Bekijk het origineel

Voor Oud en gang

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en gang

5 minuten leestijd

CCXII.

Mr. Groen van Prinsterer wijst minister Thorbecke op drie gevallen van kennelijke tegenwerking der bijzondere school. Thorbecke ging hierop niet in. Ziekte van Groen. Na enkele maanden weer in de Kamer.

Nadat Groen in 1862 weer in de Tweede Kamer had zitting genomen, had hij slechts één doel voor ogen, namelijk het opkomen voor de belangen van het bijzonder onderwijs. Geen gelegenheid liet hij voorbijgaan om bij de regering en in het bijzonder bij minister Thorbecke een eerlijke, onpartijdige toepassing van de onderwijswet van 1857 te bepleiten, waaraan het in die tijd maar al te zeer ontbrak. Op allerlei manieren werden de voorstanders van het bijzonder onderwijs tegengewerkt, doch om hiervan het onomstotelijk bewijs te leveren was niet zo gemakkelijk. Dit wist Thorbecke ook wel zeer goed, vandaar dat hij er herhaaldelijk bij Groen op aandrong met feiten voor de dag te komen.

In een der vergaderingen ging Groen hierop in door een drietal gevallen naar voren te brengen. Hij wees er op, dat er ergens een openbare school was, waar Gods Woord was geweerd. Toen echter in deze plaats getracht werd een bijzondere school te stichten, welke pogingen grote kans van slagen bleken te hebben, zond de schoolopziener juist tn die tijd een vijftigtal Bijbels aan het boofd der openbare school met de aansporing ze vlijtig te laten gebruiken. Wanneer van de zijde der voorstanders der bijzondere school daartegen bezwaren werden ingebracht, dan werd gezegd, dat het louter toeval was, dat de cirkulaire om steim voor de op te richten bijzondere school samenviel met deze Bijbelzending.

Voorts bracht Groen het geval naar voren, dat er ergens door minvermogenden een bijzondere school was opgericht met matig schoolgeld. Nauwelijks echter was deze school geopend of op de openbare school werd het schoolgeld verlaagd. Dit gebeurde ook telkens, warmeer de bijzondere school het schoolgeld verminderde. Wanneer de voorstanders der bijzondere school zulke feiten signaleerden, dan werd echter door de tegenstanders der bijzondere school steeds ontkend, dat hierbij van zijdelingse tegenwerking sprake was en werd verklaard, dat men aan het benadelen der bijzondere school zelfs niet in de verste verte had gedacht.

Een derde geval door Groen genoemd had betrekking op het traktement van de hoofdonderwijzer. Hij zei: Het hoofd van een bijzondere school heeft een ruim traktement. Doch wat doet nu de gemeenteraad? Hij verhoogt het traktement van de openbare onderwijzer tot een hoogte, waaraan men vroeger niet zou hebben gedacht.

De Kamer ging op het door Groen gesprokene echter met geen woord in. Alleen minister Thorbecke diende hem van antwoord. Deze verklaarde onder meer, dat hij voor het schooltoezicht niemand aan de koning zou voordragen, die zich als tegenstander van het bijzonder onderwijs had doen kennen, doch hiermede bewilligde hij niet in het verzoek van Groen of de regering bij de benoeming van leden van het schooltoezicht ook voorstanders van het bijzonder onderwijs in aanmerking wilde laten komen. Voorts merkte Thorbecke op, dat het dogma van Groen zeker niet op de openbare school thuis behoorde, maar van een herziening der onderwijswet .1857 waarom Groen had gevraagd, wilde hij niets weten. Op de drie door Groen naar voren gebrachte gevallen ging hij met geen woord in. In plaats daarvan wees hij op Engeland, waar grote verenigingen werden opgericht om bijzondere scholen te stichten. Warmeer dit hier te lande vooral door minvermogenden werd gedaan, moest hij daaruit wel de konklusie trekken, dat de behoefte aan bijzondere scholen in ons land bepaald niet zo groot geacht moest worden. Tenslotte gaf Thorbecke Groen te verstaan, dat zijn strijd ten behoeve der bijzondere scholen de vergadering veel tijd kostte.

In zijn repliek sprak Groen er zijn verwondering over uit, dat Thorbecke, die Engeland ten voorbeeld had gesteld, blijkbaar niet wist, dat er in ons land betrekkelijk kort te voren een Vereniging voor Christelijk Nationaal Onderwijs was opgericht, die reeds 1900 leden telde.

Vervolgens sprak Groen over de noodzakelijkheid van wijziging van de wet van 1857 in dier voege, dat het woord „christelijke" uit de term „christelijke en maatschappelijke deugden" zou vervallen; dat kerkelijke bedieningen met het ambt van openbaar onderwijzer onverenigbaar zouden worden verklaard en dat van ieder schoolgaand kind een bijdrage zou worden geheven ter tegemoetkoming in de kosten van het onderwijs. Een voorstel tot een dergelijke wijziging werd door Groen echter niet ingediend, omdat hij op dat ogenblik hiervoor de om.standigheden niet geschikt achtte. Dat hij deze pimten nochtans naar voren bracht, diende om te vernemen wat zijn mede-Kamerleden hierover dachten, voornamelijk diegenen onder hen, die hem in 1857 bij de behandeling van de wet van 1857 v/aren afgevallen en zich geschaard hadden achter Mr. Van der Brugghen. De andere Kamerleden, op een enkele na, bleven echter een diep stilzwijgen bewaren. Men liet Groen maar praten, ook nadat minister Thorbecke de wenselijkheid had uitgesproken dat de leden der vergadering eens zouden antwoorden. Groen trok uit dit stilzwijgen de konklusie, dat zijn medeleden het niet met hem eens waren, blijkbaar denkende aan de spreuk: Wie zwijgt, stemt toe. Woordelijk zeide hij dienaangaande: „Geen lid dezer Kamer betwijfelt het, dat volgens de wet, volkomen neutraliteit het kenmerk moet zijn der openbare school; hierin komen wij, bij alle verscheidenheid van gevoelens thans overeen, dat al wat met de neutraliteit, in welke zin of geest ook, in strijd is, door de schoolbesturen met de meeste nauwgezetheid moet worden geweerd". Na deze diskussies kon Groen enkele maanden niet in de Kamer aanwezig zijn. Een zware borstaandoening, die hem zeer verzwakte, had hem aangegrepen. Deze ziekte, gevoegd bij de onaangename ervaringen in de Kamer, drukte hem zeer teneer. Hij dacht er zelfs over zich terug te trekken in zijn studeerkamer om zich weer te wijden aan minder aangrijpende en voor zijn leeftijd meer geschikte arbeid, terwijl hij ontslag vroeg van het hem sinds 1831 opgedragen toezicht op het Koninklijk Huisarchief. Dit ontslag werd echter door de koning geweigerd. Ook bleef hij lid der Kamer, aan welker werkzaamheden hij in maart 1863 weder deelnam.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1960

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en gang

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken