Bekijk het origineel

Begroting van Volkshuisvesting

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Begroting van Volkshuisvesting

12 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van de heer D. Kodde

I.

Voordat de kabinetskrisis ontstond als gevolg van de verklaring van de minister van volkshuisvesting en bouwnijverheid, mr. Van Aartsen, dat hij en de andere antirevolutionaire bewindslieden hun ontslag zouden aanbieden, wanneer de motie- Van Eibergen (A.R.) door de Kamer zou worden aangenomen en dat zij dit ook zelfs zouden doen, indien de motie zou verworpen worden, doch een belangrijke meerderheid der A.R. Kamerleden er vóór zou stemmen, was door verscheidene sprekers het woord over bovenvermelde begroting gevoerd. Voor de S.G.P.fraktie werd dit gedaan door de heer Kodde, die daarbij de navolgende rede uitsprak:

Mijnheer de voorzitter! Evenals vorige jaren moeten wij bij de behandeling van deze begroting nog rekening houden met het woningtekort. De onderscheidene oorzaken van het woningtekort zijn niet ineens weg te nemen.

Naar mijn mening is het niet billijk te eisen, dat in een korte tijd de algehele vervulling van onze wensen wordt bereikt, hoezeer

wij ook verlangen naar een oplossing van het woningvraagsttik. De vrees, die er was, dat de

partikuliere bouwer

geen goedkope woningen zou willen bouwen, lijkt mij beschaamd. Dit is overeenkomstig onze verwachting gebeurd, want van overheidsbouw hebben wij de oplossing nooit verwacht en wij verwachten de oplossing van die kant nog niet. De vrije bouw door vrije ondernemers is en wordt door ons voorgestaan. Het streven in die richting vdllen wij gaarne steunen.

Te meer zijn wij bereid dit streven te steunen, omdat toch wel is gebleken, dat de vrije bouwer goedkope woningen kan en v? il bouwen. Dit blijkt o.a. ook wel uit het aantal aanvragen.

Er zijn echter nog wel enkele vragen. Voorheen werd geregeld gezocht naar mogelijkheden, financiële middelen te verkrijgen. Thans wordt naar mijn mening meer gelet op de aanwezigheid van bouwkapaciteit om daardoor ook wel de prijzen te drukken. Het streven om de prijzen te drukken door de mogelijkheden tot bouwen af te remmen heeft echter ook wel

bedenkelijke

zijden. In de eerste plaats wordt daardoor het bouwen van meer woningen in het algemeen niet bevorderd. In de tweede plaats kan het in sommige plaatsen wel leiden tot een ongebruikt laten van aanwezige krachten met alle gevolgen van dien, zoals door de geachte afgevaardigde, de heer Van der Peijl, reeds is aangetoond.

De kleine voorraad bakstenen is verontrustend. Daardoor kunnen woningen, die in uitvoering zijn, niet vlug, althans niet volgens de voornemens worden afgewerkt. Er zijn veel oorzaken, die vertrar gend werken, zodat wel een grote voorzichtigheid nodig is om geen werk te vertragen, omdat de konkurrentiepositie anders niet voldoende sterk zou zijn, wijl er reeds op andere wijzen werkelijk wel oorzaken zijn, die tot konkurrentie leiden. De bouwondernemers konkurreren reeds zeer scherp, zodat er van overwinst of een gebruik maken van omstandigheden om nog maar meer te winnen in het algemeen

geen sprake

meer is. Daarbij zal het wel geen onderscheid maken of de overheid dan wel een partikulier bouwt, maar voorstander van overheidsbouw zijn wij niet. Alleen in noodgevallen zal de overheid moeten bouwen. Onder noodgevallen wil ik dan verstaan het geval, dat de partikulieren nalaten te bouwen. Die toestand acht ik thans in het algemeen niet meer aanwezig. Wel rijst de vraag, of de partikuliere bouwer niet de lust wordt benomen te bouwen, omdat het zo onzeker is, wanneer hij over de premie zal kunnen beschikken. Het grote aantal aanvragen is wel een bewijs, dat de ondernemers bouwen willen, maar het moet toch wel bedenkelijk worden geacht, dat een zo groot aantal nog op afdoening wacht en dat geen raming kan worden gemaakt, wanneer de afdoening zal plaats hebben en of dan alsnog een premie kan worden toegekend. Nu vreest de minister, dat bij het bekend maken van een

tijdschema

het aantal aanvragen groter zal worden en dat de stroom van aanvragen zal versnellen. Het is niet uitgesloten, dat zulks het geval zal zijn, maar is het tegengestelde ook niet mogelijk, wanneer men de aanvragen steeds niet afwerkt? Zal, omdat de toekenning van de premie zo weinig zekerheid biedt, de lust tot bouwen niet verminderen? Ook het feit, dat de afdoening, zoals op blz. 4, rechterkolom, van de memorie van antwoord is gesteld „geschiedt na beoordeling van de merites van de desbetreffende bouwplannen", acht ik wel bedenkelijk. Zijn daarvoor de jmste beoordelingsmaatstaven aanwezig? Hoe stelt men de verdiensten van het plan vast? De omschrijving is zo ruim, dat daaronder naar mijn mening alles is in te brengen. Bij een streven naar

meer vrijheid

acht ik het bedenkelijk, dat dat­ gene, wat, zoals wel wordt gezegd, de voordeur uitgaat, op deze manier via de achterdeur weer wordt binnengehaald. Wordt daardoor niet een te grote macht aan de provinciale direkties gegeven? Werpt dit werk zijn nut wel af, mijnheer de voorzitter? Bestaat daardoor geen mogelijkheid, dat in de verschillende provincies met andere maatstaven wordt gewerkt? Vormt dit met de eis, dat de bouwsom een bepaald bedrag niet te boven mag gaan, geen aanleiding voor de bouwondernemer om zijn plan minder solide op te stellen, niettegenstaande de kwaliteitsnormen? Voorstander van een luxeuitvoering ben ik niet, maar wel van een degelijke en ik kan er niet aan ontkomen te denken, dat de plannen wel te veel zogenaamd worden uitgekleed om toch maar een lage bouv^rprijs mogelijk te maken, ten einde daardoor de premie te verkrijgen. Is er dan niet alles voor te zeggen, de

bouwprijs

te drukken? Het is goed, te hoge bouwprijzen tegen te gaan, maar er dient toch ook wel gelet te worden op een behoorlijke uitvoering. Zondag 4 december 1960 is wel gebleken, dat er toch veel woningen zijn gebouwd, welke niet goed zijn afgewerkt of uitgevoerd. Een woning moet toch zeker waterdicht zijn en vooral dicht bij de kust, waar de wind meestal sterker is, althans zeker ongeregelder, en waar soms grote druk moet worden weerstaan, is wel gebleken, dat daaraan wel iets mankeert.

Nu stelt de minister in de memorie van antwoord op blz. 7, linkerkolom: „Wat de bouw op minder gunstige plaatsen betreft, wordt opgemerkt, dat bij de vaststelling van de subsidie rekening wordt gehouden met de grootte van de woning, het woningtype, de funderingsdiepte en de gemeenteklasse. Het zou te ver voeren, daar ook nog maatstaven aan toe te voegen met betrekking tot de geografische dislokalisatie".

Mijnheer de voorzitter! Maar waarom wordt wel rekening gehouden met de toestand van de

bodem,

tot uiting komende in de funderingen, en waarom niet met andere omstandigheden, die toch ook van invloed zijn op de geeiste samenstelling van het gebouw?

In de eerste plaats zal een woning, welke niet waterdicht is, veel ongemak aan de bewoners bezorgen, maar in de tweede plaats zal het daarvoor gebruikte materiaal ook veel meer lijden en dat zal er toe leiden, dat de woning veel eerder onbruikbaar zal worden.

In dit verband wil ik er op wijzen, dat het mij verontrust, dat de woningen, in de laatste tijd gebouwd, zo spoedig gebreken vertonen. Dat betreft niet alleen de bouw in de laatste jaren, maar zelfs woningen, in de jaren '20 gebouwd, gaan reeds gebreken vertonen. Of dat nu meer voorkomt bij bouw door de overheid dan wel bij bouw door partikulieren, kan ik niet beoordelen, maar dat het bij de

overheidsbouw

voorkomt, staat vast. Juist dat feit moet ons toch wel doen overwegen, of een zodanig drukken van de prijs, dat die tot minder goede kwaliteit leidt, niet verkeerd werkt. Immers, de woningvoorraad zal daardoor spoedig zijn versleten en opnieuw vernieuwing behoeven. Daardoor zal de voorraad weer verminderen en de oplossing van het woningvraagstuk worden tegengehouden. Ook mag toch wel aandacht worden geschonken aan de ongerieven, die dit met zich brengt en die voor een groot deel de huismoeders treffen.

De minister wil, dat de woningen, die door partikulieren worden gebouwd en waarvoor subsidie wordt gevraagd, wat de kwaliteit betreft, zullen voldoen aan de eisen, die ten aanzien van de woningwetwoningen zijn gesteld, maar ik ben er niet gerust op, dat de eisen voor die woningwetwoningen ook voldoende zijn. Vermoedelijk zal een partikulier, die voor zichzelf bouwt, hetzij voor verkoop, hetzij voor verhuur, meer op de afwerking en inrichting letten dan de overheid. Ook in dezen geldt toch wel, dat het oog des meesters het paard vet maakt. Daarom is het juist goed, dat de gemeentebesturen door middel van bouwvoorschriften en toezicht waken. Dit toezicht op de

partikuliere bouw

zal in een andere verhouding geschieden dan wanneer de gemeente zelf bouwt. Het zeer geringe aantal woningen waarbij nog gebruik is gemaakt van de B- en C-premieregeltng of, beter gezegd, gebruik kon worden gemaakt van die regeling, wijst er toch wel op, dat de toepassingsmogelijkheid zeer gering is.

Het is moeilijk vast te stellen, of verwachtingen niet zijn vervuld en of, gezien de praktijk, reeds weinig verwachting bestaat. Nu was het niet onze bedoeling om de regeling te doen vervallen, maar wij hebben meer de aandacht gevraagd voor het woord „vooralsnog" op de eerste bladzijde van de memorie van toelichting. Door dat woord worden toch wel verwachtingen gewekt. En dan rijst de vraag, wanneer de periode na dat „vooralsnog" aanbreekt, wanneer er werkelijk iets met deze regeling kan worden gedaan.

Omdat de toekenning zo gering zal zijn en dan nog wel onder bijzondere omstandigheden, zoals in de memorie van antwoord is gesteld, rijst toch wel de vraag, of nog van een algemene regeling kan worden gesproken. Vooral als de grotere woningen worden ingebouwd in een blok A-woningen, om de een of andere reden, welke niet altijd in het belang van de bouwer zal zijn, kan toch wel de vraag rijzen of geen regeling is te treffen, dat voor deze woningen dan een

zelfde premie

kan worden toegekend als voor de A-woningen. Bij het bouwen van een blok zal toch wel met de totale premie worden rekening gehouden en dus ook met de lagere premie voor eventueel daar­ in te bouwen B-woningen. Het lijkt mij van belang, dat die mogelijkheid van het bouwen van enige grotere woningen in een blok blijft, maar die moet dan ook meer aangemoedigd worden dan nu het geval is. Een moeüijk op te lossen vraagstuk lijkt mij de wens om de met premie gebouwde woningen ter beschikking van de minder draagkrachtigen te houden. Het is de vraag, of het doel met de aangegeven middelen is te bereiken. De minister meent, dat in aanmerking nemende het resultEiat van het onderzoek, dat op bladzijde 15 van de memorie van antwoord in het antwoord op vraag 1 is vermeld, er door opschuiving wel mogelijkheden zijn. Wanneer ik de aantallen in de laagste huurklasse bezie, lijkt het mij, dat er nog wel mogelijkheden zijn, maar zijn die te gebruiken? Staan die woningen ter beschikking? Is het zo, dat iemand, die een hoger inkomen gaat genieten, in de regel een woning met een lagere huur gaat verlaten? Naar mijn mening zal dat alleen te bereiken zijn door dwang, behoudens in enkele gevallen. Ook zal de voorkeur aan een andere woning worden gegeven, als het

woongerief

te weinig is en niet meer voldoet aan de tegenwoordig gestelde eisen.

Voor het bouwen door de overheid voel ik niet, maar ook niet voor het doen bewonen van min der geschikte woningen door hen, die minder huur kunnen opbrengen. Dat leidt mij tot de vraag of wij met de financiële hulp voor de bouw, zoals die nu wordt gfr geven, op de goede weg zijn. Reeds eerder heb ik doen blijken, geen bezwaren te hebben tegen een bijdrage van de overheid, zolang de kosten van de bouw volgens de gewone verhoudingen te hoog zijn. Maar dan zal een gelijke bijdrage moeten worden gegeven voor elke woning. Dan zal niet voorop moeten staan, dat het mogelijk moet worden gemaakt tegen een lage huur te wonen. Het gaat er om de bouw mogelijk te maken en aan te moedigen. De steun, die men aan een groep van onze bevolking wil geven om een gepaste woning te bewonen met een door die groep te betalen huur, acht ik meer in het persoonlijke vlak te liggen. Het zal bijna ormiogelijk zijn, vooral voor de staat, de steun te geven aan de personen, die deze nodig hebben. Daartoe zou een instelling nodig zijn, welke nog wel meer zal kosten dan wat nu nodig is om de premie te berekenen en de plannen te toetsen. Maar er lijkt mij wel een andere mogelijkheid te zijn, althans zal die gemaakt kunnen worden. Het is mij niet mogelijk met cijfers aan te tonen wat er in zit, maar mijn gedachten gaan uit naar het niet meer heffen van

belastingen

naar het inkomen van hen, die nu een bijdrage behoeven om te kunnen wonen. Indien dat mogelijk is, kan veel werk worden gespaard en kan de bouw ook vrijer worden. Het lijkt mij geen juist standpunt eerst belasting te doen betalen en dan later voor een deel uit die middelen bijdragen te ge- ven om het wonen mogelijk te maken. Daarop zal ik nu niet dieper ingaan, maar het gaat er mij om, de overheidsbemoeiingen minder te doen zijn en daarbij toch de hulp te verlenen die nodig is. Dus meen ik niet de oplossing te moeten zoeken in meer woningwetwoningen, maar in het doen bouwen van goedkope woningen en in het mogelijk maken van de betaling van de huurprijs voor die woningen. Maar, dan ook laten bouwen. De toestand van nu bevredigt mij niet. Er is nog gebrek aan woningen. Bouwondernemers willen bouwen. Zonder subsidie is de bouw

niet rendabel

te maken en de subsidie wordt slechts voor een bepaald aantal verleend. Ik wil toekenning van meer premies. Het gevaar, in het voorlopig verslag vermeld, dat de bouwers zonder de premie te zware lasten op zich nemen, is niet bevorderlijk voor de wegneming van de woningnood en ook niet voor het onderhouden van wat er is. Immers, rente zal betaald moeten worden. De lasten zullen betaald moeten worden en dan zal het onderhoud in het gedrang komen. Ook het lang moeten wachten leidt tot allerlei spanningen. Het is niet gezond in onze samenleving, dat huwelijken moeten worden uitgesteld, omdat er geen geschikte woning is. Het lijkt mij ook niet juist ons volk als het ware te wermen aan overheidsbijdrage voor toch primaire levensbehoeften. Zeer zeker is toch een woning niet te missen. Ook is het de vraag of dat wen­ nen aan bijdragen niet leidt tot een besteding van het irikomen voor zaken, die niet alleen gemist kunnen worden, maar zelfs een verderfelijke invloed oefenen op ons volk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1961

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Volkshuisvesting

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken