Bekijk het origineel

Wijziging van enige artikelen der Gemeentewet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wijziging van enige artikelen der Gemeentewet

11 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van de heer Kodde

Het wetsontwerp tot wijziging van enige artikelen dar Gemeentewet had betrekking op de bij grensfwijizigingen gevolgde procedure. Dergelijke wijzigingen toch gaan gewoonlijk gepaard met eieer langdurige voorbereidingen, wat voor alle hierbij betrokken partijen zeer bezwaarlijk is. Zo vergden de na 1945 tot stand gekomen grenswijzigingen volgens de minister gemiddeld 6% jaar aan voorbereiding, waarvan gemiddeld 4% jaar gemoeid' was met de bahande-Mng van het betreffende voorstel door do provinoiaile. en gemeentebesturen.

Om nu hierin verandering ten goede aan te brengen, werd door de minister van Binnenlandse Zaken bij de Statenr Generaal een wetsontwerp ingediend roet de strekking om de artikelen uit de Gemeentewet, die op deze materie betrekking hebben, zjodanig te wijzigen, dat in het vervolg voorkomen wx> rdt, dat voorstellen tot 'grenswijziging jaren^ iang slepende •worden geh'ouden. Met Ihandhavinig vae de bestaande toestand, •waarbij het itiitia'tief voor het doen van een voorstel tot grenswijziging primair aan de 'gemeenteraad 'gelaten •wordt, terwijl in de tweede en darde plaatis ach'tereenivio'lgens Gedepuitearde Staten en de Kroon er aan te pas kom-en, stelde de 'regering daar^toe in 'het wetsontwerp •voor, om in de wet wedierom termijnen OD te nemen, zoals die vóór 1946 ook in de wet 'waien opgenomen. In 1946 had men fMe termijnen laten vervallen, menende, dat daarmede een enellere behandeling van grenswijizigingsvoorsteHen ziou 'wordien •verkregen. In de praktijk bleek echter, dat men daarmede m'ets •was opgeschoten. Vandaar, dat de regering weer tot het steJlen van termijnen wilde terugkeren. Volgens de minister waren de in het iwetsontwerp opgenomen termijnen zodanig gesteld, dat zij, naar proefondei^ vindelijk gebleken is, de provinciale en gemeentebesturen voor een •na'uwgezeitte bestudering van de zidh bij een grenswijziginig vxxwdoende problemen, votdoende gelegenheid bieden, miits die gestelde termijnen van de aarwainig af wrorden benut.

Een tweede vereenvoud'iging meende de m'inisiter in de bestaande wettelijke bepalinigen te kunnen aanbrengen idoor hot laten vervallen van het uitwissiellen van meningen der versohillende bij ©en gren'jwijzigingsvoorstel betrokken gemeenteraden, wat tot nu toe door tussenkomst van Gedeputeerde Staten plaats vond. Dit uitwisselen van meningen "vergt niet alleen veel tijd, 'gemiddeld 1 tot 1% jaar, maar ook leidde het meermalen tot felle kritiek van de ene gemeenteraad ten opzichte van de andare, waardoor niet zel'den de 'goede verhoud'ingen werden verstoord', terwijl er vrijwel nooit nieuwe geziohts'punten warden geopend. De regering oordeelde 'het om al 'deze redenen maar befter, om 'dit uitwisisalen van menimgen uit de •wet te lichten, wat temeer zonider bezwaair gedfen kan •worden, om'dat artikel 158 der Gem'eentewet toch altijd de mogelijkheid open laat om, wanneer de behoeftie daaraan blijkt te bestaan, omtrent de zienswijze van de ene raad' een andere te horen.

Door het aanbrengen van de 'genoemde •wijzigingen meent de minis'ter, diat de damr van behandeling "van een grenswijzi'gingsvoQrstel van 57 op in totaal 16 maanden kan •worden teruagebraxAt. Of dit in de •praktij'k - werkelijk het 'ge-•val zal zijn, dient te worden afgewacht. De - viar sprekers, die aan de diskussie over dit wetsontwerp deelnamen, waren ar nog niet zo zeker van, al' verklaarde geen h-unner zioh tegen het wetsontwerp. Zo zeida tdhr. Scheos (P.v.d.A.) onder meer, dat ato de praktijk onverhoopt mocht uitwijzen, dat de - voorgesïtelde methode niet tot het noodzakeiijke en naigestreefde doel 'leidt, men dan verder kan zien. De heer Maenen (K.V.P.) merkte op, dat men niet moeit menen, dait ia de toekomst door dit wetsontwerp - TOorstetllen tot gemeenteo-•»wj25igiagen als heit ware aan die iopeode band zullen worden beihandeld eo bij die Kamer irjgediend.

De heer BeemLik (C.H.U.) was het hierin met de zxsëven genoemde sprekers eens. Hij zeide onder meer, dat wie zou denken, dat het na de totstandloominig van de - voorgesteld© wijziging der Gem'eentewet in ons land mogelijk zal zijn, steeds een grenswdjziging in 16 maanden pasklaar - voor de Kamier te maken, zich naar zijn mening, daarin zou •vergissen. Wat de heer Kodde over het •wetsontwerp te .berde bracht, blijkt uit de door hem namens de S.G.P.-fiaktiie gehouden rede, die •vtdj 'hier onverkort laten volgen.

De heer Kodde sprak als •volgt:

Mijnheer de Vooratfcer!

Waar ik in het algemeen 'geen voorstander ben van het •veranderen ^an gpmeentegrenzen en zeker niet van opheffing van gemeenten, zou er - wel aani.eiding zijn een enkele opmaiiking te maken naar aanleiding van het betoog van de geachte afgevaardigde, de heer Scheps. Toen ik de geachte afgevaatrdigde 'hoorde, dacht ik: het bloed kruipt •waar het niet gaan kan. Ook bij mij zou het bloed - wel 'kunnen kruipen - waar het niet gaan kan, maar ik zal er mij toch van onthouden om op dit betoog in te igaan, want ik m'een, dat het hier gaat over de mogelijkheid om de

procedure

te - verkorten, en ik acht verkorting van de procedure bij igrenswij'ziging zeer nodig, ja ei'genlijk meer dan nodig. Het gaat er eigenlijk om of 'het voorstel de bezwaren, die aan wijzigingen zijn verbonden, 'verminidert en of de prooeEume daardoor verkort zal •worden. Met de m'inister ben ik het - dus eens, dat de procedure niet te 'lang mag zijn. Er zijn 'bezwaren aan de langdurige pro^oedure verbonden, bezwaren zowel voor de gemeenten 'als •voor 'het rijk, zowiel voor de ingezetenen van een gem'eente als voor anderen. Inzonderheid zu'Uen die bezwaren er zijn •voor idle

bestuurders,

omdat zij in onzekerheid hun •werk moe. ten dcen en daardoor wiel worden afgeremd om dat werk goed te doen.

Onzekerheid in 'het bestaan leidt tot onzekerheid van wat nodiig en wat niet nodig is. Onzekerheid kan echter ook leiden tot het doen td'tvoeren •van werken, al'thans trachten < mi die te doen uiitvoeren, om zodoende nog gedaan te bdbben datgene, waarvan igp-vreesd •wordt, dat het bij een eventuele s'amenvoeging niet meer zial gedaan worden, zodat een "werk wel wordt aangevat voordat het strikt nodig is. Er is dus noodzaak de oorzaken 'van onrust •weg te nemen en, bij onveimijdelijke gevallen - van wijziging, de periode van onrust zo ikort mo'gehjk te m'aken.

Is de minisiter nu geslaagd in dat doel, een doel, dat •wij kunnen onderschrijven? Die •vraag meen ik helaas

ontkennend

te moeten beantwoorden. Op een - vraag in het •voorlopig •verslag antwoordt de minister in de memorie •van antwoord, dat het bepaalde in artikel 158 voldoende zekerheid' bdiedt, dat ook de „aanlooptijd'" zo ikoit mogelijk zal duren. Ja, als 'het eenmaal zo - ver is, dan zijn er termijnen. Dan zal 'het bepaalde in artx. kei 158 inderdaad kunnen leiden tot het afwerken binnen de bepaalde tijd.

Maar heeft de minister dan nfet te 'veel het oog op het bepaalde in artikel 157 en niet te weinig oog •voor het bepaalde to art)& el 164; Insüen Gedeputeerde Staten het wenselijk aohten, dat een voorstel van •wet, a^ 'bedoieH in artSkei 157, gedaan wordt enz. Als zij het wen. seÜjk achten.

De praktijk leert wel, dat de vraaj» of het wensaHjk is,

voorbereidingen

nodig maakt, en .die voorberedd'niBen k'umnen wel lang diuiren. Er 'kan over W al dan niet lang duren verschil van mening zijn. Het is mogelijk, dat - wsi ^ één 'lang acht een an'der een redelijke termijn •vindt, maar er zijn tooh wd fej. ten, die er op "wijzen, dat de voorbereiding igeen maanden, maar jaren in h^ slag neemt. Als voorbeelden staat naj voor ogen de herindeling van Schou. wen en Dui'velan'd en "van Walcheren, Het is OU 1960, en ik meen mij te herinneren, 'dat de eerste •stappen tot herindeling van igemeenten in Walcheren reeds in 1948 zijn gedaan. Het was toen nog wel 'geen vast plan, maar het beaji was er; de

onrust

was daarmede gezaaid. Ik kan er begrip voor opbrengen, dat Gedepuifceerde Staten niet dadehjk een juist inzicht heb-'ben in de vraag hoe het zal moeten en kunnen, maar ik meen, 'dat toch wel van •een 'dergelijk kollege 'verwaöht mai? wor. den, "dat het zich ook rekenschap geeft van de gevolgen van een aftasten van die mogeHjkheden.

Ook al kan het verblijdend zijn. dat tenslotte acht wordt gegeven op gegron. de m'Otieven, bet doet to'oh wel \Teeiii(i aan, dat bijvoorbeeld na jaren van onderzoek — voor 'het plan Goes—Kloefege zijn immers ook ongeveer 12 jaai nodig geweest — eindelijk bhj'kt, dat met minder kan worden volstaan dan wel de opzet was en dat

ten onrechte

onmst is ver\vekt. Het is mogelijk, < M •hei weifelende inzioht veroorz'aa-kt ^^•ordt door de raadgevers, door personen, die, hoewel een opleiding gehad hebbende, die m'aig doen •veronderstellen, dat zij onderlegd zijn, te weinig inzicht hebben in de praktijk van het leven, maar hoe het ook zij, ik kan de menin-g vw de minister, dat er aeen aan'leidin'u is voor de vrees, dat door 'het stellen van termijnen het „vooroverleg" meer tijd zal gaan kosten, niet delen. Het zal niet gemakkelij'k zijn, het lanigdurig vooroverleg tegen te gaan en 'het zal moeihjk zijn dat door het stellen van wettelijke termijnen te voorko'men, maar 4 meen tO'dh niet te mogen nalaten, nog eens op die feiten te wijzen en meen de minister te m'oeten vragen zijn invloed te willen aanwenden om die toestanden te voorkomen. Welke 'de

gevolgen

zijn, acht ik in het •voorlO'piig verslag reeds juist getdcend, een eveniju'ele birrgemeesters'vakature wordt niet vervuld, ambtenaren 'gaan naar posten elders uitzien, het aantrekken van nieuw personeel wordt moeüij'k en allerlei beslissingen, welker uitstel anders niet aanvaardbaar zou zijn, woT'den aangehiouden. Ef is echter ook het bezwaar, dat, als de •vrees ibestaat, "dat tooh 'de zelfstandigheid verd'wijnt, er min'der nauwkeurig ^vordt gelet op de noodzaa-k en de 'gevolgen •van wenken, zoab ik reed'S opm'erkte, maar dat ^vordt gestreefd om dat en dat nog te verkrijgen, om'dat de gevolgen toch voor een (groot gebeel zullen zijn, terwijl de noodzaak inderdaad minder groot is.

Bij gedachten tot veraniderin'gen geldt zeker •wat ons steeds voor ogen m'oet staan:

bezint eer gij begiixt

Dat geldt te meer, omdat, blijkens het gestelde op biz. 3, linkerkolom, •van de memorie van an.twoord, , , wijzigin'gen, «.•aaiwer de gemeenten het onderlioig ggjs waren 'geworden, zioh na 1945 spaarzaam hebben voorgedaan" en dius ggn zeer groot deel der wijzigiagen ^'OCHtvloeit uit het initiatief van aodelen Er zijn wel gevallen, waarin overeenstemminig zeber moigelijik zou geii-eest zijn, maar ik vermoed, dat de vrees voor de gevolgen de gemeente^ [jesturen iveerhoiuden heeft om over eenvoudige wijaiigingen met eiïkiander te gaan handelen.

gj verwacht niet, dat de gemeentebejt^jpen hierdoor dwaas handelen, zoais jiier misschien wd met andere woorden op deze late middag is gezegd. Ik geloof echter, dat dat inderdaad wel een

wijsheid

van de gemeentebesturen is en dat men aioh dan liever er voor wacht krachten m te roepen, die men liever sti! houdt. Bc denk er daairbij aan, dat er toch in-(tedaad wel gevaHen zuMen zijn, die eenvoudige wijzigingen noidig en mowelijk maken vooral in gebieden, die in verband met inundatie of andere voorvallen venkavel'd 2djn geworden.

Ik m-een, dat, indien er niet d© vrees was geweest, dat de aandacht z»u worden getrokken van hen, die het wel menen beter te weten, eenvoudige ^grenswijzigingen zeker waren tot stand igekomen in onderlhig overleg.

Hot zal niet gem; akkelijk zijn die vrees weg te nemen. Toch zal het van igroot belang zijn, dat die gemeentebesibuTen de zekerheid krijgen, dat, als zij onderling veranderingen nodig achten, niet amderen daardoor die mogehjkheid aangrijpen m> eer te veranderen dan onderlinig gewenst wordt. Het is wenseKjk, dat de 'wijzigingen

bij wet

worden geregeld. Daarin kan ik de minister volgen. Ik ben 'dus 'geen •voorstander van een anidere prooediire, want ik mieen, dat een wettelijke regehnig •ven wat door oniderling overleg is g'Oedgevonden zó weinig tijd en moeite zal 'kosten en 'binnen zo korte tijd kan •worden uitgevoerd, dat een andere procedure, met de miO'geHjikfoeid van onzekerheden, 'Zieker niet nodig is. Daaiom ds het nodig het vertrouwen te wakken, dat er geen misbruik van initiatieven van gemeentebesturen zal worden gemaakt.

Mijnheer de Voorzitter! Veel verwaohtiü'g hebben vrij van het •voorgestelde niet. Wij staan er ongeveer 'in deze 2an tegenover: Al baat het niet, het sdhaadt ook niet. Wij achten het no'dig, dat de minister allen, die bij 'de voorberei'ding van wijzigingen zijn betrokken,

ernstig

voor O'gen houdt de gevolgen van een lan'ge prooedure. Het is •ge«'enst, dat er rust komt en 'dat de gemieentebesturen niet steeds boven hun hoofd voelen het zwaard van de onzekerheid over het \'00!rtbestaan van de zelfstandigheid of over in'grijpende igrenswijziginigen, waarbij het kaïaMer van de gemeente wordt •aanigetast.

Gaarne zaïg ik "het bestaansrecht van de gemeenten mieer geëerbiedigd en minder inm'engni'g ten opzichte van de zialfstanidi'gheid van de gemeenten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1960

De Banier | 8 Pagina's

Wijziging van enige artikelen der Gemeentewet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken