Bekijk het origineel

Ontwerp - Financiële - Verhoudingswet 1960

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ontwerp - Financiële - Verhoudingswet 1960

15 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van de heer Kodde

I.

Het heeft lange tijd geduurd vóór en aleer het hierboven genoemde wetsontwerp door de Kamer in behandeling werd genomen. Dit behoeft ook niet te verwonderen, want het gaat hierbij om een vrij ingewikkelde kwestie. Eerst had een kommissie onder voorzitterschap van Prof. Oud deze materie aan een grondig onderzoek onderworpen. Daarna diende de regering het wetsontwerp in, waarbij echter niet alles wat de kommissie-Oud had aanbevolen, werd overgenomen. De regering heeft getracht meer objektieve normen te hanteren dan gedaan wordt in de heden nog geldende Financiële Verhoudingswet, waarin de gehanteerde normen vrij subjektief zijn. Desniettemin werd het wetsontwerp niet onverdeeld gunstig ontvangen. Er waren er, die er mede konden instemmen, maar nog veel meer, die tal van klachten naar voren brachten. Verscheidene gemeentebesturen vertolkten deze klachten in adressen aan de Kamer, waaruit blijkt, dat men in brede kring teleurgesteld was.

Het gaat bij dit wetsontwerp voornamelijk om twee dingen. Ten eerste om de omvang van het Gemeentefonds, waarbij dus de vraag aan de orde komt, welk deel van de belastingen voor de voeding van dit fonds zal worden afgezonderd. Ten tweede om de wijze van verdeling van de gelden van het fonds over de verschillende gemeenten. Verscheidene sprekers voerden over dit wetsontwerp het woord. Voor de S.G.P.-fraktie werd dit gedaan door de heer Kodde, die daarbij de navolgende rede hield:

Dat het een belangrijk onderwerp is, dat nu aan de orde is, behoeft, meen ik, geen betoog meer. Ik zal hier daarop niet meer ingaan en niet trachten dit te bewijzen. Dat de regeling van de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten niet gemakkelijk is, blijkt wel uit de lange duiu", die nodig is geweest om tot het voorstel te komen, dat hier nu in behandeling is. Reeds jaren is getracht een regeling te vinden, die niet alleen vastigheid voor de gemeenten zou geven, maar ook niet de noodzaak zou inhouden telkens te worden aangepast om de tekorten van de gemeenten aan te vullen. In 1946 is reeds een kommissie ingesteld ter bestudering van het vraagstuk, ten einde herstel van de financiële zelfstandigheid van de gemeenten en de provinciën te verkrijgen, aan welke kommissie ook ik gaarne hulde breng. Nu is het echter 1961, dus 15 jaar later. Ik wil vooropstellen, dat ik het voorstel niet acht te geven wat leidt tot verkrijging van financiële zelfstandigheid, en dit is toch wat ik nodig acht. Er is nog veel onzeker. Hierbij doel ik op het

eigen belastinggebied

en de financiering van de kosten van de wegen buiten de bebouwde kommen. Het beoordelen van de voorgestelde regeling zou gemakkelijker zijn, als de voorstellen betreffende vorengenoemde zaken er waren en wij niet enkel over de daaromtrent te verwachten resultaten — en dit nog wel vaag — waren ingelicht.

Betreffende de wegenfinanciering wordt in de memorie van antwoord medegedeeld, dat er naar gestreefd wordt een wetsontwerp op het onderhavige stuk nog dit jaar — dat was in 1960 — in te dienen:

„De gedachten gaan naar een voorziening, welke in het jaar 1961 zal kunnen beginnen te werken".

Er is op dit ogenblik echter nog geen wetsontwerp, zodat het wel twijfelachtig is of de voorziening in 1961 nog zal kunnen werken. Bovendien acht ik het voor het beoordelen van het nu aan de orde zijnde wetsontwerp toch wel noodzakelijk te weten wat de wegenfinanciering de gemeenten zal brengen.

Het doel van dit wetsontwerp is toch, althans dat hoop ik, dat de gemeenten een financiële zelfstandigheid zullen krijgen. En al stel ik mij niet voor, dat die zelfstandigheid zal worden bereikt door een financiering van wegen buiten de bebouwde kommen alleen, het zal toch zeker helpen voor het bereiken van het doel, als daardoor meer middelen in de gemeentelijke kassen komen, ook al blijven er bezwaren, zoals uit het nummer van 18 februari 1961 van „De Bedrijfsauto", 34e jaargang nr. 4, blijkt, in die zin, dat een gemeente als 's-Gravenhage voor autobussen, die voor een zeer groot deel, zo niet geheel, gebruik maken van wegen binnen de bebouwde kom — dus door de gemeente onderhouden — per jaar

ƒ 800.000, — aan wegenbelasting

aan het Rijk moet betalen. Het lijkt mij dan ook, dat daarvoor een regeling dient te worden getroffen, ofschoon dat moeilijk in dit wetsontwerp kan. Het is dan ook slechts mijn bedoeling er op te wijzen, dat, alhoewel het een verbetering kan zijn, wij er met de financiering van de kosten van de wegen buiten de bebouwde kommen niet zyn. Van veel groter belang acht ik het eigen belastinggebied voor de gemeenten. Inzake de regeling van het eigen belastinggebied is er echter nog veel meer vaagheid dan inzake de wegenfinanciering. De ministers schrijven op blz. 3, rechterkolom, van de memorie van antwoord,

„dat het in hun voornemen ligt te bevorderen, dat zo spoedig mogelijk een voorstel wordt ingediend het plaatselijke belastinggebied op een thans dus nog te bepalen wijze uit te breiden met een potentieel van 150 k 175 miljoen per jaar".

Als die mogeiykheid wordt geopend en daarvan door alle gemeenten gebruik wordt gemaakt, dan zullen de middelen voor alle gemeenten samen met 12K a 14 pet. stijgen. Het is dus niet zo maar een klein bedrag. Of het eigen belastinggebied is niet dadelijk nodig en de uitkering uit het Gemeentefonds is voldoende, óf de uitkering uit het Gemeentefonds is niet voldoende en het eigen belastinggebied is dadelijk nodig. Ik kan werkelijk niet inzien, dat er een andere mogelijkheid is. Of het één, óf het ander. Daarom meen ik, dat de beslissing, nu gevraagd, zeer moeilijk is.

De neiging om die beslissing nu niet te nemen, is bij mij Inderdaad zeer sterk, maar anderzijds is uitstel ook zeer bezwaarlijk. Dit lijkt voor ml] op een noodzaak om van twee kwaden nog het beste te kiezen, hetgeen ik wel zeer onbevredigend acht. Te meer acht ik dit voorstel

niet bevredigend,

omdat ik het geven van een groter eigen belastinggebied dan thans voor de gemeenten één der eerste en meest noodzakelijke vereisten vind om tot financiële zelfstandigheid te komen.

Een verhoging van de uitkering uit het Gemeentefonds, een versterking van dat fonds door een hoger voedingspercentage kan, naar de tegenwoordige toestand, inderdaad een versterking van de financiële zelfstandigheid betekenen, maar ik vrees, dat zulks niet blijvend het geval zal zijn.

De uitgaven nemen toe, en het is niet te verwachten, dat de opbrengst van de belastingen, aangewezen om gedeeltelijk het Gemeentefonds te voeden, genoegzaam zal zijn om die uitgaven te dekken. Zeker niet voor alle gemeenten. De eisen zijn hoog. Er zijn ook wel eisen, waaraan een gemeentebestuur niet kan ontkomen, eisen, die het gemeentebestuur opgelegd krijgt. Dat is reeds een gevaar voor het verlies van de financiële zelfstandigheid, maar een groter gevaar acht ik te schuilen in een streven om wat de ene gemeente heeft, ook in de andere gemeente moet worden verkregen.

En waren dat nu maar alleen zaken, die nodig zijn om Gods gebod en Woord na te leven, om de gezondheid van de ingezetenen te bevorderen, dan zou ook daardoor de financiële zelfstandigheid wel eens in gevaar kunnen komen, en dat zou er op wijzen, dat er meer mid­ delen voor de gemeente beschikbaar moesten komen. Maar nu vrees ik, dat veelal wordt gestreefd naar het doen van uitgaven, die niet alleen niet dadelijk nodig, maar zelfs verderfelijk zijn voor de ingezetenen, uitgaven, die boven het bereik liggen en niet kunnen worden gedaan uit wat beschikbaar is.

Indien financiële zelfstandigheid wordt gewenst — ook wij wensen financiële zelfstandigheid en willen deze gaarne bevorderen — dan zal ook, en naar mijn mening in de eerste plaats, moeten worden gestreefd naar de financiële verantwoordelijkheid. Het belastinggebied van de gemeenten zal dan zodanig moeten worden uitgebreid, dat voor, wat ik zou willen noemen, bijzondere verlangens ook de ingezetenen bijzonder zullen moeten betalen. Daardoor zal de gelijkheid van de belastingen wegvallen; dat erken ik gaarne; daardoor zullen de zogenaamde

belastingheuvels

weer ontstaan, die nu niet zo verkieslijk zijn; daardoor zal het mogelijk zijn, dat personen, die niet aan een gemeente gebonden zijn, vertrekken naar een gemeente met een lagere belasting, daardoor zal ook wel de mogelijkheid blijven, dat moet worden betaald voor zaken, die de belastingbetalers niet zo graag willen, maar daardoor zal ook op dat gebied de kiezer meer gaan letten op de daden van de bestuurder. Er zal een prikkel moeten zijn, ook wanneer er een eigen belastinggebied komt, om van de mogelijkheid tot heffing gebruik te gaan maken, opdat niet door de gemeentebesturen wordt gevraagd 'n verhoogde uitkering wegens bijzondere omstandigheden, zoals b.v. het zijn van rekreatiegemeenten, terwijl, zoals uit de memorie van antwoord blijkt, een logeerbelasting, die ook nu mogelijk is, zelfs niet wordt gebruikt, omdat ook andere gemeenten dat niet doen. De gemeentebesturen zullen een eigen verantwoordelijkheid moeten dragen, maar zij zullen ook niet van het heffen van eigen belasting moeten worden weerhouden, omdat zij een uitzondering vormen of omdat de middelen toch wel op één of andere manier zijn te verkrijgen. Nu is het zeker niet mijn bedoeling — dat heb ik al eens eerder doen blijken — dat de mogelijkheid van belastingheffing door en voor de gemeenten nog maar eens bovenop de heffingen van het Rijk zou moeten komen. Neen, het Rijk zal dan heffingen, welke nu speciaal voor het Rijk bestemd zijn, moeten nalaten en dan zal de totale heffing niet mogen worden verhoogd. Geheel gerust ben ik te dien opzichte niet. Als ik in de memorie van antwoord op blz. 3 rechterkolom bijna onderaan, nadat nogmaals is vermeld wat de opbrengst van de eigen belasting kan zijn, lees:

„Zij laten daarbij thans nog in het midden of en in hoeverre dit zal moeten leiden tot een vermeerdering van de totale belastingdruk",

dan meen ik, dat dit wijst op een mogelijkheid om de verruiming boven de heffing van nu te gaan stellen. Alhoewel het nog zover niet is, acht ik het toch nodig, nu reeds te waarschuwen tegen een gang van zaken waarbij de belastingen worden verhoogd. Onzerzijds is steeds gepleit voor een

verlaging

van belastingen, en zo acht ik ook de noodzaak voor de gemeenten aanwezig te zijn om tot een verlaging mede te werken en nauwkeurig te overwegen of de noodzaak tot uitgaven er is, ja dan neen.

Ook de nu voorgestelde regeling sluit buiten het eigen belastinggebied een belastingverhoging niet uit. Immers, er is nu een tekort voor alle gemeenten tezamen, en een verhoging van het voedingspercentage zal moeten leiden tot een verhoging van belastingen, of tot een verlaging van de uitgaven voor het Rijk. Een andere mogelijkheid acht ik niet aanwezig, en een verlaging van de rijksuitgaven acht ik wel nodig, maar zij is, naar ik vrees, nog niet bereikt. Maar hoe het ook zij, wij kunnen met een verhoging of het niet uitvoeren van de in uitzicht gestelde verlaging van belastingen niet instemmen, zodat er andere wegen zullen moeten worden gezocht, en dan neig ik naar een uitbreiding van het gemeentelijk belastinggebied, omdat ik daarin mede een rem zie voor het opvoeren van de uitgaven. Er wordt nu wel eens te gemakkelijk gedacht dat het toch maar uit die grote pot komt, zonder dat er mede wordt gerekend, dat hij ook moet worden gevoed uit datgene, wat de ingezetenen opbrengen, en dat ieder, ook de ingezeten van de gemeenten, daartoe behoort. Het is gemakkelijk riemen snijden van een andermans leer. Maar al te veel wordt gedacht, dat een gang naar „Den Haag" wel de middelen zal brengen, die gewenst worden. Wanneer daaraan echter als gevolg verbonden zou zijn, dat óf andere zaken moeten worden nagelaten, óf een hogere belasting moet worden geheven, dan zou het noodzakelijke en wenselijke wel nader in beschouwing worden genomen. De regering wü nu streven naar de toestand, dat men rondkomt met wat er is. Ik vind dit een prijzenswaardig streven, maar ik acht dit gemakkelijker gesteld dan beleefd. Ik acht het daarom noodzakelijk, dat het eigen belastinggebied niet alleen vlug tot stand komt, maar ook, dat het van die aard is, dat daardoor weer de

verantwoordelijkheid

op de gemeente kan worden gelegd. De regering zal, met verwijzing naar die eigen verantwoordelijkheid, gemakkelijker aanvragen kunnen afvrijzen, waardoor zij de eigen verantwoordelijkheid voor de gemeenten zwaarder maakt. Het is voor mij uiterst moeilijk mede te werken aan een regeling, die, naar mijn overtuiging, niet zal brengen wat het doel is, terwijl tiovendien naar mijn mening de beschikbare middelen niet voldoende zijn voor de financiering van de gemeenten als totaliteit.

Een groot aantal gemeenten gaat zogenaamd wel vooruit, doordat zij een hogere uitkering zullen verkrijgen, maar daarmede acht ik nog niet bewezen, dat al die gemeenten over voldoende middelen zullen beschikken. Een verhoging van het voedingspercentage acht ik geen oplossing ter verkrijging van de nodige naiddelen. Ik zie die oplossing wel in een uitbreiding van het gemeentelijk belastinggebied, met gelijktijdige verlaging van de belastingen, die door het Rijk worden geheven. Daarbij neem ik dus, zoals ik reeds gezegd heb, het standpunt in, dat, wat er ook wordt gedaan, hetzij een verhoging van het voedingspercentage, hetzij een verruiming van het gemeentelijk belastinggebied, zulks niet mag leiden tot algehele belastingverhoging of tot een belastingverhoging in de gemeenten, die het hoogste zullen moeten eisen in verband met de tegenwoordige toestand. In beide gevallen zal het Rijk de uitgaven moeten inkrimpen, omdat er minder middelen zijn als gevolg van de lagere eigen heffing. Ook de krachtens het voorstel rechtsstreeks door het Rijk te betalen kosten zullen niet mogen leiden tot totaal hogere uitgaven. Er is reeds enige ruimte doordat het voedingspercentage is verlaagd. Daardoor wordt het mogelijk een reserve te kweken. Een deel van de kosten kan daardoor worden betaald. Ik vrees echter, dat er ook dan geen mogelijkheid zal zijn te voldoen aan de eisen, die de gemeenten stellen. Bovendien gaat het dikwijls om eisen, waarop het gemeentebestuur geen invloed kan uitoefenen. Er is reeds deze middag door anderen op gewezen, dat er nog tekorten zijn. Met de beste wil kan een gemeentebestuur die tekorten niet opeens wegwerken. Men zal toch in staat moeten zijn om de rente, die van de schulden betaald moet worden, op de één of andere wijze te voldoen. Ik zou in dit verband een waarschuwing willen laten horen. Wanneer, wat ik wel juist vind, sommige kosten door het Rijk rechtstreeks worden betaald, dan mag dat ook niet tot verhoging leiden. Maar al te gemakkelijk worden die uitgaven dan verhoogd, waardoor het mogelijk wordt, dat hetgeen nu in de administratie gewonnen wordt, weer teniet wordt gedaan. Er schuilt voor de gemeentelijke financiële zelfstandigheid ook een gevaar in de verdeling van de middelen, zonder dat een gemeentebestuur daarop zelfstandig invloed zal kunnen uitoefenen. De geachte afgevaardigde de heer van Helvoort en anderen hebben er al op gewezen. Ik zal er niet dieper op ingaan. Ik wijs er echter op, dat men toch weer zal trachten aan te tonen, dat er meer nodig is, en ik vrees, dat de

z.g. verfijningsmethode

hier geen baat zal brengen. De regering stelt in de memorie van antwoord op blz. 13, linkerkolom, dat er nog moeilijkheden zijn, welke nog moeten worden opgelost, maar waarvoor het middel nog niet is gevonden, omdat eerst de werking zal moeten worden gadegeslagen. Ook dit wijst er wel op, dat nu een voorstel aan de orde is, dat nog veel vaagheden bevat en dat niet geeft wat zou mogen worden verwacht, ja zelfs een voorstel, waarvan de ministers de uitwerking nog niet kunnen overzien, want anders was dit in de memorie van antwoord v? el weergegeven. Hoe het echter ook zal of kan worden geregeld, naar mijn mening zijn er wel grote bezwaren verbonden aan de z.g. verfijningsmethode, omdat dan weer andere gemeenten, zoals, naar ik meen, door de geachte af­ gevaardigde de heer van Helvoort sterk tot uitdrukking is gebracht, er onder zullen lijden. Men kan een gulden nu eenmaal maar één keer uitgeven, en als ik hem aan Jan geef, kan ik hem niet meer aan Piet geveh, als ik het op deze wijze eenvoudig mag zeggen. Het voorbeeld, dat het gemeentebestuur van Hengelo (Overijssel) ons toont, wijst toch wel op de zwaarte van die gevallen. Het is mij dan ook nog niet duidelijk hoe een verschil van ƒ 1.685.000.— tussen genoemde plaats en Deventer is weg te werken door middel van de z.g. verfijningen. Ik zou het wel mogelijk achten als het om een kleiner bedrag ging, maar het verschil, waarom het gaat, lijkt mij daarvoor veel te groot en naar mijn mening is het wegwerken daarvan niet met de middelen van het fonds te bereiken. Nu noemen de ministers ook nog een ander middel, namelijk dat van de bijzondere

bijdrageregelingen.

Het lijkt mij niet vast te staan, dat die ook zijn bedoeld voor het wegwerken van de tekorten, die door de regeling ontstaan. Het geeft echter wel aan, dat er nog mogelijkheden zijn, behalve een verfijning, die tot herverdeling van het totale bedrag leidt en dus tot vermindering van de uitkering aan één of meer andere gemeenten. Gesteld kan nu worden, dat de verfijning dan ook tot verhoging leidt — en dat kan zeker het geval zijn — maar ik zie meer bezwaren ontstaan voor de gemeenten, waarvoor de uitkering lager wordt, dan dat ik voordelen zie voor de gemeenten, die een hogere uitkering verkrijgen. Er dient immers naar zelfstandigheid te worden gestreefd. Daarvoor is nodig dat de gemeenten kunnen rekenen met hetgeen zal worden verkregen. Is er door de verfijning, die wijziging met zich brengt, en door het bepaalde in artikel 12, lid 5, wel enige zekerheid? De gevolgen van garantie- en limietbepallngen zullen ook van invloed kunnen zijn op de uitkering aan gemeenten, die daaronder niet vallen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1961

De Banier | 8 Pagina's

Ontwerp - Financiële - Verhoudingswet 1960

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken