Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

6 minuten leestijd

II.

En terstond dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor henen te varen naar de andere zijde tegenover Bethsaida, terwijl Hij de schare van Zich zou laten. Markus 6 : 45

Het vlees van de discipelen wil hetzelfde als de schare. Het vlees van een mens, ook na ontvangen genade, wil bekeerd zijn en steeds beter bekeerd zijn, wil heilig zijn en steeds heiliger zijn, wil eigenlijk buiten het kruis om zalig worden. Ja, dat zou als een opgeknapte zondaar de Christus willen ontvangen.

Hoe komt dit? Wel, het vlees, dat is het eigen beginsel, wil niet bukken, wil niet zondaar zijn voor God, wil stand ophouden. Daar is nu Goddelijke dwang toe nodig om scheep te gaan, om de weg des Heeren te gaan. En dat is een weg waarbij de zondaar op het diepst vernederd wordt en Christus op het hoogst verheerlijkt. Want het is een wonder dat die discipelen gehoorzamen. Hier zien we dat de Heere sterker is dan hun vlees. Ze hebben meer met de Heere opgekregen dan met him eigen bestaan. En dat is van de Heere, dat is genade.

Zo gaan de discipelen gedwongen in het schip, maar ze laten zich dwingen. En dat is enkel van de Heere. En de Heere laat intussen de scharen vertrekken en trekt Zich terug op het gebergte om te bidden. Dat heeft Hij dikwijls gedaan. Hij was mens. En als mens heeft Hij in afhankelijkheid geleefd van Zijn Vader. Hij kon enkel doen wat Hij de Vader zag doen, en wat de Vader Hem gaf te doen. Het is vooral Lukas, die het telkens naar voren brengt. Intussen zijn de discipelen op zee. Ze gaan dus in de weg Gods. Maar alles schijnt hun tegen te zijn. De wind steekt op, het stormt en zo worden ze hoe langer hoe verder van land afgedreven. En dat is nu juist wat ze niet willen, want de Heere Jezus heeft gezegd dat ze voor Hem uit moeten gaan en dat Hij ook zal komen. Daar ligt dus een belofte in opgesloten, dat Hij straks weer bij hen zal zijn. Daarom zullen ze aanvankelijk dicht bij de oever zijn gebleven om Hem op het eerste teken te kunnen opnemen. Maar door de storm worden ze naar volle zee gedreven. Alles schijnt tegen. En ze zijn zonder Jezus op zee. Hoe kan dit toch? Ze zijn toch in de weg van gehoorzaamheid gegaan? Reken er maar op, als een mens in de weg van het Woord mag gaan, dat dan alles tegen komt. Daar komt het één en ander op af. Dan schijnt het ten enenmale verkeerd te gaan. Het stormt van buiten en het zal ook van binnen bij hen gestormd hebben. Geloof dat maar. Ze begrijpen er niets van. Het ging zo goed en nu gaat alles verkeerd. En wie weet of ze het wel eens halen. Want de wind beukt het water en het kleine schip loopt gevaar van te zinken.

Ja maar, discipelen, dat hebben jullie toch wel eens meer meegemaakt? Zeker, maar toen was de Heere Jezus Zelf aan boord. Hij lag wel te slapen, maar ze konden Hem toch wakker roepen. En nu zijn ze alleen. Het blijkt ook hier weer zo duidelijk, dat ze met die vorige weldaad niets konden beginnen. Er is een christendom, dat het altijd kan vasthouden en geloven. Daar horen die discipelen niet bij.

Ja maar, discipelen, de Heere heeft het toch Zelf gezegd, dat jullie moeten afsteken en dat Hij straks ook weer zal komen! Och, daar kurmen ze ook niets mee doen hier. Het is wel waar, maar ze denken nu niet anders dan dat ze nog zullen omkomen op zee en dat ze Hem nooit weer terug zullen zien. Ze kunnen het niet vasthouden. Zeker, dat is ongeloof. Maar ze moeten het zo inleven dat er in hun hart niet anders is dan ongeloof. Ze moeten het zo inleven, dat het geloof een gave van God is. En dat is een oefening waar de kerk voortdurend in wordt geoefend. Ze kunnen geen stap verder ko­

men dan de Heere hun geeft te gaan. En dan blijft het ongeloof wel hun schuld, maar het geloof blijft een gave Gods. Zo wordt de kerk op de knieën gebracht en gehouden en in afhankelijkheid geleid. Zo krijgt God de eer en daar ligt hun zaligheid in. Er staat echter dat ze zich afpijnigden om het schip voort te krijgen. Kijk, dat gaat nog zo als de Heere leven heeft geschonken aan een ziel; dan is er een zich afpijnigen om verder te komen. Dan kan de ziel er nooit bij gaan rusten, kan het niet opgeven, al wordt ze wel bang dat het nog alles op niets zal uitlopen. De schijn, de dode vorm pijnigt zich niet; die laat zich al vrij spoedig meedrijven. Dan wordt het zo gemakkelijk gezegd: Och, je kunt toch niet tegen de stroom op. We horen dat vandaag de dag in allerlei toonaarden. Dan wordt er geofferd op het altaar van de tijdgeest; dan drijft het maar mee als dode vis in het water. Maar de levende vis steekt de kop in de stroom en 'awemt er tegenin, ai wordt ook de levende vis wel eens meegesleurd. En zo is het nu met het ware leven; dat worstelt altijd weer tegen de stroom op. En dan staat men vaak alleen, vandaag de dag. Maar beter is het om alles tegen te krijgen en de Heere mee te mogen hebben, dan dat we alle mensen mee hebben en de Heere tegen.

En zo wordt het ervaren door een levende ziel. De dode zondaar drijft mee, wacht het gelaten af, ondanks een goede belijdenis misschien, en dat heeft niets te maken met vertrouwen en overgave, doch dat is lijdelijkheid, die de Heere heimelijk de schuld geeft. Waar de Heere begonnen is, daar moet het verder. Zo worstelen de discipelen en pijnigen zich. Och, alles tegen naar het schijnt, en in werkelijkheid hebben ze alles mee. Daarover een volgende keer D.V.

Groenekan

Ds. B. Haverkamp

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1961

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken