Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

9 minuten leestijd

II.

Ik, ellendig mens, toie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?

Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere.

Zo dan, ik zelf dien tvel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde. Romeinen 7 : 24-26

Bij Paulus was het zo, dat in die behoefte aan reiniging van de smet der zonde idjn hoop alleen gevestigd was op Christus, en dat juist vanwege de diepe ontdekking van zichzelf en het inklevend bederf der nog zo zeer verdorven natuur. Christus wordt voor dat volk noodzakelijk en onmisbaar in het stuk der heüigmaking, want er kan ook verachtering zijn in het leven der genade bij Gods volk, maar dat is heel iets anders dan ontdekking.

Verachtering is het als men urenlang over de zonde kan praten, zonder de onmisbaarheid van het allesreinigend bloed van Christus te gevoelen. Ook als men voor ontdekt wil doorgaan en het in waarheid niet is. Als men het van zichzelf nog zo goed gelover. kan dat men een ontdekt mens is en dat Gods genade in het hart verheerlijkt is, ondanks dat men zo ver van God afleeft, dan is het maar een nare geesteloze toestand.

Ontdekking, door de Heilige Geest gewerkt, leidt de ziel in de diepte der vernedering. 'Met heilige schaamte en ihartelijke droefheid belijdt 20 iemand zijn eindeloos gebrek voor God, en dan juist is men in de goede gestalte om door oefeningen des geloofs gebouwd te worden als een levende steen, gelegd op het fundament der zaligheid Jezus Christus. De ware ontdekking neemt immers alle steuosels en leunsels buiten Christus weg, maar doet de 2del dan ook alleen zinken op 'Hem. En als Paulus zegt: „Wie zal mij verlossen? " dan is dat niet een vraag uit onwetendheid gedaan, en niet een vraag van een pasbeginnende christen, die in twijfel verkeert. O neen, hij wil de grootheid van de verlossing, die in Christus Jezus is, juist daardoor te meer aantonen. Hij ziet de zonde als één lichaam. Hij doelt niet op zijn eigen lichaam, van vlees en Woed en beendefsn, dus stoffelijk zijnde, en hij 'heeft het hier niet over het sterven, als verlossing van het lichaam, maar hij spreekt hier over het verlost worden van het lichaam der zonde.

En wie zal nu zulk een ontdekte ziel van die macht, van dat lichaam der zonde Kunnen verlossen? Waar zelfverbetering ïs afgesneden en mensenhulp ijdelheid is, «n waar de ziel bij voortdurendheid meer aan de iware aard van de zonde ontdekt wordt, daar wordt Christus steeds meer noodzakelijk en dierbaar, omdat het geloof in Christus alles ziet wat ter verlossing onmisbaar is.

En waar Christus Zich ontdekt in Zijn ambtelijke bediening, en dat Hij als Sions Koning machtig is om de kracht der zonde te breken, mag de ziel van Gods kind de klacht over het iaederf paren aan de blijde roemtaal des geloofs. Die Koninklijke macht van Christus wordt dan ook ervaren in de ziel, naar mate het geloof zich op Hem verlaat en van Hem en Zijn eeuwige volheid gebruik maakt. Hier is een mens aan het woord, die weliswaar zich kent als een ellendige in 'zichzelf, maar die ook kennis heeft aan de verlossing, die in Christus Jezus is. Gelijk in het stuk van de rechtvaardigmaking alles van de mens te kort schiet om de schuld te verzoenen, waar Gods recht voldoening eist en een afsnijding plaats grijpt van alles wat van de mens is, en de verdoemeHjke zondaar alleen door Christus' offerande verlost wordt van de vloek der wet, en vrije genade verheerlijkt wordt, zo is almede Christus onmisbaar in het stuk van de heiligmaking. De wet eist van Gods volk als de wet der Hefde het volmaakte in delen en trappen, want ook als wet van het genadeverbond in het stuk der dankbaarheid laat' de wet haar eis niet vallen, te weten om God lief te hebben boven alles en hun naaste als izichzelf. Die volmaaktheid nu is in dit leven niet te verkrijgen, want de allerheiligsten, zo lang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel van deze nieuwe gehoorzaamheid. Wat ook dwaze volmaaktheidsdrijvers van een volmaaktheid hier op aarde mogen dromen, Gods ontdekte volk leert het wel anders. Eén slechts was volmaakt, namelijk Christus, waarvan de opstanding uit de doden het bewijs was voor engelen en mensen, omdat het leven alleen beloofd was op de volmaakte onderhouding van de wet. En waar Christus bij Zijn hemelvaart Zijn kerk heeft meegenomen naar de hemel, als hun plaatsbekledend Hoofd, is Gods volk in Hem volmaakt. Door het geloof verenigd met Christus, verkrijgen zij de gfflneenschap met God en het beginsel der heihgmaking door de Geest van Christus.

Zo wordt Hij voor dat volk alles; de grond van hun rechtvaardigmaking en de krachtbron, de stuwkracht van hun heiligmaking. Paulus wilde zeggen: Hoewel in mijzelf nog ellendig door inwendig bederf, zo roem ik toch in Christus, want gelijk Hij met Zijn lijden en sterven mijn schuld betaald heeft, zo heb ik ook in Hem mijn reinigmaking. Hij is mijn leven, op Hem .steun ik, zowel in het één als in het ander.

O, welk een blijmoedig leven, ondanks aUe verdrukkingen, die hij had moeten ervaren. Hoe getuigen al zijn brieven van die bhjmoedigheid en van die gemoedsrust, dat geloofsvertrouwen, zelfs in de diepste nood en de zwaarste Strijd. De blijdschap in Christus, zijn liefde tot Christus, hoe ihelder stralen ze door in al zijn betoog. Altijd is Christus de inhoud van zijn Avoord; alles komt op Christus uit, of hij het heeft over verzoening of over verlossing, beide in rechtvaardigmaking en heiligmaking, altijd en overal is Christus hem het Voorwerp des geloofs.

En dit is een voorbeeld voor al Gods volk, en wat Paulus in zo ruime mate had van deze geloofsgemeenschap met Christus, verkrijgt al Gods volk, ook in deze tijd, hetzij in meerdere of in mSndere mate. EUendigen in zichzelf blijven zij tot aan het einde van hun leven. Wel zijn alle mensen ellendigen, omdolende buiten ons oorspronkelijk vaderland als ballingen vanwege onze afval van God, maar van nature kennen wij noch de staat onzer ellende, noch de oorsprong onzer ellende. Zorgeloos gaat de mens daarheen, zelfs al leeft men onder de zuivere verkondiging van Gods Woord en al heeft men ook nog zulk een zuivere belijdenis. Volkomen blind voor de naamloze geestelijke ellende, gaat de mens door het leven alsof er geen dood en eeuwigheid aanstaande zijn. Gans onvatbaar voor Goddelijke zaken, leeft men bij de dingen van deze wereld en zonder ; og {e hebben voor de gevaren, die de riel bedreigen.

De zonde wordt licht geacht, alsof het een kleinigheid zou zijn om te zondigen tegen een heüig en rechtvaardig God, Die de schuldige geenszins onschuldig houden zal, ja Die de zonden haat en straft. De Schepper en Formeerder van al wat leeft. Die de adem, het leven en .ille dingen geeft. Die in Zijn lankmoedigheid een goddeloze mensheid draagt door het Woord Zijner kracht, zulk een heerlijk God durft de mens te tergen met Zijn zonden en dwaasheden. De mens durft Zijn vreselijke toom te trotseren. Zijn iwraak te tarten. Hoe peilloos diep is de val des mensen!

En wordt de zonde niet betreurd, de onmacht onder de heerschappijvoerende kracht der zonde evenmin. Al praat men over zijn onmacht om op bedekte •wijze de schuld op God te werpen, al weet men met een zuivere belijdenis van de doodstaat zich te ontvirringen aan de greep van de waarheid in de consciëntie, men kan er nog rustig mee 'blijven doorleven in de zonde en men iheeft gans geen last van zijn geestelijke omnacht, waar wij in gekomen zijn door moedwillige ongehoorzaamheid.

Zo lang de mens niet door de Heilige Geest ontdekt is aan zijn onmacht, moest men er niet eens over durven praten!

En de straf, die noodzakelijk op de zonde volgen zal, omdat God anders geen God zou kunnen 'blijven, wanneer wordt daar nog eens op de juiste wijze over gedacht? En a] is er enige slaafse vrees voor de eeuwigdurende straf der zonde, het komt al voort uit eigenhefde en zelfbehoud, maar of God aan Zijn eer komt in de handhaving van Zijn recht, wie zou zich dat van nature aantrekken? Hoe nodig is het dat de mens door de ontdekkende bediening van de wet en door de kracht des Heiligen Geestes aan zijn ellende 'bevindelijk kermis krijgt, tot ware vernedering en verbrijzeling des harten en tot wegneming van alles wat zich in het hart verheft tegen de heerschappij van Christus. En niet alleen is nodig zaligmakend ontdekt te worden aan de geestelijke ellende, maar ook is onmisbaar de openbaring van Christus in het hart door Woordden Geest.

Immers al Gods volk leert er wat van, dat door de werken der wet geen vlees kan gerechtvaardigd worden voor God, maar dat alleen in Christus' offerande een weg ter verlossing ontsloten is voor arme, gans verlorenen in zichzélf. Hoe meer kennis van de Middelaar Gods en der mensen, en hoe meer geloofsgemeenschap met Hem gekend mag worden, hoe meer het zal worden: „Ik dank God door Jezus Christus, onze Heere".

Christus is het Voorwerp der dankbaarheid Zijns volks. God in Christus te danken, is hun leven. Hij is het immers waardig eeuwig verheerlijkt te worden vanwege Zijn onuitsprekelijke gave! Die dankbaarheid is niet wettisch, maar evangelisch, dat wil zeggen, zij vloeit uit het diepe besef, dat zij niets hebben in zichzelf, maar dat zij alles hebben in Christus. Gemeenschap met Christus en dankbaarheid ten aanzien van Christus is alleen Codverheerlijkend. Paulus was een ellendige, en evenwel geen hopeloze; hij was tegelijkertijd een verloste zondaar, die hartelijk dankte, ja hij was een vrijgemaakt mens.

Toch wilde hij dienen uit liefde voor een dienende Jezus. „Zo dan — zegt hij — ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde", vers 26.

Rotterdam

Ds. Chr. v. Dam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1960

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken