord der bevrijding had meer tot inhoud dan alleen bevrijd te worden uit Babel. Het wil zeggen: die armen en verslagenen van geest zagen uit, op grond van de beloften Gods, naar de 'bevrijding uit het geestelijke Babel. Met dat woord waren zij geestelijk werikzaam en die bevrijding en verlossing zou alleen geschieden door Hem, van Wie dezelfde Jesaja profeteerde: „Een Kind is ons geboren en een Zoon is ons gegeven, en men noemt Zijn Naam: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst",

Weer verkeren we in de Adventswe'ken, Weer worxlen we gewezen op 'Hem, Die te 'komen stond; op Hem, Die komen zal, en op Hem, Die altijd door komt tot degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.

Welnu, in de weg van ontdekkende en ontledigende genade maakt de Heere altijd een onderwerp voor het Voorwerp. Tot de arme en verslagene van geest spree^kt de apostel van Hem, „Die om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was". 'Deze Borg te leren 'kennen, houdt in ©en arm en verloren zondaar zijn. Want:

Wie vlood er ooit naar Jezus heen. Als niet zijn eigen hoop verdween?

Zie hier dan gëteken'd dat volk, dat alle eigenwaarde, al wat ze zijn en niet zijn, verliest om de uitnemendheid, die in Ohristus Jezus is. „Armen heeft Hij met goederen vervuld, maar rijken heeft Hij ledig weggezonden". „Ik heb Mij overgefcouden een ellendig en arm volk, en die zullen op de Naam des Heeren betrouwen". Ja:

Ik 'ben nooddruftig, arm en naakt; O God, mijn Helper uit ellenden. Haast U tot mij, wil bijstand zenden; Uw komst is 't die mijn heil volmaakt.

En deze 'komst is Kerstfeest voor de ziel.

S'liedrecht

Ds. C. Smits

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1959

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken