Bekijk het origineel

Wetsontwerp - Kinderbijslag

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wetsontwerp - Kinderbijslag

8 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ir. van Dis

In het slot van het eerste gedeelte van de rede van Ir. van Dis, gehouden bij de Algemene Beschouwingen over bovengenoemd wetsontwerp werd vermeld, dat er onder zeer vele zelfstandigen zelf voor de in het wetsontwerp vastgelegde kinderbijslagregeling niets wordt gevoeld. Dit werd aangetoond aan de hand van bij de Kamer ingezonden adressen van de Koninklijke Nederlandse Middenstandsbond en het Koninklijk Nederlands Landbouwkomité.

Uit het vervolg der rede blijkt, dat er ook in protestants-chrlstelijke kringen voor deze regeling niet de minste animo bestaat. Werknemers zowel als zelfstandigen, tot deze kringen behorend, hebben er zich tegen uitgesproken.

Om echter verder niet op het tweede gedeelte der rede vooruit te lopen, zullen we het bij deze korte inleiding laten en thans dit gedeelte laten volgen.

Ir. van Dis vervolgde zijn rede aldus:

Mijnheer de voorzitter.

Voorts heeft ook het Christelijk Nationaal Vakverbond na overleg met het convent der christelijksociale organisaties, waarin ook de protestants-chrlstelijke industriëlen, agrariërs en middenstanders zijn opgenomen, zich tegen het onderhavige wetsontwerp verklaard. Niet alleen de loontrekkenden, maar ook de zelfstandige ondernemers uit de hiergenoemde organisaties nemen derhalve tegenover dit wetsontwerp hetzelfde afwijzende standpunt in als de Koninklijke Nederlandse Middenstandsbond en het Koninklijk Nederlands Landbouwkomité.

Voorts is het ook wel zeer

onbillijk,

dat de uitkering van de kinderbijslag voor de zelfstandigen pas be- gint by het derde kind, terwijl de loontrekkenden vanaf het eerste kind de kinderbijslag krijgen. Oorspronkelijk gold voor de loontrekkenden de kinderbijslag ook vanaf het derde kind, doch in 1946 is dit veranderd in het eerste kind, wat in het onderhavige wetsontwerp is gehandhaafd. Wij misgunnen dit de loontrekkenden allerminst maar een ieder zal moeten toestemmen, dat de ongelijke behandeling van loontrekkenden en kleine zelfstandigen, zoals In het wetsontwerp wordt voorgesteld, uitermate onbillijk is. Zo zijn er t.a.v. de kleine zelfstandigen nog meer onbillijkheden. Het is toch zo gesteld bij dit wetsontwerp, dat het kan voorkomen, dat kleine zelfstandigen met een klein inkomen geen kinderbijslag krijgen en zelfstandigen met een driemaal zo groot inkomen wèl. Een andere schrijnende tegenstelling tussen kleine zelfstandigen en loontrekkenden is ook, dat de laatstgenoemden wel kompensatie zullen krijgen voor de door hen te betalen bijdrage, de eerstgenoemden echter niet. Voorts is het te verstaan, dat ook andere personen, beneden 65 jaar, die hun kinderen in vele gevallen met grote zorg hebben groot gebracht zonder ooit een cent kinderbijslag te hebben ontvangen, er helemaal niet over te spreken zijn, dat zij zullen moeten meebetalen voor de kinderen van anderen, van wie het bovendien helemaal niet zeker is, dat zij allen de kinderbijslag ten nutte en in het wezenlijk belang van hun kinderen zullen besteden. Wat vervolgens de

predikanten

betreft, zijn wij van oordeel, dat predikanten, die met hun gezinnen door de gemeenten, welke zij dienen, van behoorlijk onderhoud worden voorzien, van alle verplichtingen en rechten dezer algemene kinderbijslagregeling behoren te worden vrijgesteld. Er is dienaangaande bij de Kamer een adres ingekomen van de kerkeraad van de gereformeerde kerk te Uithuizermeeden, waarin deze met alle nadruk vrijstelling verzoekt op grond daarvan, dat het levensonderhoud van de dienaren des Woords een zaak van godsdienst en van de uitoefening daarvan is. Wij achten het alleszins gerechtvaardigd, dit verzoek in te willigen, daar het toch wel zeer onbillijk zou zijn te laten bijdragen in de onderhavige kinderbijslagregeling door predikanten, die geen kinderbijslag kunnen aksepteren. Wij bepleiten derhalve bij de regering de predikanten, die om des gewetens wil de kinderbijslag niet zullen aanvaarden, te willen vrijstellen van de verplichting tot het betalen voor deze wet.

Alles overziende, mijnheer de voorzitter, behoeft het geenszins te verbazen, dat het wetsontwerp zulk een slecht onthaal bij ons volk heeft gehad. Er is ook eigenlijk helemaal geen behoefte aan dit wetsontwerp. De loontrekkenden, die reeds jarenlang kinderbijslag ontvangen, worden er niets beter van, eerder zelfs minder, omdat van de loonkompensatie, die zij zullen ontvangen, loonbelasting zal worden afgehouden.

Wat de kleine zelfstandigen betreft, voor hen kan worden volstaan met een regeling, zoals deze nu voor hen geldt, waarbij dan de inkomensgrens zou kunnen worden verhoogd. Wat nu een noodregeling is, zou dan in een definitieve wettelijke regeling kunnen worden omgezet. Indien de regering dit had voorgesteld, zou zij niet zulk een sterk verzet ontketend hebben. Bovendien zou zij, aldus handelend, hebben getoond, dat zij een andere koers wenst te volgen dan het haar voorafgegane Kabinet. Dit was ook de verwachting van velen, toen de samenwerking met de P.v.d.A. omstreeks het begin van 1959 werd verbroken. Algemeen verwachtte men toen, dat het regeringsbeleid

krachtig

zou worden omgebogen. Dit was helaas in menig opzicht niet het geval. De wettelijke sanctionering van de voetbaltoto werd van het vorige Kabinet overgenomen. En ook dit wetsontwerp inzake de kinderbijslag, dat als een kompromis tussen de rooms-katholieke ministers en die van de P.v.d.A. tot stand kwam en in 1959 door drie socialistische ministers werd ingediend.

Dat dit wetsontwerp bij de grote meerderheid van ons volk niet de minste waardering ontmoet, is de regering blijkens de memorie van antwoord zeer goed bekend. In deze memorie toch verklaart zij zelf, dat uit het geheel van de door haar naar voren gebrachte publikaties blijkt, dat de meningen van de betrokkenen ten aanzien van de onderhavige zaak verdeeld zijn en dat er inderdaad van een onverdeelde geestdrift geen sprake is.

Dit komt er dus op neer, dat ons volk van de hele regeling, zoals deze in het wetsontwerp is neergelegd, eigenlijk niets moet hebben. Nu is het opmerkelijke, dat, wanneer het gaat over het nemen van maatregelen ter bevordering van de eerbiediging van de zondag men van de zijde der regering en de overgrote meerderheid der Kamer steeds te horen krijgt, dat dergelijke maatregelen slechts dan kunnen worden genomen, indien ze ingang vinden in de rechtsovertuiging van het volk, een standpunt, dat wij ten aanzien van een beginselkwestie als de eerbiediging van Gods dag niet kunnen delen, doch door de regering wel wordt gedeeld. Nu het echter om een wetsontwerp gaat, waarvan de regering zelf moet erkermen, dat het volk in grote meerderheid er niets voor gevoelt, nu blijkt het haar niet te deren, of er voldoende rechtsgrond voor aanwezig is, ja moet het zelfs dienen om het

solidariteitsgevoel

op te kweken. Mijnheer de voorzitter. Wij proeven in heel dit wetsontwerp de politiek der K.V.P., welker Kamerleden zich zodanig op een algemene kinderbijslagregeling hebben vastgewerkt, dat de geachte afgevaardigde de heer Andriessen op de onlangs gehouden vergadering van de partijraad der K.V.P. verklaarde, dat het tot stand komen van een voor de rooms-katholieken bevredigende kinderbijslagregeling een halszaak is, waarvoor men als het moet zelfs een kabinetskrisis en het herstel van de samenwerking met de P.v.d.A. overheeft.

Mijnheer de voorzitter. Uit hetgeen door mij namens mijn fraktie over het onderhavige wetsontwerp is opgemerkt, zal het de regering wel duidelijk zijn geworden, dat wij er zeer ernstige bezwaren tegen hebben. Ook kunnen wij de noodzakelijkheid ervan niet inzien, daar de huidige kinderbijslagwet zelfs naar het oordeel der loontrekkenden in alle opzichten voldoet en voor wat de kleine zelfstandigen betreft, de nodige verbeteringen zouden kunnen worden verkregen door de bestaande noodregeling in een definitieve regeling om te zetten en aan te passen aan de tegenwoordige behoeften der kleine zelfstandigen.

Nadat nog enkele sprekers het woord hadden gevoerd, volgde de beantwoording door de minister en de staatssekretaris van financiën. Deze rede van minister Van Rooy gaf nog geen aanleiding hem aan te vallen, zoals dit in de pers werd gedaan na zijn rede, welke als antwoord diende op de replieken. De minister zette zijn standpunt duidelijk uiteen en deed zelfs koncessies onder meer deze, dat van de loontrekkenden geen bijdrage zal worden gevraagd, zoals in het wetsontwerp was bepaald. Voor de werkgevers betekent dit geen verzwaring, omdat ze anders toch loonkompensatie hadden moeten geven. Die loonkompensatie is dus ook vervallen. Het verdere verloop van de zaak is reeds in De Banier medegedeeld, zodat hierop niet meer behoeft te worden ingegaan. Zoals de lezers zullen zien uit de repliekrede trachtten twee Kamerleden, n.l. Dr. de Kort (K.V.P.) en de heer Smallenbroek (A.R.) door het plaatsen van interrupties de S.G.P.-spreker in de war te brengen. Dr. de Kort deed dit echter wel op een heel ongeschikt moment, namelijk toen Ir. van Dis een citaat aanhaalde van een zijner eigen fraktiegenoten, namelijk mej. Nolte. Deze had geschreven, dat de kinderbijslagregeling van • Ï939 als het ware een sekundaire verdeling was. Volgens Dr. de Kort moest dit primair zijn. Het is duidelijk, dat deze kwestie maar door de beide rooms-katholieke Kamerleden moet worden uitgevochten. Het zwaartepunt van het aangehaalde citaat lag daarin, dat een lid der K.V.P.-fraktie van de regeling 1939 had verklaard, dat deze niet het karakter van een verzekering draagt, waarmede Prof. Romme dus door een r.k. Kamerlid weersproken werd.

Ook de heer Smallenbroek was er met zijn interrupties totaal naast, daar niet was gezegd, dat de A.R.heer Gosker persoonlijk tegen het wetsontwerp was. Blijkbaar was bij de heer Smallenbroek een gevoelige snaar geraakt door de opmerking, dat de A.R. uit vrees de gunst der K.V.P.-fraktie te verliezen, op twee na van plan waren voor het wetsontwerp te stemmen. Thans volgt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1961

De Banier | 8 Pagina's

Wetsontwerp - Kinderbijslag

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken