Bekijk het origineel

Wetsontwerp op het wetenschappelijk onderwijs

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wetsontwerp op het wetenschappelijk onderwijs

11 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ir. van Dis

Verscheidene dagen heeft de Tweede Kamer zich bezig gehouden met het behandelen van het wetsontwerp inzake de regeling van het wetenschappelijk onderwijs. Aan belangstelling was daarbij geen gebrek, want de beide tribunes waren overvol, terwijl zich ook in de zijloges tal van belangstellenden bevonden. Die grote belangstelling gold voornamelijk artikel 60 van het wetsontwerp, waarbij de studenten zeer nauw betrokken zijn, zodat de bezoekers, die de tribunes bevolkten, vrijwel uitsluitend studenten waren.

Reeds op de eerste middag waren zij opgekomen, blijkbaar in de mening, dat er vrijwel alleen over artikel 60 zou worden gesproken. Dit was echter helemaal niet het geval, want in genoemd wetsontwerp werden nog heel wat andere kwesties aan de orde gesteld. Wij noemen slechts die van de instelling van een akademische raad, waarin alle universiteiten en hogescholen vertegenwoordigd zijn; van de mogelijkheid om in sommige studierichtingen een verkorte opleiding te volgen met als bekroning het dusgenaamde baccalaureaatsexamen; de bijdragen van het rijk in de kosten der bijzondere imiversiteiten en hogescholen; de subsidiëring der theologische faculteiten der bijzondere universiteiten; het vervangen van de doctorandustitel door die van magister en nog enkele andere. Toch werd ook bij de algemene beschouwingen over het wets­ ontwerp, door enkele sprekers reeds in het kort over artikel 60 enkele opmerkingen gemaakt, ofschoon de voorzitter had verzocht om dit te doen bij de behandeling van artikel 60.

In zijn rede ging de minister er echter wel zeer uitvoerig op in, wat voor Ir. Van Dis aanleiding was om niet te wachten tot de behandeling van dit artikel aan de orde was. Tevens werd daarbij door hem nog de aandacht geschonken aan andere onderwerpen.

Voordat wij zijn rede laten volgen, zullen wij echter eerst even vermelden, wat artikel 60, dat de studentenwereld zo zeer in beroering heeft gebracht, eigenlijk inhield, waarbij wij ons zullen bepalen tot het eerste lid, omdat dit de angel was waardoor de studenten zich bedreigd gevoelden. In artikel 60, lid 1, werd namelijk bepaald, dat een faculteit, interfaculteit, afdeling of tussenafdeling van een universiteit of hogeschool, wanneer dit noodzakelijk werd geacht ter bevordering van de goede gang van het onderwijs, een regeling zou kunnen vaststellen, welke de mogelijkheid opent aan een student, die binnen tenminste tweemaal de daarvoor aangeduide studieduur het eerste examen niet met goed gevolg heeft afgelegd, het recht tot het bijwonen van het tot dat examen leidende onderwijs te ontzeggen.

Dit is dus een soortgelijke bepaling als in 1956 ten aanzien van de Technische Hogeschool te Delft door de minister werd voorgesteld, al had deze een nog verdere strekking. Ook toen werd hiertegen door de studenten een krachtige aktie gevoerd, waarbij zij steun ontvingen uit de kringen van het hoger onderwijs met het gevolg, dat de Tweede Kamer dit voorstel met grote meerderheid van stemmen verwierp. Ook

Ds. Zandt

heeft zich toen namens de fraktie der S.G.P. er tegen verklaard en er met Ir. Van Dis — de S.G.P.-fraktie bestond in 1956 nog uit twee leden — tegen gestemd.

Op dezelfde gronden als in 1956 konden de Kamerleden der S.G.P. zich thans ook niet met het voorgestelde artikel 60 verenigen, zodat zij zich genoodzaakt zagen er tegen te stemmen. Voordat wij echter op de stemming vooruitlopen zullen wij eerst de rede laten volgen.

Ir. Van Dis sprak als volgt:

Mijnheer de Voorzitter!

De rede van de minister, waarin door hem onder meer uitvoerig werd ingegaan op de kwestie van het beperken der studievrijheid, zoals dit in het onderhavige wetsontwerp wordt voorgesteld, noopt mij van de gelegenheid gebruik te maken om te verklaren, dat wij door het betoog van de mini'> ter allerminst overtuigd geworden zijn van de

doelmatigheid

der voorgestelde regeling. Voordat de minister gesproken had, waren wij geen voorstanders van het desbetreffende wetsartikel en wij zijn dit ook nu nog niet, en dat om meer dan één reden.

In de eerste plaats, omdat wij et een aantasting in zien van de vrij. heid van hoger onderwijs, welke tot dusver steeds heeft bestaan De minister heeft wel getracht deze aantasting sterk te mitiise. ren door er op te wijzen, dat het desbetreffende artikel geen enkele hogeronderwijsinstantie dg verplichting oplegt om een regeling vast te stellen, zoals in het artikel wordt omschreven, en dat dit met de nodige waarborgen is omgeven, maar dit neemt toch niet weg, dat de

mogelijkheid

wordt geopend aan een student het recht tot 't bijwonen van het tot het eerste examen leidende onderwijs te ontzeggen, wanneer hij niet binnen ten minste tweemaal de daarvoor aangeduide studieduur dit examen met goeü gevolg heeft afgelegd.

Het is dan ook zeer goed te begrijpen, dat dit artikel bij de student, althans bij een zeer groot gedeelte van hen, een sterke tegenstand ontmoet, niet zozeer, omdat hiermede een inbreui wordt gemaakt op een eeuwenoude traditie, hoewel deze traditie van grote waarde is, maar omdat zij de

vrijheid van studie

terecht als een wezenskenmerk van het wetenschappelijk onderwijs beschouwen. Bovendien wordt met wat de minister voorstelt een weg betreden, die m verloop van tijd zeer gemakkelijk kan leiden tot een verplicht stelling van wat nu facultatiel wordt gesteld, zodat het voorgestelde artikel wel degelijk een principieel karakter draagt. Dat dit door de student inderdaad zo wordt aangevoeld, bleek mij uit het studentenorgaan

„Libertas ex Veritate”,

waarin in het maartnummer van dit jaar verklaard werd, dat goedkeuring van het in geding zijnde artikel principiële kapitulatie betekent ten nadele van de akademische vrijheid, welke onlosjnakelijk verbonden is met de voorbereiding tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap, De studenten zien derhalve in het bewuste artikel, zulks in tegenstelling met de minister, wel degelijk een principiële zaak, gelijk ook blijkt uit de nota van de Nederlandse Studentenraad. Hun

bezwaren

er tegen gelden dan ook niet uitsluitend de nadelen, die er voet hen aan verbonden zijn, maar, zoals in het eerst door mij g& noemde orgaan werd opgemerkt, het gevaar, dat er de eerste stap mede wordt gezet op „het ï ' van de beperking der persoonlijke verantwoordelijkheid, dat wel breed en makkelijk is, maar dat uiteindelijk leidt naar het verderf voor het hoger onderwijs". Nu heeft de minister de vorige week in zijn rede verklaard, dat ook hij

tegenstander

is van studievrijheid, maar dat de nadruk moet gelegd worden op het woord studie. Wij zijn het met de minister volkomen eens, dat er moet gestudeerd worden. Van het verluieren en verboernelen van kostbare tijd zijn wij krachtens principe

besliste tegenstanders.

Wij vragen ons echter af of hetgeen door de minister wordt voorgesteld en door hem de vorige week zo warm en met zoveel pathos is verdedigd, wel bevorderlijk zal zijn voor de studiezin l)ij de studenten. Het is namelijk ^eer te duchten, dat dezen zich in hun studie tot het strikt noodzakelijke voor het examen zullen gaan beperken, uit vrees, dat zij anders van het volgen van onderwijs zullen uitgesloten worden. Er wordt dan geleerd in plaats van gestudeerd. We krijgen dan een soort

klaarstomerij

voor het examen, waarbij van wetenschappelijke studie eigenlijk geen sprake meer is. Ook het gebruik maken van de diensten van repetitoren zal door 's ministers voorstel sterk in de hand worden gewerkt, waarbij zij, die financieel sterker staan, er zoveel gunstiger aan toe zijn dan zij, die financieel minder bevoorrecht zijn.

De minister heeft voorts opgemerkt, dat het hem te doen is om uitwassen tegen te gaan, maar hij is in gebreke gebleven aan te tonen welk nuttig effekt de maatregel zal hebben.

Zelfs was de minister van oordeel, dat er

niet veel studenten

door getroffen zullen worden, zodat het slechts gaat om een generale preventie. Wij kixnnen de minister echter in dezen niet volgen, daar wij deze genera.le preventie niet bevorderlijk achten voor het aankweken van het besef van de eigen verantwoordelijkheid der studenten, 't Is dan ook wel veelzeggend, dat tal van hoogleraren, die toch wel van de toestanden, o.m. ook betreffende de beschikbare ruimte in

kollegezalen en laboratoria,

op de hoogte zijn, in 's ministers voorstal tot uitsluiting van het onderwijs geen basis zien om te komen tot een verbetering van het studierendement, dat de minister er mede beoogt. Ook de senaat der

Technische Hogeschool

te Delft verklaarde er zeer ernstige bedenkingen tegen te hebben, terwijl ruim 360 personen uit het Nederlandse maatschappelijke en industriële leven zich eveneens tegen de maatregel tot beperking der studievrijheid verklaard hebben, omdat zij daarin een beperking zien van de

verantwoordelijkheid

van de student en derhalve een gedeeltelijke verlaging van de maatschappelijke waarde van het onderwijs. Bovendien hebben verscheidene akademische genootschappen zich geschaard aan de zijde der tegenstanders van het desbetreffende artikel.

De minister heeft vervolgens nog gewezen op de hoge kosten van het hoger onderwijs en op het grote bedrag, dat in de komende tien jaar voor investering nodig is. Die kosten zijn inderdaad zeer hoog, maar wij hebben er

generlei verwachting

van, dat het hanteren van 's ministers voorstel tot een beduidend omlaag brengen van die kosten zal leiden.

De minister heeft verder nog op het buitenland gewezen, waar ook maar niet ieder wordt toegelaten tot de studie. De minister heeft ditzelfde ook in 1956 aangevoerd, evenals zijn verwijzing naar de bepaling, welke van kracht is bij de Economische Hogeschool te Rotterdam, maar desondanks heeft dit de Kamer er destijds niet van kunnen weerhouden om het toenmalige artikel 6 Ibis met

grote meerderheid

te verwerpen. Wij hopen, dat dit ook nu ten aanzien van artikel 60 opnieuw door haar zal worden gedaan.

En dat te meer, omdat de betreffende bepaling tot onbillijkheden kan leiden, daar het kan gebeuren, dat zij bij de ene universiteit of hogeschool wel, bij de andere niet zal worden toegepast, dat de ene faculteit haar zal hanteren, de andere niet. Ook met het oog hierop moeten wij er ons tegen stellen.

Mijnheer de Voorzitter! Wat het subsidiëren van de

theologische faculteiten

bij de bijzondere universiteiten en hogescholen betreft, staan wij niet op het standpunt, dat aan theologische faculteiten geen subsidie behoort te worden verleend. Wij staan dit krachtens beginsel juist wel voor, warmeer slechts voldaan wordt aan de voorwaarde, dat het onderwijs in de theologie bij die faculteiten in alles gebaseerd is op

Gods Woord.

Wij zullen op dit onderwerp echter thans niet verder ingaan, daar hierop nog nader kan worden teruggekomen bij het desbetreffende amendement. Aangaande de titel

magister.

Mijnheer de Voorzitter, heeft de minister ons niet kunnen overtuigen van de noodzakelijkheid om deze titel weder in te voeren. De titel doctorandus moge dan naar zijn ware betekenis geen aanduiding zijn voor een afgesloten studie, feit is, dat deze titel is ingeburgerd en ook door hen, die deze titel voeren, op prijs wordt gesteld. Wij lazen van een hoogleraar te Tilburg, Prof. Weve, dat hij doctorandus in

doctorabilis

zou willen wijzigen, omdat dit taalkundig juist zou zijn, terwijl toch de afkorting van de titel hetzelfde zou blijven. Of de minister voor deze oplossing iets zou gevoelen, weten vrij niet, maar bij ons bestaat hiertegen bezwaar, daar het woord doctorandus veel gemakkelijker door ieder uit te spreken is. Wat door de heer Diepenhorst is voorgesteld, n.l. om doctorandus door de

meestertitel

te vervangen, komt ons wel aantrekkelijk voor. Het bezwaar is echter, dat het verwarrend kan werken. Bij de meesterstitel weet thans iedereen, dat men te maken heeft met een meester in de rechten, zodat het ons toch beter voorkomt om de eenmaal ingeburgerde doctorandustitel te behouden.

Toen artikel 60 aan de orde werd gesteld, werd daarbij nog door verscheidene sprekers het woord gevoerd. De heer

Stokman

(K.V.P.), die er bij de algemene beschouwingen over gesproken had, sprak er nu niet bij. Hij had reeds te kermen gegeven, dat hij er vóór zou stemmen, maar ook dat zijn fraktie hierin niet éénstemmig was. Dit bleek dan ook bij de behandeling van het artikel, waarbij de heer

Albering

(K.V.P.) namens een deel van zijn fraktie verscheidene bezwaren naar voren bracht en verklaarde tegen te zullen stemmen. De heer

Diepenhorst

(C.H.) deed dit eveneens namens zijn fraktie behalve de heer Schmal, waarbij bleek, dat de heer Diepenhorst een beslist tegenstander was van het beperken der studievrijheid. Namens de P.v.d.A. voerde de heer Tans het woord bij artikel 60, gelijk hij dit ook bij de algemene beschouwingen reeds had gedaan en zich toen als voorstander van artikel 60 had doen kermen. De V.V.D.fraktie was unaniem tegen, zodat artikel 60 met 76 tegen 49 stemmen verworpen werd, wat voor de studenten een hele opluchting was en voor hen het sein om zo spoedig mogelijk de tribunes, die weer in sterke mate door hen bezet waren, te verlaten. Vóórstemmers waren 13 leden van de K.V.P., de P.v.d.A. behalve 8 leden, 3 A.R., 1 C.H. Tegen stemden de V.V.D., C.H. op één na, A.R. op 3 na, overige leden der K.V.P., 8 van de P.v.d.A., S.G.P., Pacifisten en Communisten.

Wij laten thans de rede volgen welke

Ir. Van Dis

namens de der S.G.P. fraktie bij artikel 60 hield.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1960

De Banier | 8 Pagina's

Wetsontwerp op het wetenschappelijk onderwijs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken