Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

5 minuten leestijd

I.

Te dien dage sal tot Jeruzalem gezegd worden: rees niet, o Sion, laat uw handen niet slap worden. De Heere, uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap; Hij zal zwijgen in Zijn liefde; Hij zal Zich over u verheugen met gejuich. Ze f an ja 3 : 16—17

In de woorden, hierboven geschreven, vindt u een bijzondere bemoediging tot het Sion Gods, dat het eindgericht nadert.

Zij spreken daarom bijzonder in onze tijd. Gods kerk leeft in een veelszins donkere tijd. Niet dat er vroeger geen donkere tijden geweest zijn. Vanaf de moederbelofte in het Paradijs staat die kerk onder de druk van de vorst der duisternis en midden in de strijd. Maar in onze tijd zien we wel, dat alles toegespitst gaat worden. In de wereld is er een adembenemende wedloop tussen de grootmachten der aarde om telkens nieuwe wapenen. In het midden van ons land en volk wordt steeds minder gevraagd naar de Heere en Zijn Woord. Welvaart en weelde zijn voor de massa de afgoden, die vereerd worden. Op het erf van de kerk kan de vraag gesteld worden, wat er zelfs van de vorm van de godsdienst nog over zal blijven binnen niet al te lange tijd. En in die tijd verkeert Gods Sion, de kerk des Heeren.

Hoe is het met haar gesteld? Ware verootmoediging wordt weinig gevonden. Het volk, dat elkaar moest zoeken, kan elkaar heel vaak niet vinden. Zelden worden de oefeningen van het geestelijk leven beluisterd. Groot is de verwarring, ook onder hen, die de waarheid Gods voorstaan, terwijl velen zich pleisteren met een dode klacht.

Maar toch blijft het Woord van God waar, en zal het ook voor Gods kerk langs de weg der vernedering onder God vervuld worden.

De profeet Zefanja mag dat Woord in zo'n toestand vertolken. Hij ziet door de verlichting van de Heilige Geest het grote gericht komen voor Juda en Jeruzalem. Hij leeft in een tijd, dat het er nog zo slecht niet uit schijnt te zien op godsdienstig gebied. Koning Josia regeert over Juda. Zijn naam wordt met eer genoemd wegens zijn persoonlijke godsvrucht en zijn ijveren voor de wet des Heeren. Maar Zefanja weet, dat de waarachtige bekering wordt gemist onder het volk en dat het straks als volk weer zal doorbreken in allerlei ongerechtigheid.

Als Gods oordeel over die onge­ rechtigheid zal de dag des Heeren komen. Vreselijk en ontzettend, maar die dag zal bijzonder komen tegen Juda en Jeruzalem. En als het ware in één lijn ligt voor de profeet het grote gericht, dat aan het eind der tijden komt.

Dat gericht zal de goddelozen wegvagen, maar zal ook de kerk bewegen. Als een storm zal het ook dat schip bewegen. Om alle ongerechtigen, die wel de naam dragen, maar zonder het wezen, er uit weg te nemen en van alle ongerechtigheid te zuiveren.

Doch door het gericht heen behoudt de Heere Zich een overblijfsel : „Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en een arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen".

Tot dat overblijfsel laat de Heere Zijn bemoediging klinken. Als een licht mag dat door de duisternis heenbreken. „Te dien dage", staat er hier. Dus juist als die dag in alle ontzetting daar is en het gericht woedt. Dan zal de Heere laten spreken tot Zijn Sion. Er zal gezegd worden. Dus de Heere zal er voor zorgen dat er dienstknechten blijven, die mogen spreken in die grote duisternis naar het hart van het Sion Gods.

Wonderlijk is het. Gods Sion is benauwd vanwege de oordelen Gods en heeft vanuit zichzelf geen uitzicht. Moet het niet bekennen ook zelf dat gericht verdiend te hebben? Zij vreest, en laat haar handen slap hangen, als gevolg van de vrees, als teken van benauwdheid. Ze ziet zichzelf ellendig en arm. De storm giert langs haar heen. Het schip wordt heen en weer geslingerd. Wat moet er van haar terechtkomen? Zal zij nog mee ondergaan in de golven?

En nu! „Vrees niet, o Sion!, laat uw handen niet slap worden".

De Heere opent haar oog voor iets anders voor Iemand anders; voor Hem Zelf. Krachtig klinkt het hier tot een voortgedreven en benauwd Sion, dat, omdat zij niet beter is dan de anderen, en het omkomen verdiend heeft, alleen door God getroost kan worden. Alle vrees wil de Heere uitbarmen. Het is alsof Hij zeggen wil: Gij zijt wel ellendig, diep ongelukkig, arm, maar zie nu eeAs wat er in Mijn Naam ligt.

Geldt die bemoediging ook voor u, lezer en lezeres? Er is heel veel dat benauwt op het erf van Gods kerk, in het midden van ons land en volk, enz. Maar voor ons allen, die dit aangrijpt, is het toch de grote zaak: aan welke kant staan wij? In dat grote gericht zijn twee zijden — en dat geldt nu al voor Gods aangezicht — de ene, die meegesleurd wordt tot het eeuwig verderf, de andere, die door de benauwdheid heen dit troostwoord hoort.

Let er dan op, dat het adres van dit troostwoord het ellendige en arme volk is. Ellendig vanwege hun diep ongeluk buiten God. Arm omdat er geen bestaan voor God is voor eigen besef. Geen gronden in zichzelf om voor Hem te kunnen bestaan. Behoort gij er niet bij? Steunt ge op veel vroomheid, dode klacht enz.? Vraag het de Heere het u te geven.

Maar: gij zijt benauwd vanwege het gericht. Vrees niet! Houd aan. Door de duisternis komt het licht.

's-Gravenzande

Ds. D. Slagboom

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1960

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken