Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

5 minuten leestijd

Heerel leer mij de weg Uwer inzettingen, en tk zal fiem houden ten einde toe. Psalm 119 : 33

III.

De weg des levens is een weg, waarop de mens van nature niet wandelt, want hij heeft de weg des doods verkoren. Hij moet op deze weg gebracht worden. Er is niemand, die deze weg uit zichzelf begeert, en niemand, die in eigen kracht daarop zijn schreden kan zetten. Hij Is voor de mens met een verdorven hart onbegaanbaar.

Maar Christus is deze weg gegaan. Hij heeft het pad van Gods Inzettingen bewandeld. Hij is gehoorzaam geweest in alles, tot het einde toe. Hoe moeilijk de weg voor Hem ook was, Hij heeft, anders dan Adam, gedaan wat de Heere vroeg. Hij heeft Zichzelf daarvoor volkomen opgeofferd. Daardoor heeft Hij deze weg begaanbaar gemaakt voor zondaren. Hij heeft immers aan het einde van Zijn weg de toorn Gods gestild en de vrede verworven en de hemel geopend. Hij bekwaamt ook door Zijn Geest om deze weg te gaan. Hij geeft bij de wedergeboorte weer lust In deze weg, brengt van het pad der zonde op deze weg en doet Gods inzettingen weer liefhebben. Hij doet eigen zwakheid meer en meer kennen en legt de bede van de dichter in het hart. Hij is het, Die voorgaat op de weg, leidt op de weg, waardoor zij hun schreden mogen zetten in Zijn sporen.

Het is dus de weg, waarop men gebracht wordt door de trekkende liefde Gods en de inlijving in Christus door de Heilige Geest. Het is de weg, waarop men de zonde hatend, weer mag delen in Gods gunst en gemeenschap. Het is de weg, waarop men bij aanvang verlost, weer beantwoorden mag aan zijn bestemming en eens in volkomenheid vrede zal bezitten.

Ook voor ons geldt nog, dat we wandelen op de weg der zonde naar de begeerte van het vlees, óf op de weg van Gods inzettingen. Het einde van de eerste weg is de dood en de eeuwige rampzaligheid. Laat het toch tot onze oren en harten doordringen, hoe gevaarlijk onze toestand is, hoe ellendig onze staat, om nog in het heden der genade te leren vragen naar de Heere en Zijn inzettingen. Dan kan het voor eigen gewaarwording zijn, dat men nog op de weg des doods is, namelijk wanneer men veroordeeld zijn weg gaat en geen licht heeft, terwijl toch de voeten zijn gaan wandelen op de eeuwige weg. Beide wegen lopen in zekere zin vlak langs elkaar. Naar de oude natuur is Gods kind op de verkeerde weg, naar de nieuwe natuur op de goede. Het vlees begeert nog de oude, en alleen de geest de nieuwe weg. En naar mate het oude spreekt, en meer ontdekt wordt wat er leeft van binnen, komt dit meer naar voren en wordt dit gebed geboren, dat de dichter hier uitspreekt.

Hij begeert deze weg te leren. We kunnen daarin drie dingen opmerken. Hij vraagt daarin allereerst om onderwijs. Hij erkent eigen onkunde en de noodzakelijkheid om in deze weg onderwezen te worden. Hy wil deze weg dus beter leren kennen. Deze weg is hem dus niet onbekend. Deze weg is voor hem begeerlijk geworden, en nu Is zijn zoeken om die weg nader te mogen kennen. Hij wil meer verstaan wat de Heere welbehagelijk is, wat ten dode en wat ten leven is. Hij begeert meer inzicht in wat de Heere behaagt, meer kennis van Hem, Die deze weg volbracht heeft, meer de heerlijkheid en zaligheid van die weg, dus van Gods Inzettingen te mogen zien, en ook het einde van deze weg, de volle zaligheid en de volkomen verlustiging in de Heere in het oog te mogen hebben. Hij heeft een ontvankelijk hart en vindt er zijn vermaak in met die wet, de weg van Gods inzettingen, bezig te zijn. Hij gevoelt, dat hij alleen dan in staat is om de weg te gaan, die hij verkoren heeft. Zo ligt er in zijn bede nog iets, namelijk een begeerte om leiding. Hij wandelt op de goede weg, maar heeft al begrepen, dat er allerlei dwaalwegen zijn, die van de rechte weg afleiden. Tot zijn smart heeft hij dat ondervonden. Aan het einde beiydt hij het te hebben gedwaald als een verloren schaap. Hij heeft nog een dwaalziek hart. Hij kan zo gemakkelijk van de rechte weg afdwalen. De Heere kan met Hem gaan wandelen in de donkerheid en Zijn aangezicht verbergen. Zijn levensweg kan moeilijk worden. De verdorvenheid van zijn hart kan onder alles zich doen gelden. De wereld kan zoeken te verleiden en de satan kan temidden van beproevingen verzoeken tot de zonde. Hü weet in zichzelf geen kracht te hebben om staande te blijven, om de rechte weg te gaan. Als hij alleen moet gaan, verdwaalt hij en daarom heeft hij Gods Geest nodig en een veilige gids, Gods Woord.

En hierbij sluit zich nog een derde aan. Zijwegen voeren van de rechte weg af en voeren ten verderve. Maar op de weg zelf worden vele aanstoten geworpen, ergernissen, die het voortgaan bemoeilijken en t^n val kunnen brengen. Lot verdvvaalde en kwam in Sodom terecht. Hij had verzuimd te vragen om de leiding des Heeren. Petrus viel door een aanstoot op zijn weg. Hij had verzuimd te vragen om bewaring. Deze bidder kan niet zonder de Heere verder en heeft ook nodig de ondersteuning en bekrachtiging des Heeren om voor wankeling bewaard te blijven. Hij vraagt dus om de invloeden van Gods Geest, om een wandel In het geloof. En zo zucht hij voortdurend: „Heere, leer mij de weg Uwer inzettingen".

Welgelukzalig het volk, dat zo de Heere mag aankleven en in de praktijk van het leven Hem in alles mag nodig hebben.

Meerkerk

Ds. G. Blom

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1961

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken