Bekijk het origineel

Uit de Staten van Zuid-Holland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Staten van Zuid-Holland

6 minuten leestijd

II.

Na de algemene politieke beschouwingen over de provinciale begroting voor 1961 ging de heer Vlasblom over tot de bespreking van het financiële gedeelte. Spreker begon met op te merken, dat het de provincie in financieel opzicht goed gaat. Met grote koppen, aldus vervolgde hij, heeft dit in de pers gestaan en de inwoners van ons gewest hebben zich daarover verblijd. Ook de Statenleden hebben in de afdelingen bereids hun visie daarover gegeven, een visie, die ons wat meer inzicht in de ons geboden materie bood. Ongetwijfeld stemt het tot verheuging, dat een batig saldo is gekweekt, misschien moeizaam gekweekt, waardoor andere taken konden worden verlicht en/of nieuwe ter hand genomen kunnen worden. De provinciale inkomsten en uit- gaven zijn gestegen. Wat de uitgaven betreft, zou ik zeggen: onrustbarend gestegen, want de inkomsten houden geen gelijke tred met de uitgaven. In deze vorm zou men kunnen zeggen: Zuid-Holland is „in the red". Immers, indien de uitgaven geen gelijke tred houden met de welvaart en de aanwas van het kapitaal, is er sprake van boven zijn stand leven. Ten deze is er een fiskaal klimaat, waarover men verschillend denken kan. Zij die de vlucht naar het buitenland hebben genomen, spreken over een „ongunstig" klimaat, de staatssekretaris, die daarover in Limburg sprak, sprak van een „gunstig" klimaat. Al naar men het ziet.

Minister De Pous heeft geen ruimte gelaten voor illusies. „De bestedingen stijgen sneller dan de produkten, dus wij benaderen zeer snel de grenzen van onze mogelijkheden", zei hij. Dit baart hem zorgen. Ook minister Zijlstra, voor wie de financiën primair zijn, heeft immers ons Nederlandse volk gewaarschuwd. Heeft hij de belastingverlaging niet afhankelijk gesteld van de konjunktuur? Heeft hij niet gezegd, dat het getij zeer spoedig keren kan, en dat wij in een meer dan normale onzekerheid omtrent het konjunktuurverloop verkeren? Al heeft hij, volgens de heer Burger, de oliejas uitgetrokken, hij voorspelt toch 'n stortbui van overspanningen. Ten aanzien van onze geldmiddelen is gekonstateerd, dat wij een flexibele begroting hebben, gelijk ook het beleid een flexibel beeld vormt. Ik kom daar straks nader op terug.

Het gaat ons als provincie goed, beangstigend goed. Ook ten deze willen wij het ministeriële woord overnemen: „laat ons toch nimmer vergeten, dat het tij snel kan keren, dat wij ons nu al moeten prepareren voor een zware zwemtocht, als straks het water van ebbe gaat". Onze zwemvesten moeten dus aan. Dit was van hem geen kultuurpessimisme, in genen dele, maar een uiting van hetgeen ook in het buitenland valt te konstateren. Een land zoals het onze, dat zo vatbaar is voor gevoelige injekties van buiten ten aanzien van de ekonomische verwikkelingen, waar de uitvoer samen met de invoer 70% van het nationale inkomen uitmaakt, moet daarmede ter dege rekening houden. Wij zijn te zeer afhankelijk van het buitenland, dat wij zelfstandig zelfs niet eens meer kunnen beslissen.

Wij hebben te grote trefzekerheid, waardoor onze koers wordt bepaald. Alle tekenen wijzen er op, dat wij dit jaar onze verlangens lager moeten stellen dan het vorig jaar. Onmiskenbaar zijn de symptonen aan te wijzen, die een verflauwing aangeven in onze ekonomie en welke wij niet kunnen tegenhouden, omdat wij niet weten welke vormen zij zullen aannemen. De verschillende overzichten rond de jaarwisseling spreken duidelijke taal. Dit is geen pessimisme. Maar kenners van de beurs en de markt konstateren dezelfde verschijnselen in het buitenland als bij de vorige recessie. Zaak is het derhalve daarop te letten, en ook onze begroting daarmede op te zetten. Zaak is het, wat achter de hand te hebben, voordat het buiten dicht slaat.

De zeer sterke stijging met liefst 50 procent van het nadelig saldo van onze handelsbalans noopt ons tot grote waakzaamheid, en voor zo ver wij iets te dien aanzien kunnen doen, is dit door ons enige beperking op te leggen, en dat mogen wij niet nalaten. Men is 1960 met meer optimisme ingetreden dan dit jaar. Inflatoire spanningen zullen zich zeker voordoen, en een krachtige aandrang tot loonsverhogingen zullen wij niet kunnen tegenhouden. Daarom zullen wij als provincie goed doen het leven goedkoop te houden in die zin, dat wij niet meer uitgeven dan strikt noodzakelijk is. Dit inzicht zullen wij moeten hebben, wanneer wij aldus onze begroting bezien en haar facetten ter hand nemen. Immers, veel is er, dat deze gunstig deed zijn, doch daarop kunnen wij een volgend jaar niet rekenen.

Niet uitgevoerde werken, door verschillende omstandigheden, materiaal en mankrachten, de verhoging van de leges, die een bedrag van ƒ 234.000, — aangaf, de Brielse veren met een bedrag van ƒ 147.000, —, de rijksuitkering voor de sekundaire wegen (een bedrag van ƒ 977.000, — meer, dank zij de hogere opbrengst van de motorrijtuigenbelasting), de uitkering uit het provinciefonds, welke 1.254.000 gulden hoger werd geraamd, en een slotuitkering uit dit fonds over 1959 ten bedrage van ƒ 400.000, —. Al deze punten hebben gunstig gewerkt om de begroting in deze vorm samen te gieten. Het begrotingscijfer is, in vergelijking met verleden jaar, gestegen met 3.161.731 gulden.

De tijd zou mij ontbreken, indien ik de posten stuk voor stuk zou nagaan om de stijging te aksentueren maar ik wil de aandacht daarop vestigen, dat deze stijging geen gelijke tred heeft gehouden met de kapitaalsverhoging in onze provincie, dus met de rijkdom van de inwoners. Dit is met cijfers te bewijzen. Zij zijn G.S. bekend, ik ga dus daarop niet nader in. Deze vraag echter zou een aparte bespreking vereisen, en dan zou klemmend gaan worden die vraag, moeten wij niet een andere richting, een andere koers inslaan dan tot heden? Immers, het is de eis van vroed beleid onder de ogen te zien of de tijd niet al lang is aangebroken, dat wij als provincie onze taken moeten inkrimpen. Inkrimpen in die zin, dat wat wezenlijk geen waarde heeft om gesteund te worden of door de overheid niet behoort en behoeft gesteund te worden te schrappen van de begroting.

Als men overtuigd is, dat ieder dubbeltje moet worden omgekeerd, en welke waarde heeft dit geldstuk thans, dan vragen wij: is het beleid daarmede in overeenstemming. Reeds bij de intrede der S.G.P. in deze Staten is door ons de vraag gesteld: moet de subsidieregeling niet worden herzien? Is zij in overeenstemming met onze provinciale wet, die van geheel andere zaken spreekt, en is ook ten deze niet te veel in verkeerde richting gestuurd?

Het gangbare systeem van deze tijd is, dat de overheid het maar moet betalen, geheel of gedeeltelijk. Dat is onderwezen door de linkerzijde, en allen die zeggen: de Staat moet dat maar doen. Hiermede is ons volk meer geïnfekteerd dan wij misschien denken. Men wil niet afhankelijk zijn, o neen, geen armenzorg s.v.p., maar geld vragen bij en ontvangen van de overheid, van de staat, die zeer persoonlijk is, ja, dat wel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1961

De Banier | 8 Pagina's

Uit de Staten van Zuid-Holland

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken