Bekijk het origineel

De Sportnota

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Sportnota

15 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van de heer Kodde

I

Van de onderwerpen, welke nog voor het reces der Kamer in (behandeling kwamen, was dat betresffende de sport wel het breedst besprokene. Dit geschiedde naar aanleiding van de door Minister Cals en zijn beide staatssekretarissen ondertekende Sportnota, een lijvig st'iik van 42 bladzijden, met daaraan toegevoegd nog eens 51 bladzijden met tabellen^ plus 4 losse vellen ook al met tabellen en .grafische voorstellineen. De officiële naam van deize nota e is:

„Nota betreffende lichamelijke vorming len sport”.

De lichamelijke vorming wordt er in onderverdeeld in lidhamelijke voi¥ning i n schoolverband en buiten söhooiverband, terwijl ook aandacht ^\ï)rdt geschonken aan de taak van miiversiteiten en bo'gesdh'olen met betrekking tot de lichamelijke vonning en de sport.

De veertien bladzijden^ welke aan de S'portbeoefening ge\\ijd zijn, handelen na een inleidüig over de ndet-igeorganiseerde sportbeoefening en aan spel en sport verwante vormen van aiktieve openluchtreikreatie, over de georaniseerde sportbeweging, over de personele en materiële voorzieningen, over de financiën en over de medische sportkeuring.

In de laatste vijf bladzijden wordt hoofdzakelij'k gehandeld over de taken der 'gemeentelijike, provinciale en rijks-O'Verheid ten aanzien van de liohamelijlke voiming en de sport, terwijl besloten wordt met 'het aangeven van de m.aatregelen, welke de regerinig met het oog op een en ander nog nodig adht. Het was bij de openibare behandeling van deze nota wel zeer opmerkelijk, dat er van de zijde van het publiek maar zeer weinig belangstelling voor bestond. Tei-wijl de tri'bunes en lo'ges bij de behandeling van het wetsont^verp inzake de voetbalpool ovenvol waren, kon men de bezoekers op de gereserveerde en puibliëke tribunes nu gemakkelijk tellen. Wel een 'bewijs, 'dat 'het bij zeer velen van ons vo'lk meer om de krukkiers gaat dan om het spel!

Met deze inleiding zullen wij volstaan en thans het eerste gedeelte laten •volgen van de rede, welke bij deze gelegenheid namens de S.G.P.-fnaktie door de heer Kodde werd gehouden. De heer Kodde sprak als volgt:

Mijnheer de Voorzitter! Om igeen tijd te verliezen, wil ik mij beperken tot de inhoud van de nota en - wil ik trachten daarbij onze zienswijcse mede te delen l> etreffende de zaken, die daarin zijn vermeld.

De nota handelt over 't leiding geven aan de jeugd. De wijste der koningen, door Gods Geest geleid, schreef: „Leer de jongeling de eerste beginselen naar de eis van zijn weg; als hij oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwjken". Er is een taak inzake de opvoeding en vonming van de jeugd, maar het is van groot gewicht wat geileerdi wordt. Er. is een taak voor de ouders of verzorgei(*s, yoor de isdhool, vojor de kerk en voor de Overheid. In de nota hebben. de bewiad^liöden omschreven wat zij siien als taak voor de Overheid, in de eerste plaats voor de sdhoolonderwijs onbvanigende jeugd en vervolgens voor hen, die in het arbeidsproces zijn opgenomen; dan zal het niet altijd meer de jeuigd betreffen, doch ook een deel van ons volk, dat niet meer tot de jeuigd kan worden gerekend.

Ook ik wil mij eerst bepalen tot de taak, welke aan de Overheid is toegedacht ten opzidhte van hen, die schootonderwijs ontvangen. Op blz. 6 vrordt, terecht, gesteld, dat de

verantwoordelijkheid

voor de opvoeding in haar totaliteit bij de ouders berust. Verder lezende, wat in de nota as gesteld, rijst wel de vraag welk gewiclit aan die wxx)rden moet worden gehecht, wat de bewindslieden onder de taak in haar totaliteit, welke door de ouders m, oet worden verricht, versüxan. Dat de school een ibelangrijk gedeelte van de taak der opvoeding overnam, is niet te ontkennen, maar bij mij is wel de vraaig gerezen of in deze nota, wat de lichamehjke vonning betreft, niet te veel aan de school is opgelegd of toegedacht.

Wordt ook niet al te grote waarde aan de lichamelijke voimiiig toegekend? Als op blz. 7 wordt gezegd;

„in toenemende mate vi'ordt aldus de noodzaak, voortvloeiende uit de aaixl van de opvoedinio-als geheel, erkend, dat de sdhool bij de vervullirug van haar specifieke ondePwij-staak rekening houdt met de eisen van de totale persoonlijkheidsvorming der jeugdigen en dat zij deilhalve ook de lichamelijke vorming daarop afstemt”,

wordt dan wel in bet ooig gehouden, dat de vonniing van het lichaam, die Beker niet zonder belang is, toch voor de persoonlijkheidsvorming

op de tweede plaats

moet blijven. Is de liohaamsvonming het eerste beginsel, waarop Salomo doelde? Immers neen! , , De \Teze des Heeren is het beiginsel der wijsheid; allen die ze doen, hebben goed verstand”.

Zie, Mijnheer de Voorzitter, wij vrezen, dat het heel (goed mogehjk is, dat de laatstgenoemde door de eerste wordt tegengehouden, althans zeker niet genoegzaam op de voorgrond komt. Het is dan ook noodzakelijlk, dat de primaire verantwoordeUj'kheid der ouders onverkort bHjft, dus dat de ouders ook htin invloed houden op de lichamelijke vorming, ook al herft de school een deel van die taak overgenomen. De ouders zuMen, door middel van de schoolbesturen, vrijheid moeten hebben in het kiezen van de personen, die de lichamelijke vorming hebben te ledden, van hen, die ook daarin een deel van hun taak overnemen, en van de mate, waarin die wordt gegeven.

Op blz. 9, par. 4, wordt igesteld, dat het de taak van de inspeiktie van het kleuteronderwijs is, de gemeente-en schoolbesturen, alsm, ede de hoofden der kleuterscholen de helpende hand te bieden bij het oplossen van de

vele vraagstukken,

welke zich met 'betrekkinig tot de lichamehjke vonning in de sektor van het kleuteronderwijs voordoen. Nu kan een helpende hand zeer aangenaam zijn, als er werkehjik behoefte is aan hulp. Het is echter ook miogelijk, dat die helpende hand wordt uitgestoken, als de behoefte aan hulp niet wordt aangevoeld en ooik niet aanwezig is. Het is niet uitgesloten, dat wordt uitgegaan van de gedachte, dat de behoefte oiet wordt onderkend, dus niet aangevoeld, en dat er toch nood is. Daarin kan een gevaar sohiülen; daarin Hgt de mogehj'ldheid, dat de verantw"oordelij> klieid van de ouders wordt ondermijnd; dat iets wordt gevraagd te doen, dat niet wordt begeerd; ja, dat er iets wordt gesteld, dat in strijd is met de

vreze des Heeren.

Nu wordt die helpende taak wel nader aangeduid in genoemde paragraaf, doch gezien het tegenwoordige streven ben ik niet geheel gerust. Reeds heb ik er op gewezen, dat ik vrees, dat te veel gewicht wordt gehecht aan de lichamelijke vorming, maar die vrees wordt nog versterkt, als ik op blz. 9, linkei"kolom, onder hoofdstuk 3, par. 1, lees:

„Voorts wordt in toenemende mate ingezien, dat ook gedurende de lagere schoolperiode de grondslag wordt gelegd voor de sociale vorming van het individu en dat de lichamelijke vormiilg in sohoolverband tal van mogelijkheden 'biedt om met name aan dit aspekt der opvoeding een waardevolle bijdrage te leveren”.

En verder lees ik in die kolom:

„en omdat zodoende tijdens het lager onderwijs de basis kan worden gelegd voor een gezonde lichamelijke ontwikkeling van geheel ons volk”.

Het kind vraagt om 'beweging. Het zitten in de schoolbanken, hoe noodzakelijk ook, is eigenlijk tegen de natuurlijke gewoonten van het kind in. Wat jeugdig is, wil beweging. Het kind wil huppelen, wil vrij zijn. Er is dus alles voor te zeggen, dat het kind gelegenheid tot beweging krijgt, dat de schooltijden

onderbroken

worden door mogelijkheden tot beweging. Er kunnen echter wel bezwaren rijizen, wanneer die beiweigin, gen ook weer zeer nauwkeurig worden geleid. Er zal toch gelagenheid tot ontspanning moeten zijn en die gelegenheid kan worden verminderd, als dan weer in verband lichamelijk moet ^vorden geoefend. Indien naast 'de tijd voor de lichamelijke oefening nog de tijd moet worden gegeven voor vrije beweging, kan er wel tijdnood komen. Er wordt gesteld, dat wordt gestreefd naar drie lessen per week per klasse, doch er wordt niet venneld hoe lang die lessen zullen duren, dus het is niet te bepalen hoeveel tijd nodig is.

Op blz. 10 lees ik, dat het rijksschooltoezicht zal worden opgedra'gen, in samenwei'king met de daarvoor in aanmerking kamende instanties, richtlijnen voor de samenstelling van 'leerplannen te ontwerpen, waarnaar gemeente-en schoolbesturen zidh desgewenst zullen kunnen oriënteren. Het wordt — dat wil ik niet ontkennen — heel voorzichtig gesteld, met vermijding van alles wat naar opdringen wijst. Toch is het gevaar te vrezen, dat, door afhankelijkheid, op de één of andere wijze — en m.ogehjkheden zijn er vooral tegenwoordig veel — de wenk een bevel kan worden in de praktijk van het leven. Dat er

moeilijkheden

zullen rijizen ten aanzien van de gelegenheden, wordt niet ontkend. Dat het wenselijk is, dat de jeugd plaatsen heeft om ongestoord te kunnen spelen, zonder gehinderd te worden door het verkeer en zonder hinder voor zioleelf, zonder gevaar door het snelle vei'keer gewond of igedood te worden, valt niet te ontkennen. Wel kan de vraag rijzen, wie tot het maken van die gelegenhe­ den zal dienen over te gaan. Ook kan het een vraag zijn, wie toezicht zal moeten houden op de spelende jeugd buiten de schooltijden. Of wordt verwacht, dat die gelegenheden zodanig zullen zijn, dat geen bijzonder toezicht nodig is?

Ingestemd kan worden met de gedachte, daf 'bij het gewoon lager onderwijs de k!lasseonderwiji2«? r in beginsel ook wordt belast met de zorg "voor lichamelijke oefening. Toch zal voorzichtigheid nodig zijn en daarom is het juist, dat gesteld is „in principe". Er kunnen uitzonderingen moeten 'Worden gemaakt, zodat een gebiedend 'voorsohrift niet is aan te bevelen.

Gezien het overzicht op blz. 13, is niet te verwachten, dat spoedig het aantal

aktebezitters

groot zal zijn. Gedacht wordt aan het uitbreiden van de inspekties van het lager onderwijs met deskundigen inzake de lichamelij'ke opvoeding. Zal dit echter niet tot konflikten leiden?

Op blz. 16 zeggen de 'bewindslieden, dat het medegebruik van gymnastieklokalen, welke niet tot de scholen 'behoren, op de duur niet zal zijn te handhaven. Wel is ook opgemerkt, dat de eis niet is te stellen, dat kleine nijverheidssoholen over een eiigen gymnastieklokaal moeten beschikken. Geldt 'dat alleen voor kleine nijverheidsscholen? Hoe staat het rnet andere kleinere onderwijsinriehtingen? Hoe staat het bijvoorbeeld met de lagere landbouwscholen? Het is niet mijn 'bedoeling 'Om aan te dringen op het bouwen van gymnastiaklokalen bij iedere school, maar wel om er aandacht voor te vragen, dat de eisen niet

te hoog

moeten worden gesteld en dat zeker niet het stichten van scholen mag afstuiten op de onmogelij'kheid een eigen gymnastiek lokaal te hebben. Daardoor kan het plattelandsbelang geschaad zijn. Ook valt het op, idat de 'kosten niet gering zijn en dat zij nog steeds stijgen. In 8 jaren tijd zijn die kosten 'gestegen van ƒ 30.000.-tot ƒ 840.000.-of wel 28 maal 'het eerstgenoemde bedrag. In aanmerking nemende, dat uitbreiding wordt overwogen, is ook te veivvachten, dat de kosten nog zullen toenemen. Als ik verder in aanmerking neem, dat in 1960 voor lichamelijke vonning en sport reeds ƒ 3.626.3.50.— is uitgetrokken, acht ik 'het toch wel nodig ook op de uitgaven te letten.

Staan wij al wat gereserveerd tegenover de lichamelijke vorming tijdens het schoolondei-wijs, tegen wat omtrent het jeugdwei-'k is gesteld, bestaan ernstige bezwaren. Er is veel vrije tijd. Dat feit kunnen en willen wij niet loochenen. Het is nodig de jeugd, vooral in de tijd, dat zij vrij is, te

beschermen

tagen de gevolgen van nietsdoen. Maar moet dat nu z» worden gedaan, dat weliswaar tegen het doen van dat kwaad gewaakt wordt, maar dat, dat degene, wat daartoe wordt 'gebniikt, ook als niet goed is aan te merken? Aan brood en spelen is weleer het Romeinse Rijk ten onder gegaan. Moeten wij nu gaan aanmoedigen tot een sport, welke leidt tot mensvergoding? Moeten vidj nu opwekken, aan dingen mede te werken, die de lusten en het vermaak wel strelen, maar de mens niet doen 'beseffen, dat hij eenmaal van al zijn daden rekenschap zal geven en dat hij geroepen is om God de eer toe te ibrengen? Moeten wij de lusten, in de mens door de zondeval aanwezjiig, aanwaJdkeren?

De 'bewindslieden stellen op biz. 2.3

„Vele jeu)gdoi: ganisaties passen een werkwijize toe, welke hen in staat stelt een waardevolle bijdrage tot de lichamelijke vorming van de jeugd te laveren. Men denke in dit verband aan de hygiënische en vonmende waarde van trekken en kamperen van speur-en opdraohttochten, vaa beoefening van watersport en oijenluchtspel; voorts aan de betekenis van ivolksdans en lekenspel”.

Aditen de bewindslieden die volksdans en dat lekenspel een waardevolle bijdi'age tot de lichamelijke vorming? Zien zij dan ook niet de

gevaren,

welke daaraan verbonden kunnen zijn? Worden geen lusten opgewekt, welke verderfelijk 'zijn, niet alleen voor het lichaam, maar ook voor de ziel? Ode het trekken, het kamperen en wat daarmede verband houdt kan tot allerlei verkeerde gewoonten leiden. Laat op .straat, onjuiste omgang met per»> nen van andere sexe, zich uitleven, zijnde onttrokken aan de kontrole van ouders of verzorgers en aan de invloed, welke uitgaat van een bekende omgeving.

Er mag worden tegengeworpen, dat de leiding dan niet deugt, doch het schijnt dan wel, dat het vaak aan een goede leiding ontbreekt. Het lijkt mij, dat door al dat streven juist aanleiding wordt gegeven tot onjuiste 'handelingen en dat het niet alleen leidt tot het tegenovergestelde van wat de bewindslieden als een waardevolle bijdrage tot de lichamelijke vorming aanduiden, rnaar ook zielsverwoestend is.

De bewindslieden zien ook een taak voor de ovei''heid bij de bouw van

sporthallen en zwembaden.

Hebben zij daarbij oveinvogen, dat die sporthallen nodig zijn om de sportbeoefenaars in staat te stellen mee te kunnen doen aan de internationale jacht op topprestaties? Moet het nu daarheen? Leidt vooral het roemen van hen, die op internationaal niveau tot grote sportprestaties kom'cn, niet tot mensvergoding, tot sport'verdwazinig, tot hoogmoed, tot begeerte, die leidt 'tot misbruik maken van de vrije tijd? Leidt dat niet daarheen, dat nuttige en nodige dingen worden nagelaten om een begeerte vervuld te krijgen, namelijk om ook zelf zo'n 'beroemdheid te worden? Naar mijn mening staat het vast, dat het daarheen leidt. Inwnersi, na de zondeval wil de mens zich 'handhaven en verheffen 'boven anderen, wil hij beroemd zijn, toejuichingen ontvangen, de held van de dag zijn.

Anderen mogen menen, dat de nota teleurstellend is, omdat van een riohtiig geven aan de ontwikkeling van de sport geen sprake is, vx)or ons is het

teleurstellend,

dat de regering niet wenst op te treden tegen de excessen, welke er luit d© sport voortvloeien, maar die integendeel bevordert.

Anderen mo'gen stellen, dat het sen bemoedigend feit is, dat 'bijna twee op d« drie jongelui nog wel ergens aan mee willen doen, doch het is mij niet hetzelfde, wat zij dan doen.

Het mag worden betreurd, dat een breed terrein voor goede vrijetijdsbesteding in christelijke geest ibraak hgt, d'ocJi ik vermoed, dat er wel tussen hen, die dat stellen en mij een verschil zal zijn over de vraag, wat een goede ohristeHjke vrijetijdsbestedinjg is.

Dat door op ruime schaal en op ver-Eorgd niveau gelegenheid te bieden tot portbeoefenmg een opvoedende taak JOU Jcimnen worden verricht, kunnen jv-ji niet onderschrijven. Inte^ndeel vrej0i wij, dat hier gaat igöbeuren wat plaatsvindt als het water door een dijk («eaing vindt. Ook als is die nog zo yein, dan zal het water niet meer zijn te stuiten en tot een

ramp

leiden. Het is te vrezen, dat de sport Ijoofdzaaik gaat worden, dat studie en werk er onder zullen lijden, dat de samenleving er niet door verbeterd, maar verslechterd rwordt. Indien ons land in het buitenland bekendheid nodig heeft, laat dat dan zijn, dat er naam van uitgaat vanwege de vreze Gods, welke ec jn woont.

Onzerzijds is er ernstig bezwaar tegen (Ie verhoging van de subsidie aan het

Nederlands Olympisch Comité.

Immers, daardoor wordt in nog meerdere mate de sporfeverdwazinig bevorderd, de mens verheerhjkt wegens zijn laacht, verheerlijkt wegens sdjn kunnen. Is het bevorderen daarvan de taak van de overheid? Is het haar taak dergeKjike instellingen te bevorderen? Immers neen, zoals ik al in het begin gezegd heb, zoals ik heb aangewezen wat een eerste taak is ten opzichte van de jeugd. De i> ewinds]ieden schrijven, op blz. 25, bovenaan:

„De vrije tijd ibiedt 'bij uitstek de mogeHjkheid tot een vrije keuize, die zich telkens kan verwepkeüjiken naar de behoefte en het linziciht van ieder persoonlijk. Daardoor speelt de vrijetijdsbesteding een bijzondere rol in de zelfde ontplooiing van de mens”.

Reeds heb i< er op geweeen, dat de sport dreigt hoofdzaalk te worden en dat studie en 'w'erk ei" onder zullen lijden. Niet alleen dit, maar ook de

vrijheid

zal er door kuiuien lijden. Nu zal gevraagd ^vorden; Maar hoe dan toch? De persoon is toch vrij? Inderdaad, door de wet, door de overheid wordt de persoon niet gebonden, maaa-hij kan bindingen krijgen aan zijn lust tot ver­ heerlijking van zichzelf. Hij kan gebonden zijn aan zichzelf in een richting, die hem. geiheel leidt, 2)odat er geen sprake meer is van ^vrijheid en de z.g. zelfontplooiing wel zeer eenizijdig wordt. De ontploodinig, zal het goed zijn, dient te leiden tot algemene ontwikkeling. De ware vrijheid zal niet gevonden worden dan in gebondenheid aan God, dan in het bukken en buigen onder God. Slechts als onze wiü is gevangen genomen onder Gods wil, als God ons een nieuiw schepsel maakt in Christus Jezus, kunnen wij waarlijk vrij zijn. Daartoe acht ik de sport niet te leiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1960

De Banier | 8 Pagina's

De Sportnota

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken