Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CCXVII.

Kort intermezzo in levensbeschrijving Mr. Groen van Prinsterer. De heer Maenen (r.k.) en Ds. Zandt over somber christendom en onkerkelijkheid.

Naar aanleiding van de felle bestrijding, welke Mr. Groen van Prinsterer voor de Tweede-Kamerverkiezing van 1864 van de zijde der liberalen ten deel viel, brachten wij de vorige maal naar voren, dat de Kamerleden der S.G.P. het al niet minder zwaar ontgelden moesten van de zijde van hen, die bij de verkiezingen wel met Gods Woord schermden, maar na de verkiezingen in hun beleid meermalen vierkant tegen het Woord in handelden. Voorts werd met een voorbeeld aangetoond, dat him ook in de Tweede Kamer van allerlei werd toegeslingerd, zoals onder meer, dat het christendom, dat zij voorstonden, maar een uitermate „somber christendom" is, een christendom, dat de buitenkerkelijkheid in de hand werkt.

Het was de heer Maenen (R.K.), die dit in de vergadering van 20 maart 1953 bij de beliandeling van de nieuwe Zondagswet Ds. Zandt voor de voeten wierp. Om de lezers er van in kennis te stellen wat de heer Maenen woordelijk zeide, zullen wij een passage uit zijn toen gehouden repliekrede weergeven. Hij zeide onder meer het volgende:

„Met enige huiver verschijn ik op het spreekgestoelte, nadat u hebt gezegd, dat u vooral daoht aan het houden van theologische beschouwingen en bespiegelingen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik als leek mij niet gaarne op dit gebied beweeg, maar aan de andere kant gevoel ik toch wel behoefte om naar aanleiding van de gevoerde diskussies iets te zeggen. Ik heb vooral behoefte iets te zeggen, nadat ik gisteren heb geluisterd naar de redevoering van de geachte afgevaardigde Ds. Zandt. Het zal uit mijn rede wel gebleken zijn, dat ik nogal veraf sta van het sombere christendom, dat ons gisteren door Ds. Zandt is voorgehouden. Wij staan op het standpunt, dat men God ook des zondags niet alleen kan dienen door thuiszitten en lezen, maar dat zulks ook op andere wijzen mogelijk is. Het komt mij voor, dat Ds. Zandt een verwrongen beeld van het christendom heeft gegeven, en het ons heeft voorgesteld als iets afschrik-^ wekkends. Dat is een christen' dom, dat naar mijn mening de buitenkerkelijkheid meer in de hand werkt dan, zoals door Ds. Zandt werd opgemerkt, zou geschieden door de ontheiliging van de zondag door sport of vermaak.

Deze somberfieid van de geachte afgevaardigde ligt ons ia elk geval niet. Ons ligt meer de levensblijheid van de „Poverello", Sint Frans, die in het Zonnelied spreekt over de zon, de maan en de sterren, en over de planten en bloemen, over de vogels en andere dieren, die hij aanspreekt als broeders en zusters, en die God verheerlijkt door de schoonheid te genieten van de schepping, die Hij in Zijn goedheid heeft willen geven".

Tot hiertoe het rooms-katholieke Kamerlid, de heer Maenen, die nog meer aan het adres van Ds. Zandt zeide, onder meer in verband met de Engelse zondagswet, doch daar ons intermezzo in de levensbeschrijving van Mr. Groen van Prinsterer te lang zou worden, indien wij alles zouden weergeven, zullen we thans laten volgen wat Ds. Zandt de heer Maenen antwoordde. Volledigheidshalve zullen wij nog even herhalen wat wij dienaangaande de vorige keer reeds vermeldden.

Ds. Zandt sprak het volgende:

„Ik zou voorts nog iets willen zeggen over dat „sombere christendom", dat de heer Maenen met betrekking tot ons naar voren heeft gebracht. Aan zulke uitdrukkingen zijn wij gewend. Reeds Plinius heeft zich destijds over de oude christenen uitgelaten op een wijze, die sterk aan de uitlating van de heer Maenen herirmert, en ook van rooms-katholieke zijde heeft men menigmaal min of meer smalend over dat sombere christendom der Reformatie gesproken. De geachte afgevaardigde de heer Maenen heeft hier bovendien

de kwestie van de onkerkelijkheid bij ter sprake gebracht, en heeft gezegd, dat dit zogenaamde sombere christendom de onkerkelijkheid in de hand werkt. Gelukkig zijn de feiten totaal anders. In de kringen, waar dat door de heer Maenen zo genoemde sombere christendom wordt gevonden, zijn de kerken des moi^ens en des middags vrijwel altijd nog gevuld; in die kringen worden er altijd nog mensen gevonden, die des morgens en des middags, ondanks het feit, dat zij in de week veelal hard moeten werken, de kerk bezoeken, waaronder er zijn, die somwijlen het David kimnen nazeggen : „hoe liefelijk zijn Uw woningen, o Heere der heirscharen; mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heeren, want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders". Mensen, die onder de prediking des Woords kracht, sterkte, vertroosting en vermaak, dat allesbehalve somber is, mo­ gen opdoen. In die kringen gaat men 's morgens en 's middags ter kerk, en bovendien komt men daarin nog wel eens des avonds in gezelschappen, zogenaamde konventikels, bijeen. Zelf heb ik daarin menige avond met stichting en genoegen mogen verkeren en daar een vermaak gekend, dat geenszins somber was. In die gezelschappen was het een vaste regel, dat er nooit over andere mensen gesproken werd; smalend spreken werd daar nooit gehoord. Ook heb ik uit die kringen, waarin ik vaak met arbeiders verkeerd heb, mensen gekend, die op hun sterfbed juichend zijn heengegaan, voor wie de dood verslonden was tot overwinning. Dat is wel heel wat anders dan somberheid.

Wat voorts de onkerkelijkheid betreft, die, volgens de heer Maenen, door dat zogenaamde sombere christendom in de hand zou worden gewerkt, verwijs ik naar hetgeen zijn eigen geloofsgenoten hierover hebben geschreven. Kortgeleden las ik iets van een roomskatholiek schrijver, ik meen dat het een priester was, die Frankrijk had bezocht. In Frankrijk heeft men niet dat sombere christendom. Hij deelde in dat schrijven mede, dat er 1200 kerken in Frankrijk zijn, r.k. kerken, welke door niemand meer bezocht worden. Daaronder zijn er, waarin eenmaal in de maand een priester komt met een misdienaar, terwijl de gehele kerk verder leeg is".

Vervolgens wees Ds. Zandt nog op een Amsterdamse r.k. geestelijke, die Parijs had bezocht en zich over het geringe kerkbezoek aldaar beklaagde. Volgens deze geestelijke werd Parijs langzamerhand een volslagen heidense stad. Voorts werd de heer Maenen door Ds. Zandt op het sterk veld winnen van het kommunisme in r.k. landen, zoals Italië, Argentinië en Frankrijk gewezen. Ook hier te lande, zo besloot Ds. Zandt, neemt in menige gemeente, vooral in de steden, de onkerkelijkheid onder de rooms-katholieken sterk toe.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1961

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken