Bekijk het origineel

Begroting van Defensie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Begroting van Defensie

22 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ir. van Dis

Het aftreden van heit vorige ministerie heeft 'onder meer tenigevoig© gehaid, dat ook m»isiter Ir. Staf als mimister van. Oorlog en Marine vei-vangeru werd door een andere minister. Eersit teaid als zodaniig op de beer van den Bergh, die eohter all heel spoedig ontslag nam wegens een echtscbeidiinigsproceduire in Amerika, waarna 'hij opgevolgd werd dooi-minii'siter Mr. Visser, idiie de begrotinig voor I960 tegenover de Tweedie Kamer te verdedigen had. Hij werd 'hierin bijgestaan door 'twee nieuwe staaltssiekrebarissen, de heren Calmeyer, een ou'dwluiitenant-generaal, en de Jong, 'die voorheen kapitein bij de Marine was, beéden alzo 'personen, die van de miHtaiiire aamgeleigenheden , goad op 'de hoogte zijn.

Een groot aamtal Kamerleden voerde bij de behandeling der Defensiebegrolfcinig het woord. Namens de frakitiie der S.G.P. werd 'dit gedaan 'door Ir. van Dis, wiens rede geen nadere 'toeliohtinig behoieft, daai' 2aj duidelijk genoeg voor zichzelf spreekt. We laten de rede 'daarom 'direkit onverkort volgen.

Ir. van Dis sprak als volgt:

Voordat wij er 'toe overgaan enkele ondeanverpen te 'bes'preken met betrekking tot 'de 'in behandeling zijnde begroting, wensen wij van 'deze gedegenheid 'ge-'bru'ik 'te maken om de nieuwe minister van Defensie, alsmede 'de beide nieuvs^ staatsisekretarissen, al daltgene toe te wensen, wat zij in de uitoefening van hun ongetwijfeld uiterst m'Oieiiujkie en verantwoO'rdeüjke taak vaih node hebben, 'bovenal ook, dat hët hun moige gegeven worden 'hun vertrou'wen niet op mensen te stellen, doch alleen op Hem, Die als Oppiersoeveirein ovei-leven en dood, over vrede en 'Ooril'O'g basichiikt.

Overeenkomsibig de steed's door ons gevolgde gewoonte zuïlen wij ons lOok ten aanzien van deze ministeir en de sltaatssekretarissen ontbonden van - aanvallen O'p of van bestrijding van hun personen, doch ons uitolun'tend bepalen toit heit beoordel'en van het door hen igevoerde beleid, waarbij de door ons •voonigesitane

beginselen

ons tot riciitsnioer zullen dienen. Hierbij zal het, naar wij verwachten, wel niet te vermijden zijn, dait wij ons op bepaalde punten met idit beJ'eid niet 'auUlen kunnen verenigen en ook niet nioigen verenigen. Het 'is ons voornemen, in het vervolg onzer rede nader op deze punten in te gaan., zo'dat het de regering dan duidelijk z: ai worden walt 'Ons hies-bij voor Oigen staat.

Voorop wensen wij te stellen datgene, waarin 'helt beleid van de regering onze voUe instemming heeft. 'Het beitirieflt de verdediging van ons land' tegen aanval­ len, van welke zijde 'die dan ook moigen komen. E.n idaar de dreiginig in 'onae tijd voom'amelijk van de zijde der landen ten oosten van het zogenaamde

IJzeren Gordijn

komt, zijn wij het geheeil eens met 'die pas, sa!ges in de memorie van 'toelichting, waarin de regerkiig verklaart, dat 'de noodzaaik voor het Wesiben om zich in ki-acbtige staat van militaire verdediging te houden onverkort blijft bestaan, alsook dat 'de 'wesitehjke Sbafcen gezamenlijk alleS' in het werk moeten sitellen tot behoud van vrede en veiligheid, al zouden wij hieraan weil wüï'en toevoegen, dat wij siteieds hebben te bedenken, dat het behoud van de vrede niet van mensen afhangt, m-aar van God, van Wie in de Heilige Schrift wondt betuigd, 'dat Hij het is, di'e de vrede miaakt en de oorlogen doet ophouden (tot aan het einde 'der aarde. D'at wij in dezien met de regering 'instemmen, vindt zijn oorzaak daaiiin, dat wij ni'öt het minste vertrouwen hebben noch in de in oniae tijd weer zo veelvuldig aanigeheven en zoveel 'opgang makende leuze 'Van algemene en volledige

ontwapening,

noch in de aangekondigde topfconferentie. noch in de velerlei betuigingen van vrede en vrienidsobap. Ook ten tijde, dat Hitler op het toppunt vam zijn macht stond, daverden 'diens redevo'erinigen van bet woord vrede en nog eens vrede, maar de praktijk wees uit, dat er voor - hem aJieen van vrede sprake kon zijn, wanneer alle volkeren van Europa aan zijn heersohiappij waien onderworpen. Zo geheel terecht werd reeds 'door ide kerkvadei"

Augustinus

in zijn geschrift „De Staat Gods" met betrekking tot die aards'C staat .geschreven, 'dat 'deze een soort aardse vrede begeert, 'die hij hoopt te beireiiken A< om zijn oorloigen, want als hij zagevieaft en eageen tagenstanidea' m-eer bestaat, dian is er vrede.

Wij zijn 'dan ook van oordeel, dait de landten van het Westen en dus ook de regering van ons land zich miiat belnoi-en te laten vea-leöden door de < yp ziahzelf zo aamlttrakfcelijike ontwapeninigsvoorsitelileni en da zo vriendelijk aandoende vredesvoorstellen van de zijde van de - zio sterk bewapende Sovjetstaat met zijn satellieten, daar 'dit zeer emsbilge 'gevoüigen - zou kunnen hebben.

Dat wij aangaande heit 'bereiken van gunstige resultaten met de nieuiwe ontwapeninigsvooTStellen igenierled venwaohtinig 'hebben, 'behoeft niet te verwonderen. Wat ds er 'in de tijd tuissien 'de twee •wettieldoorloigen al niet ilang en braedi ovei" ontwapeniinig igespamen, aowel in de vergademingen van de

Volkenbond

alsook in 'deze Kamer, twaarbdj de so'ciaiisten en de vrijzinniigHdemO'kraten destijds zelfs 'de eenzijdige onitwapeninig bepleitten en jaar op jaar tegen de oorioigsbegrotinig stemden! Het liep eobteir uit op een jammerlijke mislukking. Za iginig het ook met de onderhandelingen, weilke in de laatste jaaien tussen de veal: egenwoordagers der Sovjet-Unie en 'dar westeHj'ke mogendheden plaatsvonden. Ook deze 'leidden tot een volslagen fiasko.

Wij zien dan ook 'in de nieuwe 'Onitwupeniagsvoorstellen en in ai die vredesbet'uigingen niet meer dan propagandamiddelen om de volkeren te verblinden 'en voor 'Zich te winnen O'm aldus het doel, dat men naistreeft des te seonakkeiijker te kunnen bereiken. De

paraatheid

van 'de westelijke staijdkrachten is en büjft 'dan 'Ook een aangelagenheoid van de eerste ranig. Veoionachtizaniinig hiervan zO'uden wij een veczaikiinig aohifcen van 'de 'dure plicht, welke op ons volk rust om een vijandelijfce aanslag 'op het leven en het bestaan van zijn 'buiigars met Igebruik van wapenen te weerstaain. Te 'dezen 'Omschrijven wij ten voille het standpunt dei-

oude gereformeerde godgeleerden

en jwrislten, die leen oorlog niet slechts' geoorloofd, maar zelfs geboden lachtlten, wanneer deze •werd gevoerd ter vecdediginig van het 'bestaan, 'de religie en de vrijheid van een volk. Zij 'Stélden ziich hiermede tegen 'degenen, 'die met een beroep op het zeside igebo'd van' de wet Gods elke oorlog afkeurden, 'een bewering, die 'Ook na 'de eerste wereldoorlog opgang maakte in - de ikrinig ivan Kerk en Vrede, waarin mannen ials' pro'f. Heering, Hugenhoiltz, BuS'kes en Stegeniga een vooraansitaande p'laatsi innamen, en die men ook nu weer hoont verkondigpn. Deze bewering 'is echter in het licht dea-Heilige Schrift vo'lkom'en ongegrond, gelijk 'door

Calvijn

en 'door 'de oude gea'eformeei'^de th'eologen helder en klaar is aaiiigetoond. Zk) merkt Oalvijn in zijn „Insititutie" op, > dat de wet Gods wel verbiedt te dodten, maar dat voorts de Weljgever Zelf aan Zijn dienaren het zwaard in handen geeft O'm 'dit tegen alle boosdoeners te gebruiken. Vooiits merkte 'hij 'on'der meer op, 'dat de overheden, idie het zwaard in de schede en hun handen zuivei-van bloed zouden houden, terwijl de sibruikrovars hun dolken zou'den tiiefcken tot 'doodslag en moord, 'zich 'ZOidoende aan de groöts'be 'ongereolitigheid zo'udbn schuldig maken. Dientengevolge verklaai-die Calvijn dan ook, 'dait 'de oorlogen, die 'door koningen en volken som-'tijds moeten 'Ondemomen fwomden met het do'el om openlijk wraak te O'efenen, 'alleszins wettig zijn. En wat het be'roep op het

Nieuwe Testament

betreft, wiaarop veile voo'rstandei's van oenzijdfllge ontwapening en principiële dienstweigeraars zich ook nu nog beroiepen, 'daartegen voiarde Calvijn aan, 'dait de rodlen tot het voieren van ooflog, dfe in vorige tijden bestond, thans, nog aanwezig is en dat er geen reden is, waarosn de overheden zouden moeten ophouden 'hun onderdanen te beschennen. Te dezen verklaarde Ca-lvijn het geheel eens 'be zijn met de kerkvaidar Auigusitinuis, die er reeds op had .gewetzen, diat, indien de christelijke 'leer over eüce oorlag een veroordelend vonnis uaibspmak, aan de Romeinse forijigsliieden, die om ïaad 'kwamen vragen, wat zij doen moesten, veeleer zou zijn geantwoorf, dat 2aj 'de wapenen hadden weg te werpen en de 'kiijgsdienst geheel vaarwel behoorden te zeggen. Dit gebeurde 'ecshtar niet. Zij kragen ten lantwoord, 'dat zij niemand O'veillast zO'uden doen, 'dat zij niemand bet zijne zooden ontvreemden en vergenoegd zouden zijn met hun bezo'ldigingen. En zeer ad rem vo'egde Oalvijn hieraan toe: Die nu 'het bevel 'ontvangen mat hun soldij tevreden te zijn, WO'rdt waarlijk niet verboden krijg te voeaien.

Wij zouden deze opmerkinigen 'achterwege hebben kunnen laten, indien 'hetgeen wdj 'daarin naar voren brachten in onze tijd niat

uiterst aktueel

was. Nadi'ukkelijk wensen wij hierbij echter te verklaren, dan wij 'een aanvalsoorlog ter uitbreiding van gebied of om andere motieven, bijvoorbeeld ekonomische, of zo'als 'in'dertijd in Zuid-Afrika ter bemachtiging van' bodemrijkdommen, ten scherpste varoordelen. Wij zijn ei; echter ten volle van 'overtuigd, 'dat bij niet één land van het Waslben thians' het voornemen bestaat of zelfs maar het voornemen wordt igekoestand, 'de lamden achter 'het IJzeren GoirdSjn aan te vaUen. Heel 'de bewapening, waarvoor de vol*keren 'Ook thans zulke igrote offersi moeten brengen, zien wij dan ook als een noodzakelijkheid ter

afschrikking

van een eventuele 'aanvaliler en aldus in 'bet belang van ; de vrede en de veiligheid en teir verdediginig van-.de vrijheid, di'C wij niet zo maar aooidar enig verweer wensen prijsigegeven te zien. Integendeel, wij achten het een van Godswege geboden plicht ons volk te beschermen tegen een buitenl'andse inidrin»-.gei\ Ons zelfstandig volksbestaan, dat ons als 'kostbaar igeschenk Godlsi door onze vaderen rm. - een .harde strijd van tachtig jaar is najgalalten, mo'gen wij niet onverdedigd en 'open laltien liggen voor een vijandeHj'ke invall. D'aarom hebben wij onze 'stem, al waiien .de lasten zwaar, nimmer aan de uitgaven voor onzje defensie onth'ouiden. Deswege hebben wij ons ook nooit verzet tegen een bondgenootschappelij'ke ovei^eienikom'St en een gezamenilijik 'Op'trekken met andeire volkeren tegen een igem'eenschappelijfce 'belager, gehj'k 'dit door de N.A.V.O. wordt beoogd.

Terecht wondt aangaande deze N.A.V.O. in de memorie van antwoord londer no'. 36 'Opgemerkt, 'dat deze instantie een bondgenootschap en

geen supranationale organisatie

is. Daaa'om hebben wij 'ons idestijids wel verzet tegen de EuropeS'e Defensieigemeenschap, 'daar dit .geen bondgenootschap, maar een supranationale organisaitie was, 'doch niet tegen 'de N.A.V.O. Ook te 'dezen kunnen wij ons beroepen op de Heilige Schrift, waarin melding woixit gemaakt van een verbond, dat Abraham tegen een gem'eenscbappelijke vijand sloot mat de .drie 'heidensie vorsten Aner, Esikol en Mam'ré. Cal'vijn verküaaai: dan ook 'dienovereenifaom.'stiig, dat veibonden, waarondeii-hij verstond 'de 'ovareeniloomslben, .die door 'naburige vo'rsiben worden aangegaan, om, 'aJs' er enige beroerte in hun gebiied m'Ooht 'ontstaan, elkiander onderllnige bijstand te bieden en hun fcradhten te veiienigen 'tot ondea"drufcking van de gemene vijanden, ten vo'lle igeoorloofid zijn.

Thans overgaande tot enkeJe ajudere onderwerpen, wensen wij aHereerst enige opmerki'ngen te ma'ken' inzake de

lasten,

walke 'de verdediginig op ons volk lagt.

De lasten zijn indieirdiaadi zeer zwaar. Zij bestaan uit het opbrengen van belastinggeldien en voorts uat heit vecvuiüen] van die dienstplichit.

De financiële iaisten hebben voJigeniS die begrotinig een hoogte van cirka 1, 7 miijard igulden berete. Het is echter te voorzien, diait deze lasten lin de nebij© toefcomsit nioig zwaarder zuUen worden. Wij wijizen slechits op de noodzaibeHjike vamieuwing van ide veroudieiide vMagtuiigen, dae een som van oeigeveer 1, 5 miljard gulden zal eiisien, op idie evenituiele verkoirting van die 'diensttijd, lop de aanschaffinig van gepantserde peirsoneelscamieirs voor aiïïe 'unfanitemie^enhedien van de parate troepen, 'Op de aanschafikw van nieuwe geweren, op het vervanigen van de lichte tanks der pantsertroepen, en nog zoveüe andere zaleen meer.

De finiancieriag van (diit alles stelt de regeirinig ongetwijfeld voor ^grote moieilijkheden, te meer, waar volgens^ de berichten van de zijde van de

Verenigde Staten

verminderinig van de bijdragen aan de Wesiteusropese veirdediging te verwachten is. Gaaim© zouden wij van de regering wnMen vemiemien of deze belichten juisit zijai en, zo ja, of reeds bekend is in weïï«e mate Amerika zijn bijdlraigpn wil gaan veiTuiindei-en. In dit zelfde verband zou ik ook gaarne niog het oordeel van de regei-iiig vernem; en anzake de zienswijze, die o.a. in ©en geschrift van Mr. Heinsius, dat aan alle Kamerleden ds toegezonden, ds weergegeven, namelijk dait Amerika het •sitreven, vertoont aich «it Europa te willen gaan temiglirakken uit vrees voor de lange-afstanidlsrakeitten van' Rusland, wanneer Amerika deae aou Sjebruiken ter verdediiginia; van andetie gebieden dan Amerika zelf.

Zoals reeds opgemerkt, 'heibben wij ons tegen 'de lasten, welke de 'defensdie 'Op oais volk 'legt, nimmer ver7: et. Wanneer wij in aanmenking nemen de

ontzaglijke bewapening

van de Sovjat-Unie en haar satellieten, zowel wat mankracht aiLsi technisiche uitrusting en de '^Itervreselijikste kernwapens bati'cft, dam zou het wel 'hoogst oniverantwoo'rdehjk zijn op de dafensieiiibgaven te gaan beknibbelen, al is er, gezien 'de draagkracht van ons volk, een grenis. Het is echter wel beslist noodzakelijk, idat de uitgaven nuttig en lOp verantwoorde wijze wo'rdteni besteed'. Er zai zich geen herhaling mogen voordoen van voorvallen als bijvoorbeeld de hehnenaffaire en de 9 chassis met lier, waarvan in vraag en 'antwoord 'onder oO'. 3'5 sprake is. Ook itegen het 'roekeloos omspringen met het materiaal zal nauwkeuriig 'dienen te worden gewaakt.

Voorts 'hebben wij er steeds sterk voor gepleit, 'dat bij 'het vervaa'rdigen van materieel van welke laard 'dan ook, zoveel moigeüjk de

Nederlandse industrieën

zullen worden ingeschakeld. Oo'k ten aan'zien van de 200 'aan te schaffen nieuwe straaljagers, waaiwei-'de regering binn'enkont 'een besilissing moet nemen, staan vrij dit voor.

Voorts is het voo-ral van zeer groot belang, dalt de landen, 'die van de N.A.V.O. ded uitm-aken, het onderling eens zijn. Hieraan ontbreekt helaas nog maar al te veel, zoals 'niog onlangs bleek in die raeningsvers'chillien met betrekkinig tot de Atlantische defensie (tussen Pranknijk en West-Duitsland. DergeHjke meninigsversöhillen aohten wij fimest •vooir 'de vorming van ©en hecht, vastberaden front.

Vervoligens achten vrij het van zeer 'grO'Ot belang, diat alle landen naar varmoigen tot die N.A.V.O. bijdraigfen en die aange­ gane verplicbtingen nakomen. Uit die staat, weike de minister in de memotóe van toeMchting 'gegeven heeft betreffende 'de 'defensie-inspanininig der verschillende N.A.V.O.-laniden, blijkt ©dhter, dat

België

over 1958 belangrijk minder bijdroeg dan Nederland. Ook ten aanzien van de diensttijd' - geeft het optreden van België te ideniken. Bdigië toch heeft reeds twee achtereenvolgende diensittijdverkoirtin-.gen 'doo'Hgevoerd, eUc van dttie maanden, waardoor de 'diensttijd aldaar sedert 1 oktO'ber j.l. nog slechts 12 maanden beidraagt. Het is niet tegen te spreken, dat België hiennede zijn verplidhtinigen niet 'is nagekomen. Dit was-trouwens reedsi het geval bij 'de eerste verkoitinig tot 15 miaanidlen, welke 'zorader overleg met 'de N.A.V.O. tot uiitvoeaiinlg werd gebracht. Nu zijn ook wij igeenszins tegen verkorting van de 'diensttijd. Wij hebben 'hiervoor zelfs meermalen het pleit in 'deze Kamer igavo'erd. De pairaat-'heid' van ons leger mag hierondei-niet hjden, maai-wij menen, 'dat het, zondeir die paraatheid aan te tasten, zeei-wel moigeiHjk ds tot

verkorting van de diensttijd

over ite 'gaan. Het is tooh zo gesteld, dat volsitirekt niet lalle tijd, die de 'dienstpJichtige militairen in 'diensit doorbienigen, op nuttige wijizie besteed woidt, zoals meermialen 'door deze militairen zelf verklaard - is. Zij zijn 'dan 'ook van oordeel, 'dat, indien all© tijd in de dienst gO'ed werd besteed, hun dienisibüjd aanmerkelijk verkoit zou 'kunnen wordlen. D'at hdiemi'aar door 'hen alsoo'k door 'hun' ouders en weiikgevers verlanigdi wondt, Mgt voor 'de hand. Groot zijn 'de offers, die 'de miilitaiiien vo'or 'de 'huiddige, lanig© di'enjsttijd hebben o-p te brengen. Het zou dian 'Ook een grote verlichting zijn, ^vanneer 'de regering 'tot verkoitirag van de diensttijd zou kurimen besAuiten. Wanneer bet in 'andere landen w^el kan, waarom kan 'het hier 'dan niet? Inmiddetfe' is inzake deze kwestie 'een rapp'o-rt verschenen van de 'daartoe fagestelidie

kommissie-Van Voorst tot Voorst.

Uit 'het antwoord van ide minister op de hem 'gestelde vraag, wanneer een bestesinig omibrent de linh'oud van 'dit rapport 'kan worden verwacht, blijkt echter, diat de regering hieromtrent nloig igeen beslissing 'heeft igenO'men. Wij zullen idieniaanrgaande 'dhis mo'eten wachten totdat de door de régai-ing aangekondigde defensienoita in 'de eerste hettt van 19G0 zal versohenen zijn.

Een volgend onderwerp, waarover wij, het thans willen hebben, 'betreft de verdediging van

Nieuw-Guinea.

Te dezen handhaven wij 'onverzwakt ons standpunt, - dat 'die verdediging zo goed mogelijk behoort te zijn. De weerbaarheid van 'dit 'gebied moet 'op zodanig peil zijn of gebracht warden, dat een in'diTOger zich er-voor wachten zal eiibinnen te vaiUen. Op verklarinigen van Indonesische zijde, zo-als nog maar enke-'le 'dagen geleden tagenovea-de Ausibralische premier 'Cr één werd afgelegd, n.l. deze, 'dat men ©r niet 'aan denkt geweld tegen Nieuw-Guifl'ea ite igebnuiken, is, gezien 'de voorheen lO'pigedane ervaring met beloften en verldlarinigen van die zijde, niet de minste staat te miaken. De grote tfoiepenkoncentrabie op het eilan'd Ambon bewijst ook wel, idlat 'het gevaar voor een aanval op Nieuw-Guinea alerminst tot 'de onmioigelijkheden behoort. Daarbij komt, dat volgens! ide laatste berichten ook O'p Ambon siterk met de leuze „Verovert Irian" 'gewerkt woïdlt, terwijl Soekamo bij 2djin laatste bezioeik aan dit eiland ide Molukkers toe|geax> eipen heeft: „Vóórdat in 1961 die haan 'kraait, zullen wij Imam veroverd hebben". Een dergelijke verMaring uit de miand' van de

Djakartase diktator

zelf is dus wel 'in flagrante tegenispraak met de veiikl'aminig, - dat men aan leen - gewapende aanval op Nieuw-Guinea niet denkt. Wanneer 'de minister dan ook in 'de memorie van antwoord 'aanigaandie de verdediging van Nieuw-Guinea opmeakt, dat er 'in het 'begin van dit jaar 'hiervoor 'bijzondere maatregelen zijn igeiio-men, heeft idit onze voUe goiedkeuaing. D'at h-ierover 'geen 'gedetaMleerde (geigevens kunnen worden verstrekt, vinden wij v.amzelfsprekend, doch wel bepleiten wij, dat - de 'grootst mogelijke wiaakzaamheiid zal worden betracht en 'dat de vendedi-•gingsmaaitragelen zo effektief moige-Hjk zuMen zijn.

Overgaande tot een volgend ondenwei-p, wensen, wij thans bij de minister te bepleiten het daarheen 'te wMlen 'leiden, dat 'to'oh - de 'dienstplichtige indliitairenzoveel mogelij'k zullen worden 'ondergebracht in 'een

garnizoen

in de buurt 'of 'althans niet te ver van: bun eigen woonplaats. Wij - houden' ons er van overtuigd, - dat - dit 'de - goede geest in de militante dienst ten zeea's'te zou bevorderen. De 'Opoff'ari'nigen; , - die - de mili'taire idienst vraaigt, zouden hierdoor in. geen geringe mate vetnklleinid woirdbn, diaar dan 'de band tus'sen de militaii'en en hun-ouders en andere betrekkin'gen in raim-ere miate lin s'tand - gehouden zou kunn-en worden 'dan thans 'het geval is, v/aarbij het voorkomt, 'dat militaiien uit 'Groniagen helemaal in - bet zuidlen des lands worden ondergebra-cht, in een-omgeving, waar zij zich, ook in go-dsidiensitdg opzicht, 'helemaal niet ifchuis gevoelen. Dit m'o-et ar-wel toe bijdiraigen om de 'afkeer van de m'ihtaire - ditenst te 'bevoiidei'en, wat in hoge miate funest moet vlerken O'p 'de idienstveririohtinigen. Wijhebben 'Wiel 'begrip voor wat ide minisiteitegen 'het tot hem te idezei-zake onder no. 171 van bat voorlopiig verslag gerichte verzoek 'inbrenigt, maar vrij zouden 'er toich op wil'len aanidtringen in-het vervolg met deze wens der m'iHtairen en hum ouders meer rekening te willen houden 'dan onder 'de am'btsvoorganiger van de minister het geval was.

Een - andier punt, waaa-over wij enkele opmarkinigen wiHen maken, betreft het

kafetariasysteem.

Hierover wordt nog steeds stenk geklaagd, 'daar idit systeem eeni sterke 'be-'lemm'ering vormt voor 'het gebed vóór en na - het eten, zowel door de herrie, welke ©r in' - de eetzaal heerst, aht door-'dat '.alles in een .gejaagd tam-po geschiedt. De minister - geeft op - de hem 'gestelde vraag wel - ten antwoord, dat hij in, 'de onmogelijkhieid verkeert met het kafetaniasysteem te breken, miaar het wil 'ons voorkomen, dat ook te decaen \geldt:

waar een wil is, 'is een ovag. Wij kunnen dan ook niet nalaten, gezaen 'de zeen" ernstige bezwaren, •welke er jarenlanig aieeds 'en 'ook thans nog steeds niet alleen bij die i'agere, maar 'Ook bij 'de hogere miliitairen te'gten 'dit systeem 'bestaan, een beroep 'op - de miniister te doen om het kafiet'ari'asysteem te vervangen door een andere methode, 'Waai-bij het bestaande vo'orsdhrift tot bet in a-cht namen van enige oigenblikken 'stüte vóór en-na de maaltijd in adht igenomen kan worden.

Vervolgens wensen wij 'bij de ministei' 'op te 'koimen voor een strengere nalevinig van 'het reglement beti-effende de KiijgS'tucht, waarbij, zoals de minister in ide mtemiorie van iantwoord mededieelt, het

vloeken

verboden is. Wij zijn de minister zeeiea'kentehjk voor het uitvoerige antwooixi, dat 'door hem in'zafce deze aanlgefageixhei'd op de hem gestelde vraag gegeven is, maar tooh lang niet voldaan, . Het betreft hier toch geen iger'inge, maaa-een allergewichtigste zaak, nam'eHjk het misbruiken van Gods heilige Naam, waarvan de Heilige Schuift lons leert, dat düt één va, n de 'gi'ootste zonden is. Als doeniaress'e Go'ds rust op de ovei-heid de diure pMcht hiertegen kraobbilg op te treden. De minister merkt nu wel op van meninig - te zijn, - dat het euvel van het vloeken zich in - de - krijgsmacht niet ergerdemonsitreert dan in de burger-maatsohap'ppij, maar dit ontslaat 'hem als vertegenwoordiger - dar overheid niet van het nemen Van inigiijpende m-aatregelen-op zijn terrein en dat zowel tegen meerderen als minderen. Het komt toch vaak voor, 'dat ineeiidei^en de gewone soldaten m-et vüiO'eken overladfen. De soldaat - kan hierover-wel zijn beklag indienen, maar dan 'komt hij terecht bij de persoon, - die > de vlo'ekerï 'heeft 'geuit, wat deze 'dan tot 'de één of ander© voa-m van wraakneming aanzet, indien er van de 'klacht al iets-ter-echtkoimt. Wij zijn daarom van oordeel, 'dat een

krachtiger optreden

tegen 'het vloaken noodzakelijk is, desnoods de strafivaroirdeninig, - dat, wanneer een militair vain enige rang halsstarrig blijft vloeken, hem voor het front der troepen de epauletten - ontnomen 2? uMen worden wagens schending van de aülerhcogste Majesteit. O-ok behooat bij 'de beoordeling 'inzake bevondiering tot een hogere rang - dit punt in aan-merkinig te worden igeniomen.

Een ao'diere aangelegenheid betr-eft het dienst 'doen op zondag bij 'O'efend'ngen in internationaal ver-band. V/ij hebben goede niota geno'meii van 'de miededeling van de minister, dat hij evenals zijn voorgangers-'Steeds 'zoveel - doianlijk wil 'bevoiideren, - dat bij 'initenniationaile 'oefeningen o-p

zondag

geen - düensiten-door militairen wordenverricht. Toen echter 'onlanigs militairen van de intemiationaile 'Oefendnig te La. Oo'urtiine huiswaarts keerdien, werden toch 'bepaaldle miMtair'en, o.a, di'C bij die radio werkzaam zijn, verplidht des zondags - dienst - te verrichten. Ook bij een sohiet'Oiefeninig in Duitsland is het onrlangs voorgekomen, 'dat op zondag 'diensten moiesten worden verricht. Wij achten het 'onize p'licht 'deze fejiten onder die aandacht van de minister te brengen met het verzoek te wtilen bevorderen, •dat de komman'danten bij •volgendle gelegenheden ide m-ilitair^en geen - diensit op zond'ag laten ven^iichten.

In aansluiting hieraan bepleiten 'wij voorts, 'dat idie militairen, 'cüe bij de 'htiidige ver^ilofregeling om pirineipiële, godsdienstige redenen van hun ver-lof geen gebruik will'en en kunnen makeni, omdat zij - dan op zonidag zouden m-oeten r'edizen, in 'de gelegenheid zullen - worden gesteld des

maandagmorgens

teruig te keren. De ministar 'heeft iii de memorie van antwoord dienaanigaanide O'pigem'erkt, dat er aan de besitaan'de regeünig geen uitbreiding kan worden gegeven, aangezien 'hierdoor die dienst bij de 'opleddingseenhedlen 'op maanidaigmOrgen te veel zou 'stagn'eren en aangezien de - voor 'die opilaiding toch reeds te beperkte tij'd 'geen verdere vemi'inidierinig toelaat. Wij zouden hiiar echter t^gpnover •willten steHien, 'dat het ons is gebleken, dat er kommanidanten zijn, die, wapneer zij er van 'overtuigd waren, diat het een miMtair 'ernst was miet zijn bezwaren om 'Op zondaig te reizen, aan deze müitaiT verlof ga-ven dias' maandagm'orgens naar zijn igam'izoen terug te keren, Varledien jaar vemaaien wij vaa een vadier, die bezoek aan huis Joreag vaa de koimnainidaiMt van zijn. zoom om. over dieze aanigaiqgeniheddi ite spraken. Het rasuiltaait was, dat die miilStair heit igevraa, gdie verlof om dies maandaigs teaiuig te moigen keren, werd tcxagestaan. Wat m ddit en in aoidare gevalteii wel ikaoi, ZOOI voor : alte amdere militairen ook zeer goed 'kuTunien. Daaxom bepdeiten - mj met aJJle nadnik trij de miniister, te wiUien 'bevorderen, dat die müatairen des maanidaigmiorgens mat de eerste galegenhedd zullen moigen ter.uigkeiren, waardicxwr 'heit hun mogelijk zal 'woirden igertiaakit, van 'him verlof gebruik 'te m'aken, 'daar 'het thamis toch zo 'is, dat vale miM'bairen, ddie wegens hun .godsdienstige overtuiginig des zondags niiet willen en oiet ikunnen reizen, in 'hun gamiiaoenspil'aats moeben 'blijven. Wij bepleiten 'dit 'dies tie meer, daar aan room's-kathoMake miütaiiren wel verlof wordt 'gageven op

rooms-katholieke feestdagen.

Ons 'is zelfs medegedeeld, dat er dan ook helemaal niet zo nauw wordt gekeken, aJis deze miilitairen de volgende dag later in hun garnizoen komen.

De heer Fens (K.V.P.): U doet de komm'an'dafflten geen plezier met bet verteillen van deze verhalen, w; a!nit als dit wordt uitigezocht, zullen izij 'waar.sichijnlijk op het matje worden 'geroepen.

De heer van Dis: Wij hebben dit al zo dikwijls gedaan en wij hebben er noig nooit iets van gehooidi.

De heer Fens (K.V.P.): Dit aou toöh weleens kunnen gebeuren.

De heer van Dis; Ik hei'haal, dait 'wij eanog nooit iets van hebben gehoord; dk heb itromv'ens ook geen nasnen genioenwi.

De heei-Fens (K.V.P.): D'aar koirat men dan wel achtea-.

De heea-van Dis; Daar ben ik 'iiaet bang voor. Vervolgens achten wij het ter 'bevoaidenimig van de igoedie igeiesit en 'het miorele pedl dn heit lager 'drinigenid' noddg, dat er ten behoeve 'van 'die gehuwde beroepsmilitairen

meer woningen

beschikbaar komien dan tot op hedien helt igeval is. Het is nu todi 2», 'dait door taJirijilae overplaatsanigen en gebrek aan woonigalegenihaid zieer vele miMtaorea van bun igezineen zijn gesohedden, hetgeen in vele gevallen tot gezinsontwrfahtinig leidt. Nu erkennen wij ten vofe, dat 'het woninigvraaigsituk voor de mili-'tairen maar niet zo één tw'eie, dirie is op te losisen bij de huidige woninig|niood. Laat de iregerinig 'dan echter in iedier geval dIeze militairen door het geven van vrij vervoer in staait stellen, naar 'huis te gaan-. De verdiensten dier ondaroffacieren zijn 'tooh niet zo ruim, dat zij de kositen van vervoer zelf kunnen betalen in de week, dat 2a} geen vrij vervoer hebben. Wij bevelen dieze aamgelegenbaid dan ook ten zeerste in die aandacht van die minisiteir aaii. Een volgend ondiai'werp, waarover wij enkele opm'erkinigen wensen te maken, betreSt die

bevordering

van militairen tot hqgeire raangen. De minister deelt dienaamigaandle in. ant-W'Oord op vraag no. 190 medie, diait hij van mening 'is, dat 'de bas'iskeniniis van offioieren, uit ondeiioffioiersiranigen voortgekomen, een benoeminig tot hoofdofficier niiet webbigt. Het komit onisi voor, dat de min'ister zioh in 'dezen toch wel veel te algemeen beeft uiögesprokien. Wij ontkennen geenszins, 'dat 'ar 'bij de huidige stand van zaken van een hoofdioffici'er veel meer geëisit wordt dan ten tijde van Napoleon, die er van uitgin'g, dat elke soldaiat 'de niiaarschalksistaf in zijn ransel heeft, maar het innemen van een zo absoluut staaiidpunt, als dit door de minister wordit igedlaan, aohtien wij toch te ver gaan. Hoeveel personen zijn er niet, 'die het in het miaat-.sdia'ppelijk leven zeer ver igebrachit hebben, sioms van sohoenpaetser of boadieu'wa.s.ser tot multómiljonair zijn opgeklommen, doordiat zij basohibfien over talenten, die wellicht menige hoofdofficier, die van j'ongsaf 'een voortreffeMjke opleiding heeft gehad, mist. Dergalij'ke personen zoolden in 'de hogei'e rangen toch zeer geschikt zijn bijvoorbeeld voor de Dienat Materieel Land-en Luchtma'obt en Marine.

Wij bepleiten dan ook, dat de minister het dloor hem gegeven antwoord nog eens in ernstige ovei-^vaging zal nemen en de mogelijkheid zal openüalten, uitzonderlijk begaafde offirferen, die uijt de ondlerofliiciersrangen zijn voortgaloomen, vtxw bemoeminig in de hogere rangen .in aanmerkinig te 'doen komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1960

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Defensie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken