Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

6 minuten leestijd

En zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toe gingen; en Hij hield Zich alsof Hij verder gaan sou.

En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf m, et ons, want het is bij de avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in om bij hen te blijven. En het geschiedde als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun. En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht.

Lukas 24 : 28—31

II.

O zeker, zij zullen zelf één en ander in gereedheid hebben gebracht; brood op tafel ge25et, en wat te drinken er bij. Maar dan, met hun hoge Gast, Die Zijn dienaars in hun lage staat niet veracht dan neemt Hij Zelf het brood en zegent het.

Dat wU zeggen: Hij prijst er Zijn Vader vooi, voor dat dagelijks te nuttigen brood, dat wij zo heel gewoon vinden, maar dat vóór de bevrijding van ons land als hemels manna uit de lucht werd begroet. Hij zegent dat heel gewone brood, dat wij soms zo onbedachtzaam kimnen opeten en „naar binnen werken". Jezus zegent het brood, en deelt het tenslotte mee.

Welk een heerlijke dis. Welk een genadedis. Genadedis? zo vraagt ge mij. Ja, want is het geen voorrecht eten in huis te hebben? Dat te mogen breken, er een zegen over af te smeken, en dan — als vader of moeder zijnde — het rond te delen naardat elk gezinslid nodig heeft?

Rijke dis, ook al knabbelen we op een droge broodkorst; wanneer we er n.l. in proeven en smar ken mogen Gods milde gunst en neerbuigende goedertierenheid, die meer sterkt dan de uitgezochtste spijs.

Wij leven allen uit Gods hand. In dubbele zin geldt zulks in de ekonomie des heils, in 's Heeren huisgezin; wanneer Hij in Zijn kerk Zichzelf wegschenkt; wanneer Jezus Christus als Gastheer uw zielewoning binnen gaat, en als Gel^ruisigde en Opgestane het brood neemt en breekt; wanneer Hij Zijn eigen lichaam te eten en Zijn hartebloed te drinken geeft. Want: Zijn vlees is waarlijk spijs, ^n Zijn bloed waarlijk drank. Hij wil er 's Vaders zegen over femeken. Hij vraagt om de gave, ni de levendmakende genade des 'eiligen Geestes. Aan die zegen 'es hemels is het al gelegen bij dit eten en drinken in geestelijke zin. Terugziende op zulk een genadedis heeft iemand gezongen:

'k Heb aan 's Heilands dis gezeten, 'k Heb gegeten 't Heilig brood, dat zielen voedt; Heil'ge wijn werd mij geschonken. Die, gedronken, 't Hart verkwikking smaken doet.

Met recht mag het daarom een genadedis heten, die Jezus daar in . het stille avonduur te Emmaüs wilde aanrichten.

O, wat is het een heerlijk maal, een overvloeiende beker, wanneer de Heere tot een ziel overkomt, en bij haar intrek neemt. Wat is het 'n onpeiiLaardiep heilgeheim, warmeer Koning Jezus intocht houdt, en Zichzelf komt weg te schenken; Zijn lichaam geeft te eten, en Zijn bloed te drinken biedt. Hij: de Gastheer; de ziele: de in heilige schuchterheid wachtende, verbeidende gast. De mens niets — Christus alles. De mens ledig van God, Christus vervullenrff met Gods gemeenschap en zaligende genade. De mens: overstelpt met zonde, Christus: ontlastend van vloek en schuld. De -mens: benauwd tot stervens toe (Ps. 116), dood in zichzelf door zonden en misdaad, ja dood-brakende als Heman. Dan doet de Heere Christus de vrijspraak des Vaders horen, door Woord en Geest: „Uw zonden zijn u vergeven!" Heilige, zalige paasstonde. Dierbare Borg, Die het hebt volbracht, en het nu ook in het hart van al Uw gekenden wilt volbrengen.

En aaii die genadedis — ze bemerken wij tenslotte — ontsteekt de Gastheer, op de luchter van Zijn gesproken heilswoord, het Geesteslicht. In Zijn licht, in dat hcht des Geestes, wordt een ziele het duister opgeklaard. Nu vallen de scheUen van hun van nature blinde zielsogen.

„In de breking des broods" — zo vertellen zij het enkele uren later te Jeruzalem — werd de Christus him openbaar; toen was er het moment der herkenning, het ogenblik der zalige ontmoeting; het (even slechts) zien van aangezicht tot aangezicht, waardoor hun zielen voor eeuwig gered (vgl. Jakob bij Pniël), en van de dood behouden, zich weten mochten. Wij lezen tenslotte: „en hun ogen werden geojiend, en zij kenden Hem en Hij kwam weg uit hun gezicht".

I^ten wij het niet vergeten, dat" hun ogen geopend werden. Hun werd met andere woorden Geesteshcht bereid, uit enkel genade, krachtens eeuwige ontferming van God.

Geopende ogen voor eigen zonden ei\ verlorenheid; maar ook: geopende ogen voor de opgestane Ic'eere en Heiland. Dat werd en "ileef van nu voortaan hun enige ^ roost in leven en sterven. Hem te kermen in de gemeenschap Zijns lijdens, en in de kracht van Zijn opstanding (Pilipp. 3).

Adams en Eva's ogen werden geepend. Zo hebben ook wij allen opening der ogen voor eigen zonden en schuld van node. Opening der ogen met de zalf des Geestes. De hemelse Koopman (uit Openbaring 3) biedt zij uit loutere goedheid aan, om niet.

„EIn zij kenden hem". Ja, dat is v/aarlijk leven, God te kennen, en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft.

Dat is nu Pasen. God openbaart Zijn Zoon uit de doden. Dat is nu Pasen: God openbaart Zijn Zoon midden in een dood zondaarshart. Daarom zegt Hij; „Ontwaakt gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten" (Efeze 5). Hebben wij die wekroep van de Paasvorst, Jezus Christus, reeds beluisterd? Heeft Christus reeds in onze woning intrek genomen; Zichzelf geopenbaard in Zijn heilig kruislijden; ja, onze ogen geopend, zodat wij Hem aanschouwden in Zijn opstandingsheerlijkheid? Dat zal toch onmisbaar zijn tot zaligheid.

Het was, lezer (es), paasavond. De nacht was daarna aanstaande. Duister blikt telkens weer die nacht ons tegen. Maar voor wie in Christus Jezus geborgen is, voor wie in Hem heeft leren geloven, wier ogen geopend werden en wie kennis der zaligheid geschonken is in het aangezicht van de Zaligmaker, o, voor dezulken is geen kwaad te vrezen. Eenmaal zullen zij de Koning zien in al Zijn schoonheid.

Eenmaal zal het genadelicht eeuwig gloren, om nimmermeer verduisterd te worden door 's mensen eigen zondebestaan. „Aldaar zal geen nacht zijn". Want daar is God Alles; en waar God is, daar is hèt Leven, en daar glanst het eeuwig Licht van de Zon der gerechtigheid.

Ja, dan komen de kinderen des lichts — terwijl een nacht voor eeuwig haar zwarte vlerken spreidt over de kinderen der duisternis — nog behouden Jeruzalem (evenals de Emmaüsgangers, die avond nog), de ware, van God gegeven lichtstad, de stad des groten Konings bij uitstek, binnen. Om het daar eeuwig te zingen:

Gij zijt mijn God, U zal ik loven, verhogen Uwe Majesteit; Mijn God, niets gaat Uw roem te boven, U prijs ik tot in eeuwigheid.

St. Maartensdijk Ds. v. d. Haar

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1961

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken