Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

5 minuten leestijd

I.

Wat dunkt ulieden? En zij antivoordende, zeiden: ij is des doods schuldig. Mattheüs 26 : 66

Beiden, Pontius Pilatus en het volk Israels hebben gedaan, wat Zijn ihand en raad tevoren bepaald hadden.

Niet alleen Pilatus, maar ook het volk, dat zijn eigen stamgenoot wat het vlees aangaat, niet waardig keui'de langer de aardbodem te beslaan.

De gemeenschappelijke betuiging heeft een reden. Zij heeft een grond, immers de hogepriester heeft hun een vraag voorgehouden hoe ze er over denken, als de gezegende Borg en Middelaar het zwijgen verbreekt en antwoordt op deze alles beslissende vraag: „Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt of Gij zijt de Christus, de Zoon van God? " Met de sterkste bevestiging wordt hierop geantwoord: „Gij hebt het gezegd". Doch Ik zeg uheden, van nu aan zult gij zien de Zoon des mensen, zittende ter rechteiihand der kracht Gods, en komende op de wolken".

In .schijnbare verschrikking en 'buichelaohtige openbaring scheurt de hogepriester zijn klederen.

Het scheuren des harten is bem vreemd, en zo wordt de sdhijn hoog gehouden, waar nimmer beleving in de ziel, ook niet het minste of geringste, beleefd werd van de eer Gods.

De sohijnkerk waar het wezen gemist wordt. Gij hebt de naam, dat ge leeft, en ge zijt dood. Blind voor de ware Gods-en de ware Ohristuskennis, gelijk elk natuurlijk sdhepsel zich in die staat der ellende bevindt.

Maar Hij, 'Die geroepen is en werd, der waarheid getuigenis te geven, gaf de waarachtigheid der voor het schepsel onverstaanbare mededeling te beluisteren: ., Gij hebt het gezegd". Hij stond hier om het antwoord te geven en dat treffend getuigenis te doen horen.

Om de mededeling der waarachtigheid te verkondigen: God uit God en de ware menselijke natuur te hebben aangenomen; de ware Zoon Gods en de ware Zoon des mensen. Geen natuurlijk sdhepsel kan in dit wonder inblikken, dan alleen dat schepsel, dat verstand krijgt met Goddelijk heht bestraald. „De verborgenheid der godzaligheid is groot. God geopenbaard in bet vlees".

O, wat zullen er een onnoemelijk aantal schepselen zijn, die jarenlang bet Kerstfeest gevierd zullen hebben en die nimmer de mededeling hebben géhoord: „Hc verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids".

O, laat het ons bedenken met een voorwerpelijke kennis, zonder onderwerpeiijke beleving, zal er geklopt worden op een gesloten deur, en het antwoord zal onherroepelijk luiden: , , Ik heb u nooit gekend".

O, dan is het beter duizendmaal getwijfeld, dan eens bedrogen uit te komen, en dan onherroepelijk verloren. Dan bet voor eeuwig te ervaren: „Voorwaar zeg Ik u, het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in de dag des oordeels dan ulieden". De waarschuwing van zich te bedriegen wordt in deze dagen geweld aangedaan. De breuk moet op het lichtst genezon en gesproken moet worden van „vrede, vrede en geen gevaai".

Nu zal de Heere zorgen voor Zijn eigen eer, en zo is er heden ten dage ook nog een overblijfsel naar de verkiezing Zijner soevereine genade, dat het van Godswege leren mag:

't Heilgeheim wordt aan Zijn vrienden, Naar Zijn vreêver'bond getoond.

O, wonder van vrije ontferming, een God van hemel en aarde, de Leermeester van onwetenden. Van blinden, aan wie Hij mededeling doet, zodat zij het uit vrije goedertierenheid mogen zeggen: Vlees en bloed heeft mij dat niet geleerd. En al durven ze zioh niet naast de apostel Paulus te zetten, nochtans het te mogen getuigen met diezelfde levenservaring: „Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren".

Tegenwoordig worden er soms ontmoet, die Paulus boven het hoofd gegroeid zijn, waarvan we alleen zeggen kunnen en moeten, dat de dood brutaal is. Voor hen zal het wonder niet groot zijn, als zij de goede strijd zullen hebben gestreden. Maar de Heere zal oordelen.

Nooit aan hun doodstaat ontdekt, en waar het nimmer met een doodbrakende Hemaa uit de ziel is geperst: „O God, zult Gij aan doden wonderen doen? "

Zo stond hier de Borg der Zijnen dan als de Plaatsbekleder, als de Remplagant voor de Hem gegevenen des Vaders, opdat Hij voor hen als des doods schuldig, de pers alleen treden zou.

Van Hem was gezongen en was het Zijns Zelfs getuigenis:

Brandofferen, noch offer voor de schuld.

Voldeden aan Uw eis noch eer; Toen zeid' Ik; zie, Ik kom, o Heer'; De rol des boeks is met Mijn Naam vervuld.

Mijn ziel, U opgedragen. Wil U alleen behagen; Mijn liefd' en ijver brandt; Ik draag Uw heil'ge wet, Die Gij de strev'ling zet, In 't binnenst' ingewand.

Dit is de nieuwe rijm, en als ge de oude zingt, dan moogt ge zulks gerust doen, waar wij mogen geloven, dat de Heere door Zijn Geest, en hier komt het op aan, beide wil gebruiken.

Zo stond de kerk, onder de bedeling des Ouden Verbonds, heenwijzende naar de bedeling der vervulhng.

Zo moest in Hem en van Hem alles zijn voorzegd, opdat Hij straks Verklaarder zijn zou: , , Moest de Christus niet al deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? "

Immers, in de eeuwige vrederaad had Hij op Zioh genomen om lust te hebben aan de eis des Vaders te voldoen: „Ik heb lust, o 'Mijn God, om Uw welbehagen te doen"; in de onder'handeling der drie Goddelijke Personen, om een van eeuwigheid uitverkoren kerk, met handhaving der Goddehj'ke deugden, weer in de gemeenschap te herstellen, waaruit zij moed-en vrijwillig vallen zou.

Wijlen Ds. D. J. van Brummen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1960

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken