Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

5 minuten leestijd

Zo viel hij op zijn aangezicht en boog neder (vers 6). Toen boog hij zich en zeide (vers 8). (uit 2 Samuel 9)

MEFIBOSETH

Altoos opnieuw treft ons de geschiedenis van de kreupele Mefibóseth bij 't bij bellezen. De enig overgeblevene uit het huis van de aan David vijandig gezinde koning Saul. Kreupel geworden bij de overhaaste vlucht van zijn voedster, nadat de helden — onder wie zijn eigen vader Jonathan — op Gilboa gevallen waren.

Diepe en rijke gedachten heeft een der oudvaders — ik bedoel H. van Lis — in een uitgebreide oefening over deze stof voor het nageslacht nagelaten; waarnaar we hier gaarne verwijzen. In een meditatie kan slechts een enkele gedachte uit de overvloed worden aangestipt; en daartoe koos ik, uit de verzen 6 en 8, het herhaalde buigen van Mefibóseth voor de troon van David. (Tussen haakjes: de lezer wordt vriendelijk verzocht, eerst heel de geschiedenis uit 2 Samuel 9 eens te lezen.)

Zo oppervlakkig bezien, schijnt het, alsof hier van een overbodige herhaling wordt gehandeld. Niets zou minder waar zijn. Het was wel éénzelfde buiging van de kreupele voor 's konings troon, maar naar haar betekenis van grote verscheidenheid. De eerste keer is het een buigen in vreze. Want wat zou die geduchte koning, die al zijn geslacht liet uitroeien, met hém voorhebben? Het was een buigen, in het besef: ik heb mèt de mijnen de dood verdiend.

Maar, o heerlijk wonder, David zegt tot hem: „Vrees niet!" Geen straf, geen oordeel, neen, maar een weldaad mag Mefibóseth ten deel vallen, terwille van het verbond tussen koning David en zijn vader, Jonathan, vroeger gesloten als voor Gods aangezicht. Vandaar Davids weldadigheid aan hem, de arme kreupelaar, die gedragen moest worden, en niet lopen kon. Is het wonder, dat, wanneer Mefibóseth die blij mare verneemt van 's konings lippen: al uws vaders akkers worden weer uw eigendom, en gij moogt elke dag aan mijn koninklijke dis aanzitten, Mefibóseth in aanbidding voor zo grote „weldadigheid Gods" (vs 3), hem betoond, andermaal neervalt voor de troon van koning David?

Stamelende ootmoed klink u tegen uit zijn verwonderde vraag: „Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode horid als ik ben? " (vers 8).

Voorwaar een machtig groot verschil tussen dat eerste buigen — in vreze — en dat daarna — in aanbidding — volgen mocht. Mefibóseth is type en voorbeeld van de beweldadigde zondaar, die lam, kreupel is aan beide voeten, en die voor God verschijnen moet. O, dan dreigt het een eeuwig omkomen te worden. Reeds in de jeugd gevallen, reeds in het paradijs van Gods weg afgeweken, en de boze toegevallen, leeft die mens daar als een Saulszoon, vijand van David, als type van Christus; hij leeft in het Overjordaanse, ver van 's konings heerlijk hof, verbannen uit het para-, dijs, vervreemd van het heerlijk Jeruzalem. Het is al genade, wanneer de mens vandaar wordt gebracht in Gods heilige nabijheid. Maar die zondaar speurt enkel heilig recht, dat hem verdoemen moet. Hij wil vluchten, maar hij kan nergens heen. Onweerstaanbare kracht van de Heilige Geest doet hem voor Gods rechterstoel verschijnen. O, dan kan de ontdekte, overtuigde zondaar niet anders doen, dan als een worm in'het stof kruipen voor die hoge God, en vrezen, voor eeuwig te zullen verwezen worden naar de rampzaligheid, en dat naar verdienste. Ontdekte, overtuigde zondaar, die dit leest: „Houd aan, grijp moed, uw hart zal vrolijk leven" (Psalm 69 vers 13 ber.). Als gij het hoofd al buigt, om het eeuwig doodvonnis te beluisteren, is er een gezegende, gewillige Borg, Die al uw schuld heeft voldaan en al uw vloek heeft gedragen. Hij, rechtvaardig voor, d.w.z. in de plaats van en ten behoeve voor onrechtvaardigen. En daarom: „Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet; nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven".

O, onvergetelijk ogenblik, als de vrijspraak, de genadetijding afkomt, het hemels pardon, de eeuwige gratie en kwijtschelding van zonde en straf, van de lippen des Konings, gedachtig aan het vrêeverbond, gesloten In de stilte der eeuwigheid, tussen Vader en Zoon, in tegenwoordigheid des Heiligen Geestes. „Vreest niet!", o, wat een hernieuwd buigen, in zielsaanbidding, in ootmoedige verslagenheid en verlegenheid van hart: „Wat zal ik met Gods gunsten^ overlaan, die trouwe Heer' voor Zijn gena vergelden? " Als ge dat nog niet kent, o, buigt u dan gedurig in het stof; geeft u over aan Gods oordeel, het zal uiteindelijk blijken een genadegericht te zijn, zodat gij het zingen moogt:

Buigt u dan In het stof, En verheft, met lof, 't Heilig Opperwezen, Wilt Het eeuwig vrezen.

Vrezen n.l., niet op een slaafse wijze, maar kinderlij k-ootmoedig. Gij, die dit leest, en nog onbekeerd uw weg naar het eeuwig verderf bewandelt, komt nog tot inkeer, en keer weder tot de Heere. Eenmaal zult ge zeker moeten buigen voor God en Zijn Christus. Zou het dan een eeuwigheid te laat zijn, voor immer te laat voor u zijn? Ach, ge hebt toch maar eenmaal een voor de eeuwigheid geschapen kostelijke ziel te behouden dan wel te verliezen. O, haast u dan nog om uws levens wil. De troon der genade staat nog open. Hij, Die op de troon zit, is Davids Zoon en Heere, Jezus Christus. Hij doet kreupele zondaars immer wandelen op het smalle pad ten leven, in het vrolijk levenslicht.

St. M'dijk (Z.)

Ds. v. d. Haar

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1961

De Banier | 10 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1961

De Banier | 10 Pagina's

PDF Bekijken