Bekijk het origineel

Uit de Provinciale Staten van Zeeland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Provinciale Staten van Zeeland

4 minuten leestijd

Verder, mijnheer de voorzitter, zou ik nog iets willen zeggen over artikel 28, § 1, sub b. Ik meen inderdaad, dat door de wijziging, die Ged. Staten voorstellen, vele bezwaren zijn weggenomen. Naar mijn inzicht zal het wel erg moeilijk wezen om aan de gedachte, die de heer Lukaart naar voren gebracht heeft, te voldoen, want bij een dergelijke omschrijving zou deze toch ook weer zodanig moeten zijn, dat men juist degenen, die iets willen misdoen, kan treffen, doch degenen, die te goeder trouw zijn, niet in hun handelingen belemmert. Uit dien hoofde kan ik mij wel voorstellen dat er een verbod nodig is. Daarbij heb ik enig vertrouwen in het beleid van de polderbesturen, die toch zeer nauw bij de betrokkenen staan, dat zij dit op een juiste wijze zullen toepassen en belanghebbenden geen moeilijkheden in de weg zullen leggen wanneer hier inderdaad verantwoorde aanslui­ tingen worden tot stand gebracht. Mijnheer de voorzitter, ik zou over artikel 1 nog iets willen zeggen, maar omdat dit niet van algemene strekking is, lijkt het mij beter dat u mij daartoe straks, bij de behandeling van de artikelen, de gelegenheid geeft. Ik dank u.

Mijnheer de Voorzitter! Ik geloof toch wel, dat wij ten opzichte van de veiligheid en het recht in een moeilijke impasse zijn gekomen, want nu wordt gezegd — en ik stem dat volkomen toe — dat wij krachtens ons Reglement van politie deze zaken niet kunnen weren omdat onze bevoegdheden zo ver niet strekken.

Dat komt er op neer, dat wanneer een polderbestuur uit een oogpunt van veiligheid een zeker recht ongedaan wil maken, hetzij door onteigening of door een andere wijze van handelen, dan ook die polder de vergoeding betaalt. Nu vraag ik mij toch wel af, mijnheer de voorzitter, of dat juist is. Wordt die veiligheid alleen nage­ streefd voor de betreffende polder, of betreft zij alle inwoners van Zeeland? Is er werkelijk geen mogelijkheid te vinden, dat de provincie Zeeland te dezen opzichte iets doet? Wanneer die mogelijkheid er niet is, vrees ik dat weer een individuele polder door deze inderdaad bestaande omstandigheden in moeilijkheden zal komen, en ik vrees dat de veiligheid daardoor niet zal zijn gediend.

Artikelsgewijze behandeling.

Artikel 1. Mijnheer de Voorzitter! Het geachte lid van Ged. Staten is wel enigszins vooruitgelopen op de vraag, die hij blijkbaar van mij verwachtte, maar wanneer de betrokken schrijver dit nu zo stelt, dan heb ik toch de indruk dat hij niet gelezen heeft hetgeen in het thans aan de orde zijnde artikel 1 staat, want daarin is het begrip „binnendijk" wel omschreven. Immers, onder „dijk" wordt in dit reglement verstaan het gehele lichaam van de dijk met de kruin, het binnen-en het buitenbeloop en de binnen-en buitenbermen. Ik doel hier op § 2, waarin gezegd wordt: „Onder waterkerende dijk wordt mede begrepen de daarachtergelegen inlaag-of slaperdijk". Ik heb in mijn afdeling gevraagd of het niet juister is om dat anders te formuleren en wel in deze geest: „Onder waterkerende dijk wordt begrepen de dijk onmiddellijk aan het buitenwater liggende, alsmede de daarachter gelegen inlaag-of slaperdijk”.

Ik meen toch dat artikel 1 wel degelijk een zekere definitie inhoudt. Nu heb ik niet gevonden wat een waterkerende dijk is en toch wordt nu in § 2 van artikel 1 gesteld: „wordt mede begrepen". Omdat „mede" te begrijpen moet er toch iets anders zijn. Men kan tegenwerpen dat dit een begrip is, doch dan kan m.i. het hele artikel vervallen, want dan is het allemaal een begrip. Ik kan niet inzien waarom het niet juist zou zijn om het aldus te omschrijven, dat ook het begrip „waterkerende dijk" hier naar voren wordt gebracht, opdat men dan niet alleen het begrip „dijk" omschreven vindt, maar ook het begrip „waterkerende dijk". Ik geloof dat het woord „mede" er op wijst, dat er iets anders in het reglement omschreven moet zijn. Ik dank u.

Bij een voorstel van Gedeputeerde Staten van Zeeland 'betreffende het verlenen van een subsidie, sprak de heer Kodde als volgt.

Omdat het eigenlijk meer ging over de bevoegdheid die Ged. Staten wensten om nadere voorschriften te geven, kon die bespreking voor elk voorstel inzake subsidie gelden, en is daarom niet vermeld om welke subsidie het ging. Het ging om de bevoegdheid. Na de beantwoording sprak de heer Kodde nog als onder de eerste rede is vermeld.

Mijnheer de Voorzitter! Ik weet niet of het de bedoeling is om thans ook de artikelen van het ontwerp-besluit te behandelen. Het gaat eigenlijk maar over de subsidie en daarop zou ik in het algemeen niet willen ingaan. Ik laat het dus graag aan u over of u mij nu hierbij het woord wilt geven, dan wel of u dat bij de artikelen wilt doen. (wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1960

De Banier | 8 Pagina's

Uit de Provinciale Staten van Zeeland

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken