Bekijk het origineel

Gemeentelijke herindeling van Schouwen-Duiveland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gemeentelijke herindeling van Schouwen-Duiveland

16 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van de heer D. Kodde

Er hebben in de jaren na de bezetting al \vat gemeentelijkie grensiwijzigingen in ons land plaats gehad! Nu eens in die Bommelei-waard, dan weer in die omgeving van Vriezenveen en ga zo maar door. De laatste grenswijzigingen, welke dte Kamer behandeldie, betroffen de gemeenten Doirdrecht en Dubbeldam en voorts die op het eüand Schouwen en Duivelandi, dat in 1953 dloor de watersnoodramp z» ZM'aar getroffen werd. Er zijn daar op het ogenblik nog 18 gemeienrten, maar als de wet tot stand komt, waarvan het ontwerp door de Kamer behandeld werd', dan zullen ei-nog maar 6 van overblijven. Dat het daartoe zaïl komen, is wel zo goed als zeker. In die Tweede Kamei-was er maar weinig verzet tegen — alleen dte S.G.P.fraktie stelde zich bij mondie van de heen-Kodde tegen — zodat het zonder hoofdehjke stemming werd aanvaard. De Eerste Kamer zal dit ook wel doen en dan is die herindeling van het eiland bezegeld.

De heer Kodde sprak bij deze gelegenheid als volgt:

Mijnheer de Voorzitter!

Het zal niet nodig zijn, nogmaals breed uiteen te zetten^ dat wij niet vóór herindeling van gemeenten of verandering van igemeeuitegrenzjen zijn, tenzij ide uiterste noodzaak daartoe aanwezig is. Dat zulks niet inhoudt, dat wij nooit en te nimmer wijzigingen zouden haiï> nen aanvaarden, zou gebleken zijn. Mijnheer de Voorzitter, wanneer het vorige voorstel in stemming was gekomen. Nu is het nog niet gebleken. Het gaat er om of die uiterste noodzaak ook bij dit voorstel aanwezig is.

Die uiterste noodzaak zie ik niet, althans niet voor het plan, dat thans voor ons ligt.

Er zullen wijzigingen nodig kunnen zijn. Het kan zijn, dat een gemeente door steeds kleiner te worden in inwoneraantal ziohzetf als het ware opheft, en diüi zal er wat moeten worden gedaan. Maar mag dat nu ledden tot een ingrijpen, als nu wordt vooti'gBsteld? Is er voor het gehele plan een noodzaak aajiwezig? Zijn er andere redenen dan administratieve of financiële?

Is de bevolking er mede gediend of gebaat? Want het gaat toch in de eerste plaats om de bevolking. Mijnheer de Voorzitter. Is er een mogelijkheid, dat de nu voorgestelde gemeenten

eenheden

worden? Is of wordt voldaan, aan wat de ambtsvoorganger van deze min^ister in die memorie van antwoord op de 'begroting voor 195.3 in de Eerste Kamer opmerkte, namelijk:

De vracig of de kleine plattelandsgemeenten recht van bestaan hebben, is niet in abstrakto te beantwoorden. Bij de vraag, of tot opheffing van een zogenaamde miniatuurgemeente moet worden overgegaan, acht ondeirgetekendie primair van bedang, dat mieit feiten wordt aangetoond, dat door het ontbreken van volcfoende biestuiirskracht bepaalde noodzakelijkie voorzieningen achterwege zijn gebleven, terwijl zijns inziens moet vaststaan, dat geen overwegende bezwaren tegen samenvoeging met een andane gemeente bestaan. Zo deze bezwaren niet aanwezig bhjken te zijn, zal alvorens opheffing te bevorderen naar de m'sning van ondergeteifcende voonts aannemeHjk moeten zijn, dat de nieuwe - gemeente de veiedsite biestuurskraoht wel bezit en redelijkeirwijze verwacht mag vvfordeii, dat dieae in d)e praktijk ook zal worden gebruikt, zodat een beter bestuur van het gjebied der opgeheven gemeente met recht verwacht mag worden.

Het Hjkt mij, dat de 'beantwoording van die vragen niet tot uiting is gjekomen in de toelichting.

Ik wü niet stellen, dat die vragen in de gedachtengang van de geachte bewindsman niet bevestigend zijn beantwoord, maar waarom is dit dan. ook niet in d» stukken aangetoond? Het geeft er wel blijk van, dat, als die mening er is, het niet gemakkelijk is haar te verdedigen of te omschrijven. Was dit wel hat 'geval, dan meen ik, dat die verdediging of omschrijving ook vermeld zon zijn. Steeds verneem.' ik in de memorie van toelichting — en ook wel in andiei-e stukken — de uitdirukldng

„grotere bestuurskracht"

en de mening, da; t kleine gemeenten geen grote bestuurskracht kunnen hebben. B-ewezen acht ik echter die stelling niet. Het zal toch wel voor een groot deal s> chuilen in de personen, die besturen. H«t zal toch wel van groot gewicht zijn hoe die personen het bestuur zien. Het zal, om kracht te kunnen ontwikkelen, nodig zijn, dat die personen zich weten Gods dienaren te zijn. Of wou-dt die kracht gezien in het maken van werken, in het openen van zaken tot vermaak, enz.? Wait de werken betreft, zal het niet baten of gemeenten worden samengevoegd, want de werkx'n voor afvoer van afvaKvatei--, het toevoeren van water, het ter beschikking brengen van elektrisiohe stroom, zal altijd pea-inwoner duurder en moeilijker blijven dan bij grotere bebouwing.skomplexen. Daaraan 'kan samenvoeging niets veranderen. Wel is te vrezen, dat juist die zaken de rivaliteit, de wrijvingen tussen de kernen van de samen te voegen gemeenten aullen opwekken, want er is een mogelijkheid, dat de ene kern geholpen zsal kunnen worden en de andere niet.

Anderzijds zal, als de gemeenten weirkelijk een eenheid vormen, ook in kleine gemeeniten met goede wil veel te bereiken zijn.

De oorzaak, dat het niu moeilijker kan dan vroeger, moet niet gezocht woi-dten in het kleine, maar in de wijze, waarop de .gemeenten kunnen financiei^n. Mij is weleens gezegd, dat, zonder de regelen van nu, er niets zou kunnern, doch dat is niet waar. VooAeen kon er ook wel wait. Mij is een gemeente bekend, die in de jaren tussen. 1920 en 1940 11 km, landweg verhardde zonder hulp van anderen en dat was en is ook een kleine gemeente.

En nogmaals, ik wil niet stellen, dat de grootte van de

bestuurskracht

daai-in zou schuilen. Die schuilt niet in het uitvoeiien van dit of dat werk, maar in de mogelijklieid om orde en regöl te stellen, in het zorgen, dat de inwonere tevreden samenleven, in het feit, zo nodig — en dat is tegenwoordig helaas nogal eens het geval — dat het bestuur, tegenover anderen, toont er te zijn en de behingen van de gemeente te kvmnen voorstaan.

Samenvattende, aoht ik de noodzaak van het voorstel zoals het er nu ligt niet aangetoond,

Korrekties zullen er door de verkaveling wel nodig zijn en ik wil ook niet uitsluiten, dat de opheffing van; de zelfstandigheid van Serooskerke vermeden zal kunnen worden. Doch het is niet gewenst het voorsbel zoals het nu voor ons ligt te volgen. Een poging het te wijzigen zal ik niet doen, maar ik wil wel reeds nu toit uiting brengen, dat er veel bezwaren zijn.

Nu wordt wel — en dat ten onrechte — gemeend, dat ea' niet zoveel verzet tegen het voorstel is als wel elders. Het is niet uitgesloten, dat elders de bezwaren groter zijn, doch dat neemt niet weg, dat er toch wel bezwaren zijn.

Een uitdrukking, en dat wel van een vrouwelijk raadslid, mevrouw Motm'ansvam dar Feen in Noordgouwe, heeft mij toch wel getroffen. Als een vrouw zegt, laten wij ze doodgooien meit vragen, ook al blijkt niet uit het stuk welke vragen bedoeld zijn, dan aoht ik dat tocli wél een U!itin, g van sterke ontstemming en tegenstand.

Maar, algemeen genomen, blijkt wel bij het doorlezen van wat de gemeentebesturen ons deden toekomen, dat, behoudens enkele uitzonderingen, er bezwaren tegen de plannen zijn.

De noodzaak zou geboren zijn uit het

Deltaplan.

Doch in het stuk van Zierikzee wordt gesteld, dat reeds in 1949 met een plan tot verandering is .gekomen en dat er toen nog geen .sprake was van een Deltaplan, Dit is dan ook wel bewezen. Dat motief is dan ook niet houdbaar en terecht is door een gemeentebestuur geisteld, dat, ook al zal dat Deltaplan veranderingen medebrengen, ook de tegenwoordige bestm-en die wel kunnen opvangen en de nodige maatregelen nemen, Ben andere noodzaak is het kleine aantal inwoners van de gemeenten. Omdat ik reeds heb gewezen op het feit, dat zulks meei-een gedachtenoodlzaak dan werkelijkheid is, zal 'ik daarop nu niet meer ingaan, maar wel wil ik de vraag stellen: waar is de grens; wat is klein en wat is groot? Vergeleken bij 'Rotterdam is 'n gemeente van 5000 inwonei-s ook klein. Maar is het dan juist van een kleine gemeente te spi^eken? Het zal er maar aan liggen welke maatstaf wij voor ogen hebben.

In de memorie van toelichting is het onderhoud van het wegennet ook als motief genoemd, maar in de memorie van antwoord is gesteld, dat de regeling van het onderhoud nog in studie is, zodat ook dat als motief geen grond meer heeft. Bovendien: ook de nu voorgestelde igemeenten zullen dat niet zelfstandig kumien doen.

Er zullen niet alleen daarvoor, maar ook voor andere taken gemeenschappelijke regelingen moeten zijn en blijven, zodat de grond van het 'bestaan van gemeenschappelijke regelen voor het samenvoegen ook al niet houdbaar blij.kt, wat hij ook zeker niet is. Reeds eerder heb ik hierop gewezen, maar het kan goed zijn dat nogmaals te doen. Daarom wijs ik' op vooi-zieningen met water en elekhische .stroom. De gemeenten zullen wel groot, ja zeer groot moeten zijn, willen zij dat zelfstandig kunnen doen. Moeten dan de gemeenten, die dat niet Iam.nen, maar worden opgeheven? De vraag stellen, is haar, doch in dit geval ontkennend, beantwoorden.

Ook wordt wel als moibief aamgevoerd', dat een

besparing

van ko'Sten wordt verkregen. Oosterland stelt tereobt, 'dat, ook al zullen ei-besparingen kunnen zijn, wat nog niet is aangetoond, de ingezetenen genoopt zullen worden meer kositen te maken. Zij zullen zich immers over grotere afstanden moöten verplaatsen om' hun zaken ter 'gemeentesekretarie af te doen. Zouden er zogenaamde hulpsekretarieën komen, dan zou het financiële voordeel nihil zijn en zou — ook dit heb ik wel eerder gezegd — naar ik vrees, de bevoegdheid niet zijn, waar zij behoort.

Ook Zonnemaire beklaagt zich er over geen antwoord te hebben gekregen op de vraag, welk voordeel er in de samenvoeging schuilt.

Naar mijn mening zijn dan ook geen steekhoudende motieven aangevoerd om het voorstel te steunen. Veeleer heb ik het gevoel, dait een voorstel is gedaan, omdat het nu eenmaal de geest van de tijd is veranderingen aan te brengen en naar .het grotere te streven.

Dat er wel bezwaren zijn, is volgens het verslag daor 'de Kommi^saris der Koningin in Zeeland naar voren gebracht. Deze heeft immers volgens dat verslag gezegd, dat Zo.nnemaire en Noordgouwe bij samenvoeging met Brouwershaven en Dreisohor wel in de minderheid zouden zijn.

Er is vrees — en dit terecht — dat de invloed van sommige nu bestaande gemeenten zal verdwijnen of wel zeei-gering zal zijn. Er is vrees voor rivaliteit tussen de 'kernen. Er is vrees voor bevoorrechting van de ene kern boven de andere. Nu kan wel wordten gezegd, .dat die vrees geen grond heeft, maar dit gezegde acht ik evenmin bewezen als de grond van die vrees onbewezen wordt geacht. Indien de mening van de

ingezetenen

zou worden gevraagd, zou dit plan niet worden aanvaard.

Ook al hebben wij wettelijk de bevoegdheid tot samenvoeging, ik blijf bij mijn eerder geuite mening, dat het zedelijk recht ontbreekt, en dat, ook al is het niet voorgeschreven, de mening van de ingezetenen te vragen, daar mede in gevallen als deze toch wel rekening moe.st worden .gehouden. Niet dat ik de vo.lkswil voorop wil stellen, maar het gaat toch om de belangen van de ingezetenen en ik heb er ook bezwaar tegen om te regeren over hen, zonder hen.

Mijnheer 'de Voomtter! Het zal niet nodig zijn te zeggen, dat ik beziwaren heb .teigen de gedadhte 'om maan-één gemeente te vormen. De afsitand tussen 'bestuurder en 'bestuurden wO'iidt nu al giloot, maar Ztü dan zodanig zijn, dat er in het geheel geen band meeir is,

Daarmede zullen de belangen van de bevo'lking, en daar gaat het toch om, zekea-niet gediend zijn.

Ook heb ik bezwaar tegen de gedachte om maar drie .gemeenten te vormen. Ook dan zal de afstand te groot izijn en is er geen sprake van .bet voi-men van eenlieden in .de ware zin des 'wooads.

Doch, en nu wil ik wat in bijzooderh-eden treden, zullen .de nu voorigeistelde gemeenten eenheden zijn? Vooral het verschil van ins.tellin; g, zoals deze tus'.sen Ou'werkerk en Nieuwerkerk met Oosterland bestaat, zaïl bet vo.i-men van een eenheid in de weg staan. Moet 'dan het samengaan toch maar woirden opgedirongen? Zal dat gO'ed zijn voor 'de ingezetenen? Zal de invloed, 'die Oiiwerkerk vreest 'van de anderen, oo'k niet m'oeten worden gevreesid door de anderen? Er kan w^el worden gesteld dat Ouwai-ker-k een minderheid is, maar, in aanmerking nemende wat de mens is geworden in de zondeval, kan er ook wel vrees bestaan, dat de invloed van Ouwerkerk op de andei-en groot zal zijn. Er is dus zeker aanleidiin.g a'ls.no|g te overwegen om zowel Ouiwei-kerk als Nieuwerkerk en Oostei-lanid te ^laten zoals ze zijn. Ook wil ik Dreisohor de zelfstandigheid laten behouden. De

noodzaak

van die samenvoegingen acht ik niet aangetoond. Als ik dit nu noem, wil dat niet zeggen, dat ik het overigens' met •het plan eens ben.

Ook in het westen acht ik een andere 'indeling gewenst. De noodzaak van één zogenaamde rekreatiegemeente acht ik niet aanwezig.

De belanigen zullen beter gediend zijn als de besturen er wat dichter bij blijven. Eén gemeente Westerschouwen zal te , gi-oot zijn om alles te overzien, en dat toezicht nodig is in rekreatiegebiedeir zal wel niet worden bestreden. Nu kan wel worden gesteld, dat daarvoor de politie is, doch dat 'betreft de handhaving van 'de door 'het bestuur gestelde regelen. Dat is al moeüijk en zwaar ge-noeg. Het mag niet zo zijn, 'dat ook een deel 'van het be.ïtuur bij de politie komt of dat de bestuurder maar, door bet oog van de politie ziende, kan weten wat er plaatsvindt. Daarom ondersteun ik gaarne de wens van Renesse. De mening van de socioloog is ook, dat samenvoeging niet gewenst is.

Bovendien ligt er een natuuillijke scheiding door het natuurreservaat. Laat die scheiding bhjven, opdat de rivaliteit, die er nu steeds schijnt te zijn, niet nnu groter wordt.

De miinÉter acht .samenigaan heilzaam te kunnen zijn. Hoezeer ik lOok o-eneigd ben veel gewicht aan de menintr van een mini.'ster, van een bewindsman te liechten, , toch meen ik in dit geval die mening niet te kunnen delen, ook al niet, omdat die mening niet met feiten is gesitaaf'd, wat, naar ik m'cen, ook niet mogelijk is. Het blijft dus een mening op

gevoelsgronden.

De grens van Zierikzee in de Oosterschelde, ook al is die blijkbaar niet anders voorgesteld dan de .bestaande, ackt ik wal zeer onzeker. Ook daarbij wordt verwezen naar het Deltaplan en de (revolgen daanvan, maar is 'dat nu reeds te ovei-zien? Moet - niet, teneinde de rechtszekerheid te verkrijgen, een ibeter omschreven lijn de gi-ens vormen, een minder onvaste .grens dan er nu bhjkbaar is? Zal het toch niet noodzakelijk zijn, als eenmaal de afsluiting een feit zal zijn en de gevolgen te overzien, de igrenzen van de gemeenten in dat wat nu zee is vast te 'Stellen? Waarom dan nu die onzekere toestand bestendigd?

Verder wil ik nog de laandacht vragen voor bet niet verrekenen VcUi kotsten, welke Nieuwerkerk maakte vooi-het g'ebied, dat volgens het voorstel bij Zierikzee zal worden gevoegd. Naar mijn j mening moet verrekening plaatshebben, tenzij, wat ik no.g beter acht, Nieuwerkerk Nieuwerkerk kan blijven, on.geschonden. B.lijkt uit da mening, dat er maar geen verrekening m'oet plaatshebben, niet zeer sterk, d.at er aan de financiële "ZKlfsitandigheid vaai de gem.eenten. wat m'a.n.k'e'ert, omdat er niet aan gedach.t is, althans geen vxjorstellen zijn gedaan?

Zon, nem, aire heeft bezwaren ingebracht tegen de regeling van ide bezittingen en Stelt, naar mijn menin/g terecht, dat het niet opgaat om! .bezittingen, zoals voor fflaa'tschappeüijk hulpbetoon, dus voor een bepaald doel gegeven zonder meer maar over te brengen naar een groter geheel.

Ook al zouden de bepalingen bij het geven niet letterHjk zich daartegen verzetten, acht ik, dat het

moreel onjuist

is om dat te doen. Gaarne wil ik nog aandacht vragen voor wat 4 .gem'eentebesturen, namehjk van Duivendijke, Ellemeet, Elkerzee en Kerkwerve ons hebben gemeld naar aanleiding van de memorie van antwoord en de nota naar aanleiding van het verslag.

Die gemeentebestui-en melden ons o.a.:

In de eerste plaats willen wij er onze blijdschap ovei-uitspreken, dat Zijne Excellenitie de minister van Binnenlandse Zaken de gedachte om bet gebied van Middensohouwen op te delen, heeft verworpen en dat hij met ons van mening 'is, dat voor 'de nieuwe gemeente Middenschouwen wel degelijk bestaansmogehjfcheden aanwezig zijn.

Zijn wij er enerzijds Oiver verheugd, dat de minister aan de in hat wetsontwerp neergelegde gedachte M vonning van zes ige.meenten heeft vastgehouden, anderzijds heeft 'i^ ons teleurgesteld, dat de Inwoners van de buuTtscha/p Den Osse, in weerwil van bun verzoek om bij de nieuwe gemeente Middensohouwen te mogen behoren, n.aar de nieuwe gemeente Brouwershaiven zullen ovei'gaan. Indien het voorstel van het g^ meenitebe=.tuur van Duivendijke, zoals dit bij uw kommissie en de minister van Bifuienlantlise Zaken 'bekend is, gevolgd wordt, komt !het door Zijne Excellentie bedoelde stiamdje tot het oTondgebied van. Brouwershaven-te behoren en komen de bewoners van de buiirtschap Den Osse bij de aiieu-\\e gemeente Middenschouwen.

Diep teleurgesteld zijn wij door de wijziging, welke de ministei-aJsnog heeft aangebracht in het grensbeloop tassen ds nieuwe gemeenten Westerschouwen en Middenschouiwen. Behalve het in het voorlopig ontweipstreekplan Schouwen-'Duiveland 1961 als voor rekreatiebebouwing aamgegeven gebied, zal tevens door de wijziging, welke de minister thans voorstelt, een gmot agrarisch gebied naar de nieuwe gemeente Westersöhouwen ovengaan. In dit agrarisch gebied lig-Qjen in de onmiddellijke nabijheid van de darpsko.m Ellemeet twee boei'derijen en vier arbeidersiwoniaigen. Aannemende, diat het in het voorlopig streekplan aangeduide rekreatiege'bied aan de gemeente Westerschouwen zal worden toegevoegd, dan, ware de nieiiwe grens tussen Westerscliouwen en Middenschouwen te leggen 'langs de kavelsloten, welke in het streekplan de bagi-enzing voimen van het rekreatieigehied.

De minister meen.t, dat de

bezwaren

niet moeten leiden tot wijiziging, en beroept zich op de meiuing van Gedeputeerde Staten van Zeelarcd. Het is zeer moeilijk om de aangevoerde ai-gumenten tot wijziging te beoordelen, alsook om te bewijzen, da; t de metiing van de gemeentebestui-en onjuist is.

Aangezien ik het geheel toch niet aanvaaiidbaar acht en gaaime zaïg, dat alsnoig een ander voorstel werd' voorge-'lagd, zal ik daaiiOTJ niet verdei-ingaan, doch we'l wil ik mijn bezwaren kenbaar maken, dat deze wijziging volgens de nota naar aanleiding van het verslag gegrond is op een ontwerp^streekplan. Naar m'ijn mening wordt: ten eerste, te veel waarde geihecht aan dit ontwerp, en ten tweede acht ik het zeer bedenkelijk, dat de meninig van planologen invloed gaat oefenen op de igj'ensindeling van de gemeenten. Mijnheer de Voorzitter! Toen ik ^de ministea-over het "vorige voorstel' hoorde spreken, dacht ik, dat "wij dezelfde mening hadden en bij dit ontwen'p gaat het pi'ecies de andere richting uit ak het geval was bij de .behaaideling van het voorstel betreffende Dordrecht en Dobbeldam.

In hetgeen wordt voorgesteld zie & geen voordeel en ook geen noodzaak, althans w at het igedieel tetreft, hetgeen dus inhoudt, dat ik mdj niet tegen enkele onderdelen van hetgeen nu voorgesteld' is vooi-midden-Schouwen wil stallen, doch aan dit voorstel zal ik mdjn steun niet kiwmen geven.

REKTIFIKATIE

In het stuk „Tweede Kamer", voorkomend 'in „De Baniei-" van 21 juli 1960, st'Onden een paar zeer storende drukfouten. Op iblz. 1 staat in de inleidiiTg: aanvaardbaar, terwijl dit onaanvaardbaar moet zijn. Op blz. 2 staat ergens „zelf" in plaats van zelfs, en in de op één na laatste regel dei-r-epliekrede is het woord geen weggevallen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1960

De Banier | 8 Pagina's

Gemeentelijke herindeling van Schouwen-Duiveland

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken