Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CCVII.

Aandrang op Groen om zich weer beschflcbaar te stellen voor de Tweede Kamer. Redenen van afvirijzing. Wat Groen er in 1862 toe bewoog weer een kandidatuur te aanvaarden.

In de jaren tussen 1857 en 1862 hebben Groens vrienden er telkens bij hem op aangedrongen om zich weer voor de Tweede Kamer te wiMen besohikbaar stellen. Dit deden zij in 1859 toen de kandidatuur voor Gorkum' ter sprake kwam, zij herhaalden hun pogingen in I860; maar ibeide keren meende Groen, dat hij in het belang der zaak voor vaderland en kerk van het lidmaatschap der Tweede Kamer moest afzien. In 1860 voegde hij hieraan nog toe, dat het bezwaar voor hem voor als nog onoverkomenHjk was, omdat zijns inziens de omstandigheden sedert 1857 niet veranderd waren en hij evenals toen van de onmogelijkheid overtuigd was om de hoogste volksbelangen, waarover hij niet modht stiüzwijgen, met enige vrucht in de Tweede Kamer ter sprake te brengen. Uit één van Groen afkomstige brief bhjkt, dat hij nog altijd de wonde gevoelde, welke heim door minister van der Brug^hen was toegebracht toen deze een wetsontwe'rp voor zijn rekening nam', dat lijnrecht tegen de door Groen voorgestane ibeginselen inging. Door deze daad van Van der Brugghen toch was de eensgezindheid, waardoor het optreden van Groen en eijn geestverwanten zióh weleer kenmerkte, totaal verbroken.

Er was echter behalve de breuk tussen Van der Brugghen en hem nog iets anders wat Groen er van weerhield zich opnieuw voor het lidmaatschap der Tweede Kamer te geven. Het was de tegenwei-king der etisch-irenische predikanten, de miskenning, die hij van samengaan van de uitnemendsten onder hen had ondervonden. Deiae hadden eioals Groen zelf in een brief aan een zekere Van Goens schrijft, in hem plotseling een bekrompenheid van inzicht en bedoehng ontdekt, waardoor alle samenwerking en overleg onmogeh'jk werd gemaakt. Onder die omstandiigheden het lidmaatschap der Tweede Kamer te aanvaarden, zou volgens Groen de goede zaak meer schade doen en strekken om het onvermogen, waarin de antirevolutionaire richting door eigen verdeeldheid was gebracht, te doen uitkomen. Slechts dan zou er weer uitzicht op slagen zijn, wanneer de christenvrienden zich opnieuw aaneensloten.

Bedenken wj, dat Groen het zoeven genoemde standpunt in 1860 nog deelde, dan is het wel merkwaardig, dat 'hij in 1862 toch weer een kandidatuur voor de Tweede Kamer aanvaardde. Dit vond niet zijn oorzaak daarin, dat er in het verloop van die twee jaar een kentering ten goede was gekomen in de verhouding tot de etisoh-irenische predikanten. In vorige artikelen heibben we reeds aangetoond, dat die verhouding niet beter doch veeleer scherper werd als gevolg van Groens arbeid ten 'behoeve van de „Verenigiu'g voor Christehjk Nationaal Schoolonderwijs", welker streven was om zoveel mogehjk bijzondere, christelijke scholen op te richten. Neen, van een toenadering en een zioh aaneensluiten der door Groen zo genoemde christenvrienden was geen sprake. Alle moeite, die Groen zich getroost had om die aaneensluiting alsnog te verkrijgen, was 'tevergeefs geweest. De oorzaak, dat Groen zidh in 1862 weer bereid verklaarde in de Tweede Kamer zitting te nemen, moet dan ook uitsluitend gezocht worden in de ongunstige ervaringen, welke met de onderwijswet van 1857 'Werden opgedaan.

In vorige artikelen hebben wij reeds breder bij die ervarin'gen stilgestaan. Zij bestonden onder meer dn het verstrekken van kosteloos onderwijs op de openbare school aan kinderen, wier ouders best in staat waren om schoolgeld te betalen. Door Groen en de zijnen werd dit aangemerkt als een indirekte aantasting van de vrijheid van onderwijs, daar het verstrekken van kosteloos onderwijs Op de openbare school het oprichten van een bijzondere school «vrijwel onmogelijk maakte, of wanneer er zulk een school ergens vs'as opgericht het voortbestaan hiervan in groot gevaar bracht. Hier kwam nog bij, dat het onderwijs op de openbare school verre van neutraal was. Volgens de wet van 1857 mochten namelijk de onderwijzers niets 'leren of doen, wat voor de godsdienstige overtuiging der leerlingen stotend kon zijn, maar in de praktijk werd met deze bepaling door het onderwijczend personeel schrO'meUjk de hand gehcht. Al meer en meer k\vain aan het licht, dat de openbare school een kweekplaats was van het modernisme.

Zo deelt dr. Vos in zijn 'boek over „Groen van Prinsterer en zijn tijd" mede, dat onderscheidene onderwijzers de aap voorstelden als de oermens; voorts kwam het niet zelden voor, dat door hen het slecht lezen op school werd verklaard uit het Bi|bellezen in 'huis! Vroeg een kind in stilte een zqgen voor het eten, dan werd daarm'ede door de onderwijzer menigmaal de spot gedreven. Ook is het gebeurd, dat een leerling gestraft werd enkel en alleen omdat hij een Joodse leerhng, die tegen hem had gezegd, dat er nimmer een Jezus had 'bestaan, had toegevoegd, dat er wel een Jezus 'geweest is, maar dat Deze door de Joden (gekruisigd was. Dat deze jongen hiervoor gestraft werd, bewijst •wel klaar en duideh|k, dat het onder-\vijzend personeel dezer openbare school zich verre van neutraal gedroeg. Een ander geval betrof een onderwijzer van de openbare school te Oosterlittens, die bij zijn onderwijs leerde, dat al wat in de Bijbei staat, geenszins waarheid is. Toen de vader van één dezer leerlingen hierover zijn beklag indiende bij het gemeenteibestuiur, kreeg hij ten antwoord, dat 'de betreffende onderwijzer niet schuldig was aan wetsovertreding.

Een andere onderwijzer van diezelfde openbare school trad allerergerhjkst op tegen een leerling van 13 jaar, omdat deze een vrij opstel had gemaakt over de man, die van de dmvel tezeten was en daarvan door de Heere Jezus verlost werd. Dat was echter de onderwijzer niet naar de zin. Hij zei, dat die man niet van de idiuivel bezeten, maar krankzinnig was. De jongen moest toen een ander opstel maken. Hierin wees hij er de onderwijzer op, dat hij naar de woorden uit de Openbaring aan Gods Woord niet te kort mocht doen. Verder kwam hij echter niet, want de onderwijzer kwam bij hem oan te lezen wat hij schreef. Toen 'hij de vermelde woorden las, ontstak 'hij zo zeer in woede, dat hij 'de jongen toevoegde, dat hij van de duivel bezeten was en de duivel in zijn hart 'had, om hem daarna met de liniaal te slaan, te stompen en onder het geven van een schop weg te jagen. De vader diende een klacht in bij de gemeenteraad, doch ook nu werd de onderwijzer de hand 'boven het hoofd gehouden.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1960

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken