Bekijk het origineel

De belastingvoorstellen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De belastingvoorstellen

18 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ir. van Dis

Na de prijzenwet kwamen de belastingvoorstellen bij de Kamer in behandeling. Eén van deze voorstellen, dat ons gehele volk raakt, was het voorstel tot verlaging van het tarief der inkomsten-en loonbelasting per 1 juli 1961 onder voorwaarde, dat de financieelekonomische toestand dit mogelijk maakt. De regering wilde deze verlaging dan per algemene maatregel van bestuur, dus bij koninklijk besluit, doen ingaan. Hiertegen rees echter uit de Kamer nogal sterk verzet. Een amendement om de belastingverlaging niet bij K.B., maar door middel van een wet te doen ingaan, werd dan ook door de meerderheid der Kamer aanvaard. Wij zullen het bij deze korte inleiding laten, enerzijds vanwege de plaatsruimte, anderzijds omdat de rede van de heer Van Dis, die bij deze voorstellen namens de S.G.P.-fraktie het woord voerde, voldoende duidelijk is om een en ander te kunnen volgen. De repliekrede laten wij dan direkt op de eerstgehouden rede volgen en daarna nog een verklaring, die ook voldoende voor zichzelf spreekt. Het wetsontwerp tot verlaging van de loon-en inkomstenbelasting werd met algemene stemmen aangenomen.

Wij moeten nu echter eerst nog even een korrektie aanbrengen in de rede over de algemene financiële beschouwingen, voorkomend in „De Banier" van 1 december. Op bladzijde 2, de eerste kolom, regel 20 van boven staat een bedrag van 513.000 miljoen vermeld, dit moet zijn 513 miljoen. Deze fout is niet op de drukkerij „De Banier" gemaakt, doch op de Landsdrukkerij. In de „Handelingen" is inmiddels ook een korrektie aangebracht.

Thans volgt de rede.

Ir. Van Dis sprak als volgt:

Mijnheer de voorzitter!

Hoewel wij ons geheel en al kunnen aansluiten bij de passage in het voorlopig verslag bij het wetsontwerp nr. 6001, waarin er voldoening over wordt uitgesproken, dat de regering een verlaging van de zware belastingdruk voor brede lagen van het volk geboden acht, kunnen wij toch anderzijds niet verhelen, dat, op enkele uitzonderingen na, de desbetreffende voorstellen voor ons een min of meer

onaangename bijsmaak

hebben. Dat dit zo is, ligt ten eerste hieraan, dat de voorgestelde verlaging der loon-en inkomstenbelasting, alsmede het laten vervallen van de tijdelijke verhoging der vennootschapsbelasting geheel afhankelijk wordt gesteld van de zich in 1961 voordoende konjunktuur, zodat de mogelijkheid bestaat, dat er van beide genoemde maatregelen niets komt.

En ten tweede is het wel zeer teleurstellend, dat de voorgestelde verlaging der loon-en inkomstenbelasting vastgekoppeld is aan het permanent maken van enkele belastingverhogingen, die van meet af aan als tijdelijk waren voorgesteld en als zodanig door de meerderheid der Kamer waren aanvaard. Voordat ik op één en ander in ga, zal ik mij eerst bepalen tot die voorstellen, die onze onverdeelde instemming hebben, omdat zij onvoorwaardelijk zijn en dus na aanvaarding door de Staten-Generaal onafhankelijk van de konjunktuur zullen worden uitgevoerd.

Zij bestaan in het vervallen van de tijdelijke verhoging van de omzetbelasting op sigaretten, het verlengen van de tijdelijke vrijstelling van omzetbelasting voor sigaren voor een periode van drie jaren, het enigermate verminderen van de omzetbelasting op personenauto's, motorrijwielen en banden voor deze voertuigen, n.l. van 20 tot 18 pet., en inzake de direkte belastingen het vervallen van de tijdelijke verhoging van het tarief van de vermogensbelasting, waardoor dit met ingang van 1 januari 1962 van 0, 6 pet. op 0, 5 pet. wordt gebracht. Met deze voorstellen gaan wij vanzelfsprekend geheel akkoord, daar zij voor de hierbij betrokkenen een verlichting van belastingdruk inhouden.

Thans overgaande tot het bespreken der andere belastingvoorstellen, wens ik mij allereerst te bepalen tot het voorstel betreffende de verlaging der loon-en inkomstenbelasting. Op zichzelf aangemerkt, juichen wij de voorgestelde verlaging ten zeerste toe. Voortdurend is er onzerzijds reeds bij de regering op aangedrongen de inkomstenbelasting ingrijpend te verlagen, daar niet alleen de hoogste en de hoge, maar ook de middelmatige en lagere inkomens veel te zwaar belast zijn. Wel hebben wij in 1956 een geringe verlaging van de inkomstenbelasting gehad, doch het effekt is ten gevolge van de

waardevermindering

van de gulden niet slechts geheel, maar zelfs meer dan geheel teniet gedaan. Zelfs in die mate dat, zoals in de brief van de raad voor het midden-en kleinbedrijf dd. 26 oktober 1.1. werd opgemerkt, de' thans door de regering voorgestelde belastingverlaging niet voldoende is om de sedert 1955 opgetreden geldontwaarding te kompenseren. Vooral de bij de inkomstenbelasting toegepaste progressie is wel bijzonder fnuikend. Het onderhavige voorstel tot verlaging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting brengt echter hierin geen verbetering. Integendeel, doordat de belangrijkste drukvermindering aan de voet van de belastingheffing plaats vindt — waarmede wij op zich zelf kunnen instemmen — wordt de progressie hierdoor zelfs nog belangrijk versterkt.

Ook heeft de voorgestelde verlaging der loon-en inkomstenbelasting niet tot gevolg, dat de totale belastingdruk zal verminderen. Die druk zal integendeel zelfs toenemen van 24, 7 pet. tot 25, 5 pet. van het nationale inkomen. Wanneer voorts wordt bedacht, dat op de gewone dienst voor 1961 de inkomsten de uitgaven met 1293 miljoen overtreffen, welk bedrag met inachtneming van enige additionele posten tot 948 miljoen kan dalen, en wij bovendien nog in aanmerking nemen, dat het stijgingspercentage van de inkomstenbelasting, vergeleken met 1960, het

zesvoudige

van het stijgingspercentage der staatsuitgaven bedraagt, dan komt het ons voor, dat het zeer wel mogelijk zou zijn tot een sterkere verlaging der loon-en inkomstenbelasting over te gaan dan thans door de regering wordt voorgesteld. Wij dringen er dan ook ten sterkste bij de minister en de staatssekretaris op aan, het niet bij de voorgestelde verlaging te laten, aannemende, dat zij verwezenlijkt wordt, doch een nog sterkere verlaging te doen volgen, waarbij aan de sterke progressie volle aandacht zal worden gegeven.

Wat nu de inhoud van het voorstel betreft, valt het allereerst op, dat deze voor de laagste inkomens het meest profijtelijk is. Voor een echtpaar zonder kinderen b.v. wordt de grens, waar beneden geen inkomstenbelasting is verschuldigd, verhoogd van ƒ 2100 tot ƒ 2700, voor een echtpaar met drie kinderen van ƒ 3990 tot ƒ 4770, enz. Zoals reeds door mij werd opgemerkt, bestaat hiertegen bij ons generlei bezwaar. Integendeel, waar het leven in de laatste jaren zoveel duurder is geworden, is het alleszins billijk om hen, die over een laag inkomen beschikken, zoveel mogelijk tegemoet te komen. Uit de tabellen, welke de minister en de staatssekretaris ons hebben verstrekt, is dan ook duidelijk te zien, dat, naarmate het inkomen stijgt, het percentage der belastingvermindering daalt.

Tevens blijkt echter uit die tabellen, dat de middengroepen wel uitermate zwaar belast blijven. Wanneer b.v. een inkomen van ƒ 12000 tot ƒ 15000 stijgt, stijgt de belasting voor een echtpaar zonder kinderen volgens het voorgestelde tarief van ƒ 1950 tot ƒ 2910, dus met ƒ 960 of met bijna 50 pet. Bij hogere inkomens wordt dit percentage nog weer belangrijk hoger. Op de

middengroepen

ligt derhalve wel een uitermate zware druk, hetgeen ongetwijfeld een grote belemmering is voor de bezitsvorming.

Ook de ongehuwden, voor wie per 1 januari 1960 enige vermindering van inkomstenbelasting was aangebracht, komen door het voorstel der regering weer in een ongtmstiger positie in plaats dat van deze gelegenheid gebruik is gemaakt om voor de ongehuwden een verder gaande verlichting aan te brengen.

Voorts zouden wij gaarne van de regering vernemen, of het niet mogelijk is voor de ongehuwden de leeftijd, waarop zij van de eerste naar de tweede tariefgroep worden overgebracht, met 10 of 15 jaar te verlagen, opdat zij in staat zijn wat te sparen voor de tijd, dat him inkomen wegens pensionering vermindert.

Zoals reeds werd opgemerkt, mijnheer de voorzitter, heeft de regering de verlaging der loonen inkomstenbelasting nauw verbonden met het permanent maken van enkele als tijdelijk aangebrachte belastingverhogingen. Wij vragen ons echter af, of dit wel nodig is. De regering heeft n.l. medegedeeld, dat zij voor het laten vervallen van enige tijdelijke verhogingen een bedrag van 172 miljoen prijs geeft, een bedrag, dat, naar ik meen te kunnen opmaken uit blz. 2 van de memorie van antwoord, verhoogd moet worden tot 200 miljoen. Hiertegenover staan echter verschillende baten. Allereerst één van 150 miljoen, welke voortvloeit uit het verlagen van de investerings­ aftrek van 2 maal 8 tot 2 maal 5 pet., waartoe de regering ter beperking van de

investeringsbestedingen

in april van dit jaar is overgegaan. Er is toen echter ook nog een andere maatregel genomen, bestaande in het beperken van de vervroegde afschrijving, hetgeen volgens de tabel op blz. 2 van de memorie van antwoord voor 1961 een bate oplevert van naar schatting 225 miljoen. Hierbij komt nog een bate van circa 40 miljoen van de in 1960 ingevoerde verhoging van de grondbelasting, om van de wijziging van de personele belasting maar niet te spreken, omdat het bedrag hiervan ten goede komt aan het provinciefonds en het gemeentefonds. De gezamenlijke baten komen dus op 415 miljoen. Trekt men hiervan nog af de 85 miljoen, waarop de regering in de memorie van antwoord wijst en die betrekking hebben op de in 1960 tot stand gekomen verlaging van het ongehuwdentarief, dan blijft er aan baten over een bedrag van 330 miljoen. Uit dit cijfer blijkt, dat, wanneer de regering de baten uit alle tijdelijke belastingmaatregelen, inbegrepen die op het invoerrecht op benzine ad 125 miljoen, zou laten vervallen, wat volgens de memorie van antwoord, op blz. 2, op een bedrag van 340 miljoen zou komen te staan, dit nagenoeg gekompenceerd zou worden door het zoeven genoemde bedrag van 330 miljoen.

In ieder geval is er geen reden de verhoogde

benzinebelasting

en het weeldetarief voor personenauto's, motorrijwielen en de banden daarvoor te handhaven. Afgaande op de zoeven genoemde cijfers, wil het ons derhalve voorkomen, dat het permanent maken van alle desbetreffende tijdelijke belastingverhogingen niet nodig is. Deze verhogingen toch betekenen in het bijzonder voor het motorwegverkeer een uitermate zware last. Zij betreffen allereerst de verhoging van het invoerrecht op benzine van ƒ 16, 65 tot ƒ 24, 25 per honderd liter; in de tweede plaats de verhoging van de motorrijtuigenbelasting, o.m. voor dieselauto's, welke maatregelen genomen werden in het kader van de bestedingsbeperking. Zij zouden een tijdsduur hebben van twee jaar en werden in het begin van 1957 van kracht. Enige maanden later, augustus 1957, werd aan deze maatregelen nog een andere toegevoegd, n.l. de verhoging van de omzetbelasting op banden voor personenauto's en motorrijwielen van 5 tot 15 pet. Voor deze maatregel werd de tijdsduur op 1 jaar bepaald. Weer enige maanden later, in februari 1958, werd een nieuwe last op het wegvervoer gelegd door de verhoging van het weeldetarief der omzetbelasting voor personenauto's motorrijwielen en de daarvoor bestemde banden van 15 tot 20 pet. Als afloopdatum van deze belasting werd gesteld 1 augustus 1959. Toen echter de voor elk der genoemde belastingverhogingen bepaalde termijn verstreken was, werd verlenging er van voorgesteld. Dit vond nog plaats onder de vorige regering, onder Dr. Drees, waarbij minis- ter Hofstra een verlenging met twee jaar voorstelde. De meerderheid der Kamer ging hiermede niet akkoord. Zij wilde de verhogingen slechts toestaan voor de tijd van één jaar. Het gevolg was, dat niet alleen minister Hofstra, doch het gehele ministerie aftrad. De verhogingen werden zodoende slechts met één jaar verlengd.

Het vorige jaar stelde de regering andermaal voor, de duur van de desbetreffende verhogingen met

één jaar

te verlengen. In de memorie van toelichting verklaarde zij toen peen voldoende gronden aanw< =» zig te achten in het komplex van de tijdelijke belastingverhogingen een wijziging te brengen, zulks te minder nu de verlenging daarvan slechts voor de duur van één jaar werd voorgesteld. Er is echter nog geen jaar verstreken of de regering komt met het voorstel om de tijdelijke verhoging van het bijzonder invoerrecht op benzine en van de motorrijtuigenbelasting voor onder meer dieselauto's, alsmede de tijdelijke verhoging van het tussentarief en het weeldetarief van 18 pot. op onder meer personenauto's, motorrijwielen en banden voor deze voertuigen permanent te maken. Verwonderen doet ons dit niet. Reeds in 1957 is er door mij in deze Kamer op gewezen, dat het deze kant zou uitgaan. Het is echter te begrijpen, dat deze voorstellen in de kringen van het motorwegvervoer grote teleurstelling en een stemming van ontevredenheid hebben verwekt. Ten eerste omdat men zich er door geschokt gevoelt in het vertrouwen, dat men in de verklaringen van de regering had gesteld. Die verklaringen toch hielden in, dat de desbetreffende belastingverhogingen slechts van

tijdelijke aard

zouden zijn en dus na een bepaalde tijd zouden aflopen. De houding van de meerderheid van de Kamer, die er zelfs minister Hofstra om liet vallen, toen deze voorstelde de verhogingen met twee in plaats van met één jaar te verlengen, versterkte de vervoerondememers en de motorrijtuighouders in niet geringe mate in hun mening, dat zij er op konden rekenen, dat de desbetreffende verhogingen een aflopend karakter hadden.

Het behoeft dus niet te verwonderen, dat het onderhavige voorstel, n.l. het blijvend maken van de steeds als tijdelijk voorgestelde verhogingen, voor de betrokkenen een zeer grote teleurstelling is. Zij voelen dit terecht aan als een onbillijke maatregel, als een maatregel, die in strijd is met recht en billijkheid. Dat een dergelijk handelen een ontevreden stemming moet verwekken, ligt dan ook voor de hand en dat mede, omdat de betrokkenen die verhogingen toch al nimmer goed hebben kunnen verwerken, omdat zij er een diskriminatie in zagen, een afwentelen van lasten op een bepaalde groep belastingbetalers.

Van de zijde van de industrie werden de verhogingen uit dien hoofde dan ook steeds veroordeeld. Wij wijzen slechts op een uitspraak van de vorige voorzitter van het Nederlands Verbond van Werkgevers, wijlen de heer Twijnstra, voorkomende in een door hem in 1958 gehouden rede, en voorts op het orgaan „De Nederlandse Industrie" van 1 oktober 1.1., waarin het wordt betreurd, dat de regering voor de drukverschuiving de vorm heeft gekozen van een handhaving der bestaande diskriminerende tariefsverhogingen ten laste van enkele bedrijfstakken, vooral ook met het oog op de moeilijkheden, welke de

Euromarkt

voor het bedrijfsleven zal opleveren. Ook uit de ingekomen adressen blijkt genoegzaam de ontstemming, welke er in de kringen van het motorwegverkeer bestaat over het voorstel tot het blijvend maken der tijdelijke verhogingen. Bovenal wordt het als een grote onbillijkheid aangemerkt, dat personenauto's, in gebruik bij huurauto-en taxibedrijven, welke dus dienen voor het bestaan van werkgevers en werknemers, onder het weeldetarief blijven vallen. Dit tarief is nu 20 pet. Als het desbetreffende wetsontwerp wordt aangenomen, zal het 18 pet. worden, wat dus ook nog weeldetarief is. Autobussen daarentegen, die evenals de vorenbedoelde personenauto's onder de wet autovervoer personen vallen, vallen niet onder de weeldebelasting. Wij achten zulks een grote onbillijkheid en bepleiten daarom bij de minister en de staatssekretaris om deze Weg te nemen.

Wat voorts de verhoging der vennootschapsbelasting betreft, mijnheer de voorzitter, deze wil de regering per 1 januari 1961 ongedaan maken, doch ook al weer evenals bij de loon-en inkomstenbelastingverlaging onder de voorwaarde, dat dit pas zal ingaan op 1 juli 1961 en wanneer de konjunktuur dit dan zal toelaten. Mocht dit naar het oordeel der regering niet het geval zijn, dan krijgen we de wel zeer vreemde situatie, dat de verhoging op de vennootschapsbelasting blijft bestaan, en dat de verlaging der loon-en inkomstenbelasting niet doorgaat. Dit stuit bij ons wel op zeer ernstige bezwaren, evenals dit ook het geval is met betrekking tot het voorstel inzake het permanent maken van de investeringsaftrek op het huidige peil. Dit geldt wel in het bijzonder bepaalde bedrijven, zoals b.v. de

scheepvaart.

Ten aanzien hiervan hebben de bewindslieden in de memorie van antwoord wel uitvoerig geantwoord op de op hen uitgeoefende aandrang voor de scheepvaart een uitzondering te maken, doch wij zijn door dit afwijzende antwoord er niet van overtuigd, dat de toestand bij de scheepvaart zodanig is, dat er geen reden is om aan het gedane verzoek alsnog te voldoen. Uit het adres van de Koninklijke Nederlandse Redersvereeniging, waarop verschillende sprekers, die mij voorafgingen, reeds hebben gewezen en dat ook de minister en de staatssekretaris bekend is, blijkt o.i., dat de positie van de Nederlandse koopvaardijvloot lang niet zo gunstig is als en sterker wordt bedreigd dan de regering blijkbaar denkt. Vooral doordat in an­ dere landen veel gunstiger regelingen bestaan ten aanzien van de investeringsaftrek, zoals b.v. in Engeland, verkeert de Nederlandse scheepvaart wel in een zeer moeUijke en ongelijke positie wat betreft de konkurrentiekracht. Wij handhaven derhalve onze bezwaren tegen het voorstel tot het blijvend maken van het huidige percentage van de investeringsaftrek in de algemene vorm, waarin het thans luidt, zonder dus dat uitzondering hierop mogelijk is.

Nadat de minister en de staatssekretaris de sprekers hadden beantwoord, werd gerepliceerd. Daarbij hield Ir. Van Dis de volgende

REPLIEKREDE

Bij de repliek kan ik volstaan met het maken van slechts enkele opmerkingen en zal mij bepalen tot wat de staatssekretaris aan mijn adres heeft gezegd.

Ik konstateer dan allereerst, dat de geachte bewindsman wel heel gemakkelijk is heengestapt over de kwestie van het permanent maken van belastingverhogingen, die steeds als tijdelijk zijn voorgesteld. Er werd door hem gezegd, dat verleden jaar van de zijde der regering duidelijk te kennen is gegeven, dat aan het einde van dit jaar het geheel van fiskale maatregelen onder ogen zou worden gezien. Hiermede was het duidelijk genoeg, aldus de staatssekretaris, dat het toen al wel te bevroeden was, dat de tijdelijke belastingverhogingen hun tijdelijkheid zouden gaan verliezen en permanent zouden worden gemaakt. Ik kan het hierin echter met de staatssekretaris niet eens zijn. Ik houd er mij van overtuigd, dat niemand der betrokkenen daaruit toen heeft opgemaakt — en heeft kunnen opmaken — dat de regering zou komen met het vootstel, zoals dit thans voor ons ligt. Dit blijkt toch wel duidelijk uit de

verontwaardiging,

welke spreekt uit de publikaties, welke naar aanleiding van het regeringsvoorstel zijn verschenen. Dit blijkt ook uit de adressen, tot de Kamer gericht. Ik wijs slechts op het dezer dagen bij de Kamer ingekomen adres van de Nederlandse Wegverkeers-en Vervoersfederatie, waarin zes instanties op het gebied van het wegverkeer betrokken zijn. Daarin komt o.a. deze passage voor:

„Zowel door de huidige als door de vorige regering werd achtereenvolgens in 1957, 1958 en 1959 verklaard, dat onderwerpelijke belastingverhogingen slechts een tijdelijk karakter droegen en geboden waren door de bijzondere omstandigheden: aanvankelijk bestedingsbeperking, daarna de konjimkturele toestand en de noodzakelijke versterking der rijksmiddelen".

Hieruit blijkt toch wel overduidelijk, dat de bij deze kwestie zo nauw betrokken

weggebruikers

door het voorstel tot het permanent maken der tijdelijke verhogingen volkomen verrast zijn. En dat is ook volkomen te begrijpen. Wanneer toch de regering het vorig jaar het permanent maken der tijdelijke verhogingen in haar plannen had betrokken, dan had zij niet moeten zeggen, dat „de verhoging slechts voor de duur van één jaar zou zijn". Dan had zij klare wijn moeten schenken en had zij op zijn minst daarbij moeten mededelen, dat er rekening mede moest worden gehouden, dat het mogelijk was, dat aan het einde van het jaar de tijdelijke verhogingen permanent zouden worden gemaakt. Dan zou door de regering open kaart zijn gespeeld en zou zij de betrokken ondernemers niet in een verkeerde waan hebben gelaten.

Wat betreft de kwestie van de investeringsaftrek, heeft mij het antwoord der regering met betrekking tot de

scheepvaart

allerminst kunnen bevredigen. Gezien de moeilijke positie, waarin de scheepvaart verkeert, de scherpe konkurrentie, waaraan zij bloot staat, ware het mi. zeker verantwoord, daarvoor op de één of andere wijze een uitzondering te maken. De staatssekretaris heeft er wel op gewezen, dat ook voor de scheepvaart de verhoging van de vennootschapsbelasting komt te vervallen, maar ik acht dit toch geen voldoende kompensatie, omdat het hierbij niet dezelfde groepen van belastingplichtigen betreft. Met mij denken velen er zo over. Door onderscheidene leden van deze Kamer is dit reeds opgemerkt. Ook buiten de Kamer is men het in dezen met de staatssekretaris niet eens. Zo wijs ik op de rede, die onlangs is gehouden door de tegenwoordige voorzitter van het Nederlands Verbond van Werkgevers, Ir. Den Hollander, die in die rede over dit punt zei, dat het verband, dat tussen beide maatregelen, namelijk de investeringsaftrek en de vennootschapsbelasting, wordt gelegd,

geen reële grond

heeft. Bovendien bestaat de mogelijkheid, dat de verhoging van de vennootschapsbelasting in 1961 niet vervalt, want dat is geheel afhankelijk gesteld van de konjunktuur.

Ten slotte wil ik nog iets zeggen over de ongehuwden. Ik kreeg namelijk de indruk, dat de staatssekretaris mij niet goed heeft begrepen, toen ik het er over had, de leeftijd voor het overbrengen van tarief I naar tarief II te verlagen. Daarom wil ik om alle misverstand weg te nemen, nog even er op wijzen, dat ik daarbij ook het oog had op de ongehuwden.

Het wetsontwerp in zake het permanent blijvend maken van enkele belastingverhogingen werd zonder hoofdelijke stemming aangenomen, nadat namens de S.G.P.-fraktie door Ir. van Dis de volgende verklaring was afgelegd:

Mijnheer de voorzitter!

Aangezien wij ons nimmer hebben kunnen verenigen met de tijdelijke belastingverhogingen, waaronder de verhoging van de omzetbelasting op personenauto's, motorrijwielen en de banden daarvoor, alsmede de verhoging van het invoerrecht op benzine, omdat deze verhogingen op het motorw^egvervoer een extra last leggen, welke niet nodig ware geweest, wanneer de hoge staatsuitgaven ingrijpend verlaagd waren, en onze bezwaren tegen die verhogingen onverzwakt zijn blijven bestaan, zullen wij tegen het onderhavige wetsontwerp nr. 10 stemmen. Mocht geen hoofdelijke stemming plaats hebben, dan zouden wij gaarne aantekening hebben, dat wij geacht wensen te worden te hebben tegen gestemd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1960

De Banier | 8 Pagina's

De belastingvoorstellen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken