Bekijk het origineel

De antithese

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De antithese

12 minuten leestijd

De antithese is en was tallozien, ook in ons land, een bron van ergernis.

Zij willen er zelfs met geen woord over gesproken hebben, vooral niet om de tegenstelling, welke er is tussen degenen, die God vrezen en die Hem niet vrezen. En todh, hoezeer deze tegenstelling ook gehaat moge zijn, zij is er. Zij valt niet te ontkennen of weg te redeneren. Vooral daarom niet, omdat zij niet door de mens, maar door God Zelf gelegd is. Sla Gods Woord maar eens op, telkens zult gij haar daarin vermeld vinden.

Reeds op de eerste bladzijde wordt daarvan gewag gemaakt, als God de Heere tot de vrouw zeide: „En Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, en tussen uiw zaad en haar zaad; dat zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen".

Wij zien haar ook later weder aan de dag treden, toen de wereld om haar goddeloosheid door de zondvloed verdelgd werd, en mochten de Zijnen voor dat sohriMoelijk oordeel bewaard worden. En ook in latere eeuiwen wordt het onderscheid gezien tussen degenen, die de Heere vrezen en die Hem niet vrezen. Dit deed de psalmist getuigen: „De Heere is onze sterkte en psakn, want Hij is mij tot heü geweest. In de tenten der rechtvaardigen is een stem des gejuiohs en des heus; de rechterhand des Heeren doet krachtige daden. Ik zal niet sterven, maar leven, en ik zal de werken des Heeren vertellen".

Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des Heeren gaan. Welgelukzahg zijn zij, die Zijn getuigenissen vasthouden, die Hem van ganser hart zoeken.

In het boek der Spreuken van Salomo wordt de vxeze des Heeren zo hoog aangeslagen, dat zij het beginsel der we­tenschap wordt genoemd, tenvijl hij de profeten de klacht te beluisteren valt: „Een os kent zijn bezitter en een ezel de kribbe zijns heren, maar Israël heeft geen kennis. Mijn volk verstaat niet. Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, der verdervende kinderen. Zij hebben de Heere verlaten, zij höbben de HeiUge Israels gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts".

En op het einde van het Oude Testament, in het boek Maleachi, wordt nog eens melding gemaakt van de antithese, waar geschreven staat: , , Dan zult gij wederom zien het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen die, die God vreest en die Hem niet vreest".

Dit wijst wel heel overtuigenid uit, dat de leer van de antitihese niet uit de één of andere duim gezogen is, maar dat sdj een geheel Bifbelse leer is, de waarheid is, welke nimmer door menselijke beschouwingen en redeneringen^ krachteloos gemaakt kan worden. Zelfs niet door hen, die tussen het Oude en Nieuwe Testament zulk een wijd gapende kloof zien, dat zij nu eens dit en dan weder dat als Oud Testamentisdh verwerpen. Er is in deze geen onderscheid te maken tussen het Oude en Nieuiwe Testament, wat velen zo graag en ongemotiveerd doen, waar zij een vrijbrief zoeken voor hun onbijbelse leer.

Even beslist en even nadrukkelijk als in het Oude Testament, wordt ons in het Nieuwe Testament het bestaan van de antithese geleerd. En dit wel zeer klaai en duidelijk in het hogepriesterlijk gebed, waarin Christus getuigt: „Ik heb hun Uw Woord gegeven, en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk Jk odk van de wereld niet ben. Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van de boze. Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Bc van de wereld niet ben. Heilig hen in Uw waarheid; Uw Woord is de waarheid".

Evenals Hij ook tot Zijn discipelen gesproken heeft: „Gij heibt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren". Gelijk ook ontegenzeggelijk op andere plaatsen in het Nieuwe Testament de antithese onomwonden geleerd wordt, onder meer in de eerste brief van de apostel Paulus aan de Corinthiërs, waar geschreven staat: „Want het dwaze Gods is wijizer dan de mensen, en het zwakke Gods is sterker dan de mensen. Want gij ziet u'w roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen, miaar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou, en het ziwaMce der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen, en het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is teniet zou maken, opdat geen vlees zou roemen voor Hem. Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid en verlossing; opdat het zij, gelijk gescJireven is: „Die roemt, roeme in de Heere".

Het behoeft eöhter allerminst verwondering te wekken, dat de waarheid van de antithese zoveel verzet, zelfs bittere haat ten deel is gevallen en nog valt.

De hoc^moed van de mens kan dit niet verdragen. Het bedenken des vleses, dat vijandschap tegsn God is, kan en wü zich der wet Gods niet onderwerpen. Het wil over de val des mensen in Edens hof niet gesproken hebben. Volgens de ongelovige, humanistische levensbeschouwing is de mens van nature goed, althans niet zo verdorven als de Heilige Schrift leert. Daarvan wil zij in het geheel niet weten. Zij acht de mens in staat om zidhzelf te beteren ea te bekeren. Daarvoor ijvert zij dan ook. Zij waant, dat daartoe geen krachtdadige werking van Gods Geest nodig is. Leert iemand dit, dan bruist de vijandsdhap tegen hem los. Hij heeft te wachten, dat hij overgoten wordt door een regen van smaad-en schimpwoorden. Men beschouwt hem als een mens, die vanwege zijn achterlijke begrippen in de tegenavoordige maatschappij niet thuis hoort, gelijk Goethe in zijn tijd in scherpe afkeurende bewoordingen over een Zwitserse rechtzinnige predikant dit deed, terwijl een andere humanist, met name Fichte, zich gelukkig prees, omdait hij in een door hem als verlichte eeuw geprezen, leefde.

Wat is er vooral in de dagen van de Franse revolutie met het licht van de menselijke rede gedweept! De menselijke rede is daarin tot een godin verheven. Dit geschiedde, doordat eerst de godsdienst der rede in de plaats van de roomskatholieike kerk gesteld was. De koostitutionele bisschop van Parijs werd overreed om afstand van zijn waardigheid te doen. Men beduidde de bisschop, met zijn vicarissen en vergezeld door de autoriteiten der commune, vóór de balie zelf, met de konventie te komen en' daar zijn ambt neer te leggen. Dit deed hij 7 november 1793. De konventie nam dit besluit aan. Door de invloedrijkheid hiervan, werd de bisschop gevraagd, nog voor de balie van de konventie staande, dat in de nieuwe republiek de dag zou aanvangen als „de dag der kerk"; en teruggekomen op het stadhuis, liet hij door de commuaie mededekn, dat er een inauguratie na de „dienst der rede" zou plaats hebben in de kathedraal van Parijs.

Dat schouwspel werd 10 november 1793 opgevoerd ia de kathedraal van Parijs. Op de plaats van het altaar en ter vervanging daarvan, v/as een soort van verhevenlheid opgericht, en op de top tussen het groen en de bloemen, was de actrice van de opera, die de godin der rede voorstelde. Een wit gewaad omsloot haar leden, een blauwe mantel golfde over haar schouders. Zij droeg een rode muts op haar hoofd en had een piek in haar hand. Aan haar voeten stond het vrouwelijke koor uit de opera, ki het wit gekleed en met eikenloaf getooid.

Toen de plechtigheid in de kerk afgelopen was, ging de ganse stoet, met de godin der rede en het koor, naar de konventie en verzocht men, dat voortaan de kathedraal geheel en al aan de dienst der rede zou zijn ge^vijd. De konventie liet niet na haar waardering voor de optocht uit te spreken en voldeed de wens van de commime. Op verschillende plaatsen zag men nieuwe optochten met godinnen der rede, de ene nogal fraaier uitgedost dan de andere.

Het bovenstaande toont ons aan in welke ongehoorde vijandelijkheden de mens al niet kan vervallen, indien hij God en Zijn Woord de rug toekeert.

Bijgeloof en ongeloof voeren tot allerlei tijdelijke en eeuvrage ellende. Richt m^i ach naar het verduisterde verstand, wat men met rede opsmtikt, dan moet dit noodwendig tot allerlei ellende voeren. De hoog verheven rede leidde tot het gebruik van de guülotinie, dat aan duizenden het leven zou kosten. Zij was het middel, dat de bovendrijvende partij gebruikte, om op een onbarmhartige wijze uit de weg te ruimen, die haar en haar mannen in de weg stonden. Dit middel zien wij gedurig weer door de partij, welke aan het bewind is, te baat nemen.

Niet alleen werd er in de Franse revolutie gretig gebruik van gemaakt, doch ook in Oost-Duitsland en in Hongarije. Ook aldaar werden nog betrekkelijk kort geleden, met behulp van tanks en andere gewelddadige middelen, om het leven gebracht, die tegen het fungerende bewind in verzet kwamen, men kent nu geen medelijden. Kent men geen pardon, dan komt zelfs de „rede", waarvan men anders de mond zo vol heeft, in het geheel niet in aanmerking. Nochtans wordt de waarheid van de leer der Reformatie er in bevestigd, dat een mens van nature gans onbekwaam tot enig goed en geneigd is tot alle kwaad. Als ook, dat er inderdaad een antithese bestaat tussen degenen, die God vrezen en die Hem niet vrezen. Men poogt deze waarheid wel krachteloos te maken door tiaar weg te lachen en weg te spotten, maar deze belaching en bespotting zullen niet baten, evenmin als de waarheid van het bestaan der hel en der duisternis weg te lachen en weg te spotten zijn.

De antithese is er. Zij openbaart zich keer op keer weer. Zij treedt aan de dag in de afkerigheid en vijandschap tegen de Heere en Zijn geboden. Daaraan wü de mens krachtens zijn verdorven aard geen gehoorzaamheid bewijzen en kan het deswege ook niet. Hij wü niet ; buikken onder het zachte juik van de Heere Jezus, Wiens juk licht is en Wiens geboden niet zwaar zijn.

Ieder mens wordt door de Heere geboden. Ham in al Zijn wegen be kennen. Hem lief te hebben boven alles en zijn leven naar Zijn geboden te leiden. Ons staat in Zijn Woord beschreven, dat wij zonder Hem niets kunnen, zelfs geen enkele Gode verheerlijkende gedachte kunnen denken, gelijk de apostel Pauliis in één van zijn brieven schrijft.

De eis luidt, welke de Heere van een iegelijk mens eist, dat hij haar vervult: , , Ken Mij in al uw wegen", waaraan BLij de belofte toevoegt: „en Ik zal uw paden recht maken".

Voeg daar nog aan toe, dat de Heere gebiedt: „Hetzij dat wij eten, hetzij dat wij drïnï< en, hetzij dat wij iets anders doen, dit alles te Zijner eer te doen", en dat Hij beloofd heeft, en Zijn beloften falen niet: , , Die Mij eren, zal Ek eren", terwijl Hij de vloek en Zijn toom uitspreekt over al degenen, die vlees tot de arm van bun vertrouwen stellen.

Degene, Die niet Hegen kan, met Wiens Woord en wet nog niemand bedrogen is uitgekomen. Die de Overwinning Zijns volks is, getuigt: „Vertrouwt niet prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is; zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot de aarde; te diezelve dage vergaan zijn aanslagen".

Welgelukzahg is hij, die de God Jacobs tot zijn hulp heeft, wiens verwachting op de Heere, zijn God is. Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is. Die trouwe houdt in eeuwigheid.

Verwondering ibehoeft echter niet te verwekiken, hoe bedroevend het ook is, dat de mens van nature zich der wet Gods niet onderwerpt, en gdkant is tegen Gods waarheid, hoe heilzaam hem deze ook is.

Hij leeft in allerlei drog-ea droombeelden, bouwt allerlei luchtkastelen en steit daar zijn vertrouwen in, dao dat hij zich naar Gods Woord en waarheid richt. Hij aanbidt het werk zijner handen en gaat daarbij met zijn verduisterd verstand te rade.

Zo laat het zich ook gemakkelijk verklaren, dat hij van de antithese, de tegenstelling onzer dagen, die God vreest en Hem niet vreest, niets van nature moet hebben. Deze waarheid is hem een steen des aanstoots en een rots der ergernis. Desniettemin hoe gehaat de leer der antithese ook moge zijn, bestaat deze antithese. Hij openbaart zich in het leven der mensen, hij is daarin zelfs een gewichtige faktor. Degene, diis God vreest, kan en zal niet leven zoals degene leeft, die Hem niet vreest. Naar zuUc een leven behoort elk mens te staan, waarin de eer Gods in waarde wordt gehouden.

Vooral in onze dagen, waarin zoveel met de christelijke verf overtrokken en geverfd wordt, en zoveel christelijk geheten als christelijk versleten wordt, wat niet ohristehjik is, kan daarop moeilijk te veel de aandacht gevestigd worden. Het komt hiepbij niet op schijn, maar op ajn aan. Het gaat de krachten van ieder mens te boven, om naar de eis van Gods Woord te lewn; nochtans is het een verfoeilijke en grove zonde, zidh daarachter te verschuilen en dit te baat ts nemen om zijn onoprechtheid en onwil toe te dekken. Er is nog een God in de hemel, die zwakken krachten kan schenken en Die onwiUigen zeer gewillig kan maken.

Dat Hij moge gezocht, aangegrepen en aangebeden worden. Die Zich niet tevergeefs laat aanroepen en zoeken. Het zal geen mens berouwen, wanneer hij om des Heeren genade op zijn blote ^knieën gekropen heeft, zelfs aj kwam het eelt vanwege zijn kruipen daarop. De vreze des Heeren deelachtig te worden en te zijn, is dit wel overwaard. Het is het grootste en heerHjkste goed wat in dit leven te bekomen ds, een rijkdom welke de dood een mens niet kan ontnemen. Wat is de waarde en heerlijkheid van alle aardse goed bij deze za grote schat vergeleken? Zij verzinkt daar geheel in het niet. Och, dat men daarom de Heere nog aanroepe terwijl Hij te vinden is en in deze onze dag ook bekent, hetgeen tot onze vrede dient.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1960

De Banier | 8 Pagina's

De antithese

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken