Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

5 minuten leestijd

III.

En terstond sprak Hij met hen en zeide tot hen: Zijt welgemoed, Ik hen het; vreest niet. Markus 6 : 50

De discipelen konden het niet anders bekijken dan dat ze alles tegen hadden. Storm van binnen en van buiten. Proberen alles om aan land te komen en weer bij de Heere Jezus te mogen zijn, en zij vorderen schijnbaar niets. En toch hebben ze net alles mee. Maar daar hebben sij geen erg in. Wat hebben zij dan mee?

Allereerst een biddende Jezus. De Heere Jezus is op de berg gegaan om te bidden, zagen we. Hij ziet Zijn discipelen wel. Hij ziet wel dat ze zich pijnigen om vooruit te komen en dat ze niet vorderen. Hij ziet wel hun ongeloof en hun vermoeidheid. Hij ziet wel dat er in hun grote nood haast geen gebed meer overschiet. Zij zien Hem niet, maar Hij ziet hen wel.

Een biddende Jezus, wat is dat groot. Hij is de biddende Hogepriester, Die voor Zijn volk bidt. Hij zegt het tot de Vader: „Vader, dezen kunnen niet omkomen, want voor dezen zal Ik ook Mijn bloed gaan geven. Vader, Ik vnl dat ze behouden worden, want Ik zal voor hen betalen".

Ja, deze biddende Jezus mag eisen op grond van Zijn verdiensten aan het kruis. Hij zegt het straks zo bemoedigend tot Zijn jongeren, vóór Hij naar het kruis wordt geleid: „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude". O, die kerk wordt gedragen door het gebed van hun Hogepriester. Daarom houden ze hier vol; daarom kunnen ze niet anders dan zich pijnigen.

En al ziet de kerk er niets van en al kan ze er helemaal niets meer van bekijken. Hij is er toch. En de kerk kan niet beter doen dan al haar nood Hem maar bekend maken. Vertel het Hem maar, dat er geen geloof meer is, dat het allemaal zo donker is geworden en dat het hart zo hard en koud aanvoelt. Vertel het Hem maar, dat er geen hoop meer over schijnt te zijn en dat het bidden ophoudt. Maar vertel Hem dan ook het verlangen van de ziel om aan land te mogen komen en Hem te mogen ontmoeten. Want dat is er toch ondanks alles en onder alles door. De kerk kan niet beter doen dan het alles voor Hem neerleggen.

Ja, die discipelen hebben een biddende Jezus mee. Dat is groot. Maar ach. Hij komt niet. Neen, nu nog niet. Hij komt op Z ij n tijd. Waarom zo laat?

Opdat genade genade zij en Hij Zich verheerlijkt aan verlorenen, aan degenen, die waarlijk zondaar zijn voor Hem. Zo krijgt God de eer en de ziel de zaUgheid. Dat is een weg tegen vlees en bloed in, dat gaat tegen het menselijke bestaan in. Dan kunnen zij het niet anders zien, of alles is tegen. En toch hebben ze een biddende Jezus.

En op Zijn tijd komt Hij ook. Ze hebben ook mee een komende Jezus.

In de vierde nachtwake komt Hij. En Hij komt van een kant, vanwaar ze Hem niet verwachten: over zee. Hij komt over de woelige golven wandelen. De vierde nachtwake, dat is tussen drie en zes uur in de morgen. Daar ligt een hele nacht tussen van worstelen. Een bange nacht van twijfel en aanvechting. Denk er om dat die nacht lang geduurd heeft.

Voor hun gevoel komt er nooit een eind aan. En wat is het dan onverwacht en ongedacht. Het gaat precies omgekeerd aan wat zij verwachten.

Wat verwachten zij dan? Wel, dat de storm zal gaan liggen en dat ze dan aan land kunnen komen en dat ze dan straks de Heere Jezus weer zullen ontmoeten. Daartoe pijnigen zij zich af, al houden ze schier geen verwachtingen over.

En ziet, nu komt de Heere tot hen. Zij spannen zich tevergeefs in om tot de Heere Jezus te komen, en ziet. Hij komt tot hen. Over de golven heen, dwars door de storm heen.

Is dat niet de ervaring van de kerk van alle tijden? Als de Heere de noodzakelijkheid van Jezus Christus op het hart heeft gebonden, als Hij in Zijn gepastheid en in Zijn dierbaarheid en kostelijkheid openbaar is gekomen, dan gaat alles in een mensenhart uit naar die Jezus. Dan wordt er wat afgeworsteld om tot Hem te komen. Dan wordt er wat geroepen en gebeden en getobd. En ach, hoe meer er geworsteld wordt, hoe onmogelijker schijnt het te worden. Dan worden er ervaringen opgedaan, die hier de discipelen op zee opdoen.

Daar kan het zogenaamde christendom van deze tijd niets van begrijpen. Men gelooft toch, en daarmee uit. Een ziel, die door de Heere zaligmakend bearbeid wordt, ervaart het echter dat haar armen te kort zijn om de Heere Jezus te grijpen. En met die onmogelijkheid komt die ziel op de knieën, met dat niet kunnen blijft het roepen tot de Heere. Want het kan niet met de dode vis meedrijven met de stroom; het worstelt er tegenin, al kan het er niets meer van bekijken vaak en al schijnt er geen hoop meer overgebleven. Het smeult nog onder de as.

Groenekan

Ds. B. Haverkamp

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1961

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken