Bekijk het origineel

Begroting van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Begroting van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen

10 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Grondslag onderwijs - Kosten onderwijs Subsidie - televisie

Rede van Ir. van Dis

Was het vroeger, vóór de oorlog, regel dat alle begrotingshoofdstiikken met uitzondering van dat inzake Nederlands-Indië, vóór Kerstmis werden afgehandeld, na de oorlog gebeurde dit slechts sporadisch, de laatste jaren zelfs helemaal niet. Ook de hierboven genoemde begroting kwam pas in 1961 in openbare behandeling.

Namens de S.CP.-fraktie werd daarbij het woord gevoerd door Ir. van Dis, wiens rede duidelijk genoeg voor zichzelf spreekt, zodat wij haar zonder verdere toelichting kunnen laten volgen. Ir. van Dis sprak als volgt: Mijnheer de voorzitter.

Het departement, waarvan de zorg aan de minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen en de beide staatssekretarissen is toevertrouwd, is er een van een zeer omvangrijke aard, zoals wel blijkt uit de 18 afdelingen dezer begroting. Vereist de behartiging van de zich bij deze afdelingen voordoende zaken reeds veel van de werkkracht dezer bewindslieden, daarbij komt nog, dat zij met verscheidene moeilijkheden hebben te kampen, zoals onder meer het grote gebrek aan

leerkrachten,

dat zich bij verscheidene takken van onderwijs voordoet, en het grote tekort aan schoolgebouwen en schoolruimte, waarvan in de diverse bij deze begroting behorende nota's een inzicht wordt gegeven. Voor de veelomvattende arbeid van de minister hebben wij dan ook alle waardering. Dit wil echter niet zeggen, dat wij ons met alle posten der begroting en in alles met het gevoerde beleid kunnen verenigen.

Dat dit niet zo is, kan de minister genoegzaam bekend zijn. Ook hebben wij het nimmer onder stoelen of banken gestoken, dat wij ons krachtens beginsel met de huidige grondslag van ons onderwijsstelsel niet kunnen verenigen. Hoewel wij niet de verwachting hebben, mijnheer de voorzitter, dat de regering in deze grondslag wijziging zal aanbrengen, en wel een zodanige wijziging, dat de Heilige Schrift tot grondslag van het onderwijs in al zijn vormen wordt gesteld, achten wij het toch van gewicht, er ook thans weer met alle nadruk op te wijzen, dat het de dure roeping van overheid en volk is, zich aan

Gods Woord

te onderwerpen, het onderwijs op de leest van dit onfeilbare Woord te schoeien en dienovereenkomstig de onderwijswetten in te richten. Wanneer daartoe werd overgegaan, zou er eerst met recht kunnen worden gesproken van vernieuwing van het onderwijs, waarover bij de behandeling van achtereenvolgende onderwijsbegrotingen reeds zo menigmaal is gesproken.

Nu heeft de minister in de memorie van toelichting er nog eens aan herinnerd, dat het onderwijs in steeds hogere mate behoort ten goede te komen aan het geestelijk en stoffelijk welzijn van het Nederlandse volk in al zijn geledingen. Voor zover de minister hiermede wil te kennen geven, dat goed deugdelijk ondenvijs een

groot volksbelang

is, kunnen wij het daarin met hem eens zijn.

In onze hedendaagse gekompliceerde maatschappij met zijn ver doorgevoerde ontwikkeling op het gebied der technische, natuur-, bedrijfs-, landbouw- en handelswetenschappen moeten er voldoende mensen zijn met de nodige kennis en kapaciteiten om de talrijke funkties van laag tot hoog te kunnen vervullen. Dit alles ten volle erkennend, zijn wij desniettemin van oordeel, dat het onderwijs, behalve op het bijbrengen van de vereiste parate kennis voor de vervulling van de verschillende taken in het maatschappelijk leven, ook daarop gericht behoort te zijn, dat de jeugd en ook de ouderen worden onderwezen in wat

Mr. Groen van Prinsterer

een eeuw geleden eens zo kernachtig noemde en op zijn initiatief werd opgenomen in de statuten der „Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs": de „onveranderlijke waarheden", dat zijn de waarheden, welke in Gods Woord zijn geopenbaard. Helaas heeft een zeer groot deel van ons volk onder aanvoering van zijn leidslieden zich van zulk een onderwijs afgekeerd, met het onheilzame gevolg, dat ons volk hoe langer hoe meer ontkerstende, dat de beginselen van ongeloof en revolutie steeds verder doorwerkten en de machten, die uit deze beginselen leefden en nog leven, steeds sterker werden. Na deze

principiële

algemene beschouwingen betreffende het onderwijs, mijnheer de voorzitter, wensen wij thans een en ander op te merken aangaande een ander punt, dat in het voorlopig verslag en de memorie van antwoord ter sprake wordt gebracht. Het betreft de uitgaven voor het onderwijs, die wel uitzonderlijk hoog zijn. Volgens de memorie van toelichting, worden zij voor 1961 voor de gehele dienst geraamd op een bedrag van bijna 1, 7 miljard, wat dus neerkomt op een stijging met riiim 248 miljoen, vergeleken met 1960. Met dit bedrag van 1, 7 miljard verslindt het departement van onderwijs, kunsten en wetenschappen derhalve ongeveer evenveel per jaar als het departement van defensie. Voorts tonen de cijfers aan, dat de uitgaven ten behoeve van onderwijs en kuituur sedert 1954 met wel 1100 miljoen zijn gestegen, zodat zij in zes a zeven jaar tijd niet ver van driemaal zo hoog zijn geworden en sedert 1940 zelfs

tienmaal

zo hoog. Ook al moet in acht worden genomen, dat de bevolking voortdurend is toegenomen en daarmede ook het aanbod van leerlingen voor de onderscheidene vormen van onderwijs, en voorts, dat het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek in de laatste jaren steeds grotere uitgaven heeft gevergd, toch vragen wij ons af, of het bij dit departement in het verleden niet met heel wat minder uitgaven af had gekund. Wanneer toch dit departement niet zoveel nieuwe taken op zich had genomen, zouden de uitgaven zeer zeker niet zo hoog zijn geklommen als thans het geval is. Er is ons inziens met een veel te kwistige hand met subsidies gestrooid, tot zelfs voor zaken, die louter het publiek vermaak ten doel hebben en in menig opzicht schadelijk en verderfelijk voor ons volk zijn. Voor de kunst in het algemeen geeft de begroting voor 1961 een uitgave te zien van ruim 14, 5 miljoen tegen ruim 12, 5 miljoen voor 1960. Als bijdrage voor de televisie, waardoor meermalen zedenverwoestende

zielsmisleidende

en zelfs Gode onterende uitzendingen te zien en te horen zijn, prijkt op deze begroting een uitgave van bijna 29 müjoen, terwijl deze bijdrage voor 1960 ruim 19 miljoen bedroeg.

Ziende op deze uitgaven en op de stijging er van, zal het de minister wel duidelijk zijn, dat wij niet gerekend kunnen worden te behoren tot degenen, die in het voorlopig verslag hebben laten optekenen, dat de aanzienlijke stijging van de uitgaven betreffende dit departement hun instemming kon wegdragen, en ook zal het de minister wel niet verwonderen, wanneer wij verklaren hem niet te kunnen bijvallen, wanneer door hem in de memorie van antwoord wordt opgemerkt, dat genoemde bijvalsbetuiging uit het voorlopig verslag hem heeft verheugd. En dat te meer niet, als wij zien, dat de regering tot nu toe de beurs gesloten houdt, wanneer het gaat om de

oudere kleuterleidsters,

die, geen zeven pensioengerechtigde dienstjaren hebbend, op 65jarige leeftijd en zonder enig pensioen het onderwijs verlaten. Door toe te stemmen in het steeds maar hoger opvoeren der uitgaven handelt de minister zeker niet naar de woorden van een zijner geestverwanten, de heer Lucas, die verleden jaar bij de algemene financiële beschouvróigen over de rijksbegroting, na eerst te hebben opgemerkt, dat de Kamer voor allerlei doeleinden nieuwe uitgaven vraagt, terwijl zij tegelijk van de regering eist het uitgavenniveau te verlagen, verklaarde, dat dit aandringen op nieuwe uitgaven voor de regering veeleer een aansporing behoort te zijn om begrotingsposten niet jaar na jaar automatisch te verhogen. Toch is dit door de minister maar al te zeer gedaan. Om nog enkele konkrete gevallen te noemen, zij gewezen op de subsidie ten behoeve van het

Nederlandse en Amsterdamse ballet,

welke voor 1960 1, 5 müjoen bedroeg, doch voor 1961 tot 1, 8 miljoen wordt verhoogd. Zelfs worden, gelijk het vorige jaar en ook heden weer uit de dagbladen bleek, rijksbeurzen beschikbaar gesteld voor dansstudie.

De voorzitter: Het onderwerp, waarover u thans spreekt, behoort bij het derde gedeelte. De heer Van Dis (S.G.P.): Ik geef slechts een paar voorbeelden, mijnheer de voorzitter. Het gaat over de uitgaven, een onderwerp, dat mijns inziens toch wel bij de algemene beschouwingen behoort. De voorbeelden dienen ter illustratie.

De voorzitter: In uw ogen is dansen algemeen; gaat uw gang maar weer.

De heer Van Dis (S.G.P.): Ik ben zo aan het eind van dit gedeelte mijnheer de voorzitter. Gezien de voorwaarden, waaraan voor het verkrijgen van een dergelijke

danssubsidie

moet worden voldaan, n.l. het bezit van artistieke en technische hoedanigheden, is het blijkbaar de bedoeling, de balletten van afgerichte krachten te voorzien. De regering werkt alzo zelf mede en dat met behulp van belastinggelden, aan het in stand houden van wat reeds door de oude christe' lijke schrijvers, zoals o.m. Chrysostomus, als wulps en lichtzinnig ten sterkste werd veroordeeld.

Ook de subsidiepost ten behoeve van het toneel werd wederom verhoogd. Terwijl voor het seizoen 1959—1960 aan een zestal toneelgezelschappen uit de rijkskas een subsidie van 1, 3 miljoen werd toegekend, werd dit bedrag voor 1961 op ruim 1, 7 miljoen gebracht Moeten wij ons reeds krachtens beginsel tegen dergelijke subsidies verzetten, ook uit

financieel oogpunt

in het belang van een noodzakelijk zuinig beheer der overheidsfinanciën achten wij ze niet verantwoord.

Ditzelfde geldt van de subsidieverlening aan de Akademie 'voor Expressie door Woord en Gebaar, waarover wel degelijk in het voorlopig verslag en ook in de memorie van antwoord in het eerste gedeelte wordt gehandeld en waartoe de minister feitelij!^ reeds is overgegaan. Wanneer men op deze weg één stap doet, volgt er zo spoedig een tweede, waarop dan ook volgens de memorie van antwoord reeds blijk' aangedrongen te zijn. Deze subgidiepost is thans nog ondergebracht onder het begrotingsartikel: „Subsidies en andere uitgaven voor de kunstzinnige vorming van de jeugd". Blijkbaar heeft deze opleiding dus ten doel de jeugd met het

toneelspel

vertrouwd te maken. Het is zeer te duchten, dat de voorstanders van deze opleiding niet zullen rusten, voordat er op de begroting een post prijkt ten behoeve van „subsidiëring als een opleidingsschool voor leerkrachten". De staatssekretaris heeft dit bij de vorige begrotingsbehandeling nog wel afgewezen, omdat hij de tijd hiervoor nog niet rijp achtte, maar door het geven van een subsidie in de vorm, als zoeven genoemd, is het nog maar een kwestie van tijd, of de door de voorstanders nagestreefde subsidie zal er wel weer komen en, naar te duchten is, met een aanmerkelijk hoger bedrag dan waarmede de minister begonnen is. Ten aanzien van het

kleuteronderwijs,

mijnheer de voorzitter, spreken wij de wens uit, dat de toegezegde verhoging van de salarissen der kleuteronderwijzeressen spoedig haar beslag moge verkrijgen, en wel zo, dat deze salarissen in overeenstemming worden gebracht met de opleiding en de verantwoordelijkheid der kleuterleidsters. Dit zal bovendien wellicht van gunstige invloed kuimen zijn, om zich op te geven voor de opleidiQg tot kleuterleidster, daar het aantal van hen, die zich voor deze opleiding aanmelden, in de laatste jaren sterk is gedaald, zo zelfs, dat de minister in de memorie van antwoord van een

verontrustende

daling spreekt. Wat de oudere kleuterleidsters aangaat, over wie ik zoeven reeds een enkele opmerking heb gemaakt, is het wel zeer te betreuren, dat de minister van binnen­ landse zaken weer afwijzend heeft beschikt op een pensioenregeling. De minister heeft echter voorts nog medegedeeld, dat er wordt gezocht naar een andere weg om de oudere kleuterleidsters tegemoet te kimnen komen, zodat wij met alle nadruk bij hem bepleiten, al het mogelijke te doen, waardoor deze toezegging spoedig in vervulling kan gaan. Inzake de uitvoering van de

spaarregeling

rijksambtenaren achten wij het zeer begrijpelijk, dat de schoolbesturen ernstige bezwaren hebben om daaraan medewerking te verlenen. In de eerste plaats, omdat deze premiespaarregeling in generlei verband staat met de salariëring of de rechtspositie der leerkrachten, zodat op de schoolbesturen niet de verplichting rust de desbetreffende medewerking te verlenen. Vervolgens is het niet willen medewerken der schoolbesturen zeer goed te verstaan, omdat zij geen verantwoording kunnen aanvaarden voor eventueel niet juiste of ten onrechte uitbetaalde gelden. Ook zouden zij door medewerking aan deze regeling te verlenen met nog meer administratieve werkzaamheden worden belast dan nu reeds het geval is. Wat dit betekent, daarvan kunnen ook de

hoofden van scholen

meespreken. Ik zal hierover niet verder spreken, mijnheer de voorzitter, want dan zoudt u met recht kimnen zeggen, dat het niet hierbij behoort, maar bij het tweede gedeelte. Ik zal het dus, wat dit ptmt betreft, hierbij laten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1961

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken