Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

8 minuten leestijd

In hei huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga Iieen om u plaats te bereiden. Johannes 14 : 2

„In het huis Mijns Vaders". Het huis (les Vaders is de woning van de Allerhoogste, waar Hij Zijn majesteit en heerlijkheid openbaart, waar Hij Zijn kinderen vergadert en hen Zijn gunst en gemeenschap doet genieten. EQ waar de levïnde God niet in enige plaats beperkt of besloten kan worden, maar overal tegenwoordig is, zo vervult Hij de hemel en ook de aarde en is Hij niet ver van een iegelijk van ons. Zo leefde God met Zijn gunst onder al Zijn schepselen in de oorspronkelijke schepping als een gezegend huisgezin, totdat door onze zonde en afval de huisvrede werd verstoord en de gemeenschap met God op aarde werd verbroken en in de hemel teruggetrokken, waar de Heere nu Zijn volle heerlijkheid openbaart en door de geizaligden laat genieten.

Doch daar de Heere uit eeuwige ontferming besloten heeft Zijn huis op aarde en in heel Zijn schepping weer te herstellen, daar gevoelt Zijn kind, dat weer met de genadige ontmoeting Gods verwaardigd wordt, 'zich ook weer in Gods huis. Zo gevoelt Jakob zich op zijn vlucht bij de ontmoeting des Heeren zdch in Gods huis, zodat hij die plaats Bethel noemt.

En in dat huis Mijns Vaders ziyn vele woningen, zegt Jezus. Dat is geen beperkte ruimte, maar een land, wijd van begrip, waar plaats is, wel niet voor allen, want daar zal niets inkomen dat verontreinigt of gruwehjkheid doet, maar tooh voor velen, omdat Hij daar verzamelen !zal een schare, welke niemand tellen kan, uit alle geslachten der volken; een menigte gelijk de sterren aan de hemel en het zand aan de oever der zee. Daar is veel plaats voor zondaren, die de dood in zichzelf vinden en het leven in Christus Ieren zoeken.

De mens van nature bekommert er zich niet over of daar in het rijk van Gods heerlijkheid voor hem plaats is, of hij teeldt zich in dat daar voor hem wegens zijn gewaande voortreffehjkheid en wel voor ieder plaats zal wezen. Doch de ontdekte zondaar, die snakt naar de inlijving in Gods huis en naar de gemeensohap Gods, 'gevoelt dat hij die gemeenschap verzondigd en verbeurd heeft; en daar dit bovendien door de satan gedurig wordt aangevochten, vreest hij menigmaal dat daar voor hem in het huis des Vaders geen plaats zal zijn.

Daarom bemoedigt de Heere Zijn kinderen met de verzekering: „anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben". De Heere misleidt Zijn kinderen nooit. Zij misleiden zichzelf menigmaal door allerlei Overleggingen, ieder ander kan hen op verkeerde en bedriegelijke paden lokken, maar op Zijn Woord krmnen zij aan. En al schijnt ook alles daar tegen in te gaan, dan kan toch de uitkomst daarvan niet falsn, omdat Hij de getrouwe en waarachtige 'Getuige is. Die wat Hij zegt, ook doet, en wat Hij spreekt, bestendig maakt; zodat geen van Zijn goede woorden onvervuld blijft, daar Hij de vervulling daarvan niet aan anderen overlaat, maar die Zelf tot stand brengt, gelijk Hij hier ook zegt: „Ik ga heen om u plaats te bereiden”.

Was dat zo niet, dan kon geen enkele van Gods kinderen ooit in het Vaderhuis komen, en daar gekomen, zouden zij het er niet uit kunnen houden, daar dan God ook voor hen een verterend vuur zou zijn, bij Wie niemand wonen kan, omdat ook zij van nature kinderen des tooms zijn, gelijk alle anderen. Maar nu is er plaats voor de diepst gezonkene onder hen, omdat zij de toegang niet behoeven te verwerven door hun eigen deugd of waardigheid, maar omdat Christus die voor hen bereid heeft, en zij dus mogen toegaan tot de troon der genade langs de verse en levende weg, die gebaand is door het gescheurde voorhangsel des lichaams van de Heere Jezus Christus.

In het huis des Vaders is dus geen plaats voor iedereen, maar alleen voor degenen, voor vwe Christus daar plaats heeft bereid, daar voor hen die plaats volkomen voor eeuwig is gewaarborgd, omdat Hij een volkomen Zaligmaker is. Die geen half werk verricht, maar volkomen zalig maakt degenen, die door Hem tot God gaan.

„Ik ga heen om u plaats te bereiden". De Heere is daartoe al gekomen. Hij heeft het huis Zijns Vaders verlaten en is gekomen in het jammerdal der wereld om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. En nu gaat Hij heen — door de afgrond van Zijn lijden en sterven — om daardoor te verwerven het recht tot de ingang en een plaats in het huis Zijns Vaders en al de genade, die zij nodig hebben om een plaats in Gods huis te ontvangen en in dat Vaderhuis op hun plaats te zijn, zodat zij daar met zalige weelde kunnen verkeren.

De Heere had tot de heerlijkheid van het huis Zijns Vaders kunnen wederkeren zonder smaad en lijden en dood, maar dan was er voor hen geen plaats bereid; doch Hij verkoos Zijn uitgang uit Jeruzalem in de diepste vernedering en versmaad beid, omdat Hij van eeuwigheid reeds op Zich genomen had om vele kinderen tot de heerhjkheid te leiden, en daartoe als hun overste Leidsman door lijden geheiligd te worden. Tot Zijn wan­ hopende discipelen op de weg naar Emmaüs zegt Hij: „Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? " Voor Hemzelf moest dit niet, maar voor Zijn volk was het noodzakelijk, daar Hij heel hun schuld voor God betalen, al hun ongerechtigheden dragen moest, om voor hen de toegang tC; ontsluiten in Gods heerlijk Koninkrijk. „Ik ga heen om u plaats te bereiden". De Heere moest heengaan om plaats voor hen te bereiden. „Het is u nut dat Ik wegga". Door Zijn heengaan door de vloekdood naar het Vaderhuis heeft Hij de Heilige Geest verworven. Die hen door Zijn herscheppende genade vernieuwt en heiligt en hen maakt tot Christus' toebereide bruid, opdat zij in staat zijn om in het huis Zijns Vaders als Zijn kinderen te verkeren.

Want de Heere doet juist het omgekeerde van de kleermaker. Deze bereidt de jas voor de man, maar de Heere bereidt de man voor de jas. Hij bereidt door de Heilige Geest Zijn bruid, die van nature ki Gods huis niet kan verkeren, door hartvernieuwende en heihgmakende genade toe om een erfdeel te hebben onder de geheiligden. Hij leert hen aan zichzelf te sterven en in en uit en door ., nprri te le\'en. Zo bereidt Ctóstus voor de Zijnen de weg tot de heerlijkheid Gods, hun hart en leven voor die heerlijkheid, en maakt Hij al hun omstandigheden dienstbaar aan hun zaligheid. Daartoe maakt Hij dienstbaar al de middelen van Zijn genade; al de wegen waarlangs het Hem behaagt hen te leiden, al schijnen die hun ook geheel tegen dat doel in te gaan; ook de strijd, die Hij hun te strijden geeft, waaruit Hij hen in eeuwige zegepraal zal doen te voorschijn treden, om uit Zijn genadehand de palm der overwinning te ontvangen, omdat hun strijd hier op aarde wortelt in Zijn reeds behaalde overwinning als de Leeuw uit de stam van Juda.

„Ik ga heen om u plaats te bereiden". De Heere is als de Voorspraak voor Zijn voik heengegaan naar het huis Zijns Vaders, om als hun Gevolmachtigde bezit voor hen te nemen van de erfenis der heerlijkheid, en dus hun recht en hun aanspraak op die erfenis onaantastbaar te maken, daar Hij dat recht voor hen verworven heeft en dat in Zijn Middelaarstrouw gegrond is.

Hij is daar ook heengegaan om voor ieder van Gods kinderen zijn eigen plaats te bereiden, daar Zijn genade hun persocnhjkheid niet opheft, en Zijn heerlijkheid, waarin Hij de Zijnen inleidt, vrij is van alle eenvormigheid en zo rijk aan verscheidenheid, dat, gelijk het is in de natuur, het alzo zal zijn in de heerlijkheid. Zo zulten er in het heiligdom der heerlijkheid zijn grote vaten en kleine vaten, maar aan geen enkel vat zal iets ontbreken, daar zij allen vol zijn van de kennis en de heerlijkheid des Heeren. Christus is de heerlijkheid van Zijn Vader, daarom moet Hij er zijn om hen in Zijn heerlijkheid te doen delen. Hij is daar heengegaan om voor hen de tafel aan te richten van de bruiloft des Lams, om tranen en kronen voor hen te beschikken.

Zo volkomen bereidt de Heere daar plaats voor Zijn volk, dat zij daarvoor niets te doen hebben, en zij slechts hebben in te gaan in de rust, die overblijft voor a! het volk van God, dat daarvoor dan ook Hem alleen eeuwig de eer zal toebrengen, hun kronen aan Zijn voeten leggend met de jubel der aanbidding: „Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen", daar zij eeuwig zullen zingen van Gods goedertierenheden.

De goddelozen hebben reden om beducht te zijn voor hun toekomst, ook bij de schoonste vooruitzichten; maar voor Gods kinderen bestaat geen oorzaak tot ontroering, ook onder de meest kommervolle omstandigheden. Want terwijl zij hier worstelen en strijden, soms de bangste strijd des levens, is Hij bezig in het huis Zijns Vaders om ook hun daar plaats te bereiden.

Ouddorp

Ds. J. van Vliet

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1960

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken