Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

6 minuten leestijd

Ik overdacht de dagen van ouds! Psalm 77 : 6a

WIJ GEDENKEN

Een mens vergeet o zo vlug. En het allermeest en allereerst wat niet dan ellende in zijn leven heeft betekend. Klassiek treedt het voorbeeld van de schenker uit de geschiedenis van Jozef voor onze ogen, uit de beeldenrij der gewijde historie. Hij vergat de onaangename plaats van zijn gevangenschap. Hij vergat ook aan Jozef in zijn vernedering te gedenken.

Zo zijn ook duizenden en nog eens duizenden volksgenoten op weg geheel en al de ellende en misère, en bovenal de oorzaken van de tweede wereldoorlog uit hun geheugen weg te vagen. Er zijn nieuwe zorgen-gekomen; er is nieuwe vrees in hun hart gevaren; er staan andere problemen voor de toekomst op het spel. Ze hebben haast geen tijd om een blik terug in het verleden te werpen. Dat laten zij aan anderen over.

De Bijbel leert ons anders. De dichter van Psalm 77 „overdacht", maar niet de dagen en jaren van 5 of 10 jaar geleden, neen, hij overdacht „de dagen van ouds, de jaren der eeuwen" (vers 6). Hij, Asaf, had een blik mogen werpen in het gewijde boek van Gods leidingen met Zijn volk. Ja, door Geestesaandrijving zingt hij een psalm ter gedachtenis aan de daden Gods van oudsher. Het zou een schande zijn, niet te gedenken.

Er in deze meidagen aan voorbij te gaan, nu de herinneringen van bezetting en bevrijding bij velen weer bovendrijven voorbij te gaan aan de ellende, de r"ouw, de nood, waarin nog duizenden landgenoten elke dag hun kruis hervinden; voorbij te gaan aan de totale ramp, die ons gehele volk heeft getroffen bij de brute inval door de Duitsers in mei 1940.

In plaats van het Pinkstervuur woedde het vlammenvuur uit de hel in volle kracht. Kunnen wij dat ooit vergeten? U vraagt naar de oorzaken? U wijst met mij uitsluitend op de misdaad der Duitsers en hun „Führer"? Dan doet u toch verkeerd. Ik bedoel: in het gedenken van de dagen van oudsher zijn nimbler het persoonlijke kwaad en de nationale, de volkszonde weg te denken. De Duitsers hebben ons vijf rampjaren bezorgd; zelf misleid door de propaganda van hun verleider, berokkenden zij bijkans een gehele mensheid onvergetelijke, langzaam voorbij kruipende dagen en weken, vijf volle jaren van oorlog, met al de aankleve van die. Mag ik iets er van nog even noemen?

Beknotting van onze nationale vrij - heid. Ontering van het Oranjehuis. Verslaving van onze mannen en zonen in kampen hier en buitenslands. Gijzeling van de bloem der natie. Wegvoering en versterving van duizenden en nog eens duizenden dragers en draagsters van de Juda-ster. Massale uitmoording en verbranding van wie in koncentratiekampen zijn bezweken. Inundatie van vruchtbare landouwen. Verpuining van gehele volkswijken. Bombardement van Rotterdam. Ja, waar te eindigen? Toppunt van alle ellende mag wel heten de hongerwinter 1944—'45.

Hoe zullen zij, die deze jaren bewust meemaakten, dit ooit kunnen vergeten? Bovenal: hoe zullen we ooit mogen vergeten, dat God redding en bevrijding van deze helse slavendienst heeft geschonken door middel van de geallieerden?

Toch zijn wij — vrees ik — vergeten, dat het ook om uw en om mijn, om onze persoonlijke en nationale zonden geweest is, dat God ons getuchtigd heeft met de roede Zijner verbolgenheid. Ook daarin hebben we ons solidair te weten. We mogen ook nu niet als de farizeër, enkel dankend voor eigen braafheid en gedegenheid, voor God de dagen en jaren, die vergleden, gedenken. Vrees, bange vrees voor wat nog te komen staat, kan het hart vervullen van wie let op de tekenen der tijden.

Daarom roep ik u in de Naam des Heeren toe te gedenken, zó, dat er iets verandert in ons leven. Dat God, de Potentaat der potentaten, met wie Vader WlUem een vast verbond ten behoeve van onze natie heeft mogen sluiten, weer de Eerste in ons nationale en persoonlijke leven zij; dat Zijn heilige wet weer orde en tucht scheppe in het veelszins van Hem vervreemde bestaan, ook in ons ontkerstende vaderland!

Dan zal ons gedenken ook danken worden.

Dan zullen wij opmerken: Gods trouw over ons en onze kinderen is nog niet teniet gedaan door onze ontrouw en menigvuldige afdwalingen.

Dan kunnen wij niet volstaan met een formele herdenking van wat geschiedde. Dan zijn we niet klaar met een uitwendige aanschouwing van al het geledene en van al de doorstane verschrikkingen. Dan is onze laatste blik ook niet gericht op de gedenkstenen en de opgerichte beelden, gewijd aan de nagedachtenis van de gevallen strijders van het verzet.

O neen, dan komt het dichter bij ons. Dan wordt het: „Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.

Als een gouden draad zien we dan Gods bemoeienissen in het ontstaan en bewaren van ons volksbestel; van ons nationale bezit aan geestelijke vrijheid. God te dienen naar Zijn Woord; van ons beminde Oranjehuis, en zovele herschonken goederen op 5 mei 1945 meer. God wordt in die weg Alles, en vrij zinken voor Hem in het niet en worden o zo klein. Gods vinger verklare Zijn eigen leestekens in de gewijde en vaderandse historie.

^o bloeit de waarachtige blijdschap en dankbaarheid op in die vernedering van ons hart voor die Heere, die Koning der eeuwen, die alleen wijze, onvergankelijke God! En wij stamelen en vragen ootmoedig: „O Heere, behoud, o Heere bewaar, o Heere vergeef!" Nederland heeft ware, levende bidders nodig. Opdat wij waarlijk niet vergeten wat achter ligt. Zo zullen wij het vertellen aan onze kinderen. Want zo alleen kunnen ook zij het rechte licht ontvangen op die onvergetelijke dagen en jaren 1940—'45. Het waren jaren van bruut geweld en onderdrukking; van bloed en vuur en rookpilaren; afschaduwing van de naderende antichrist. Maar ook jaren, waavan God het regiment en bestuur onwrikbaar in handen hield. Het waren „jaren onzes Heeren Jesu Christi". Jaren van leed, maar ook vol van vertroosting; van ellende en ontbering, maar ook van wondere uitredding. Zo besluiten wij ^et de ontroerende belijdenis van de man Gods, Mozes, in Psalm 90: „Heere, Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht!" Ik denk bij deze psalm aan de woorden, door mij gelezen aan het graf van enkele neergeschoten Engelse piloten: „Keer weder, Heere, tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten! Verzadig ons in de morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen en verblijd zijn in al onze dagen. Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad hebben gezien. Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.

En de lieflijkheid des Heeren, onzes Gods, zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen, ja, het werk onzer handen, bevestig dat!"

St. Maartensdijk Ds. J. v. d. Haar

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1961

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken