Bekijk het origineel

De beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

11 minuten leestijd

De naam der S.G.P. (V)

Indien de mening der dopersen juist geweest ware, dan zou God nooit zyn profeten geboden hebben zich met de staatkunde van Israels koningen te bemoeien, wat Hy integendeel wel en zelfs by herhaling gedaan heeft.

Wij hebben hiervan reeds enkele voorbeelden uit het Oude Testament naar voren gebracht. Thans willen wy eens nagaan welk licht het Nieuwe Testament hierover verspreidt. Er is toch meermalen van neo-gereformeerde zyde naar voren gebracht, dat onze voorvaderen zich veel te eenzydig op het Oude Testament beroepen hebben. Hiervan werd dan gezegd, dat dit niet juist was. Israël toch, zo wierp men tegen, leefde onder een theokratie, onder een onmiddeliyke Godsregering. Hieraan is echter met de komst van Christus een einde gekomen, zodat men wat voor Israël gold, maar niet op de Nieuw-Testamentische bedeling mag overbrengen. Deze tegenwerpingen werden van antirevolutio­ naire zyde vooral aangevoerd, wanneer van de kant der S.G.P. artikel 36 der Nederlandse Gereformeerde Geloofsbeiydenis naar voren werd gebracht, wy zullen hierop nu niet verder ingaan, daar wij in het vervolg nog gelegenheid te over zullen hebben dit te doen.

wy zullen derhalve thans volstaan met het aangeven van enkele plaatsen uit het Nieuwe Testament, waaruit blykt, dat, wat onder het oude verbond gold Inzake de roeping der overheid en de verplichting der onderdanen, ook wel degeUjk voor de Nieuw-Testamentische bedeling van kracht is. Om te beginnen zy er op gewezen, dat Christus Zelf de gedragsiyn der profeten onvoorwaardelyk heeft goedgekeurd. Hy heeft er zelfs het zegel van Zyn byzondere goedkeuring aan gehecht, waar Hy zeide, dat Hy' niet gekomen was om de wet en de profeten te ontbinden, maar om die te vervullen. Nergens heeft Hy er ook zelfs met een enkel woord van gerept, dat met zyn komst één koning, magistraatspersoon of volk ontslagen zou zyn van de van G-ods wege door de profeten op hen gelegde verplichting terzake van staatsbestuur en staatkunde. Het is daar verre van daan. Zowel de overheid als de onderdaan hebben ook na Christus' komst op aarde er naar te staan om in alles, ook ten opzichte van het staatsbestuur en het politieke leven, Gods eer te zoeken door Gods wet te betrachten.

Ook daarin dient nu nog naar Gods wil te worden gehandeld. Het Nieuwe Testament heeft hiervan generlei wijziging gebracht. Evenzeer als het Oude eist ook het Nieuwe Testament, dat de mens, van welke kwaliteit of rang hij ook moge zijn, in al zijn handelingen, zelfs in al zijn woorden en gedachten, Gods eer zal zoeken en bedoelen. Het is toch aan geen menselijke autoriteit noch aan enige tijd of plaats gebonden eis Gods, dat Hij van een iegelijk mens vordert, dat deze, hetzij hij eet, hetzij hij drinkt, hetzij hij iets anders doet, dat alles ter ere Gods zal doen (1 Kor. 10 : 31).

Heel het leven van een iegelijk mens behoort daarop ingesteld te zijn, dat hij ter ere Gods leeft. Dat eist de Heere van een ieder, om het even wie hij is. Van de hooggeplaatste hl de maatschappij niet minder dan van de laag geplaatste. Op die eis maakt Hij voor niemand uitzondering. Hij heeft er recht op en is het ook zo waardig, dat Hij van elk mens geloofd, gevreesd, gediend en geëerd wordt. Het komt Hem toe, dat heel het leven aan Hem en Zijn dienst gewijd is. En dit ten allen tijde en aan alle plaats, onder alle omstandigheden en ook in elk beroep. Zowel in dat van een magistraats- als van een partikulier persoon.

Dat dit in het Oude Testament van Grodswege werd geëist, werd reeds tevoren aangetoond. En dat hetzelfde het geval is ten aanzien van het Nieuwe Testament, is hierboven met beroep op Christus' uitspraak reeds bewezen, doch het zal nog nader worden aangetoond, dat voor de staatkunde en wat daarmede samenhangt, ook daarin dezelfde eisen gelden als in het Oude.

Ook in het Nieuwe Tesstament toch zijn ons met het oog op het grote gewicht dezer zaak duidelijke richtlijnen gegeven.

De Heilige Geest biedt ons deze door middel van de apostel Paulus, onder meer in het dertiende hoofdstuk van de brief aan de Romeinen. Hij noemt daarin niet zonder grote oorzaak en reden tot twee malen toe de overheid „Gods dienaresse". Hiermede wordt op overtuigende wijze geleerd, dat de overheid als dienaresse Gods, aan G-od, Zijn Woord en wet, gebonden is. Dit houdt in, dat het overheidsambt niet mag worden uitgeoefend naar het partikulier inzicht, noch naar de konsciëntie van een overheidspersoon, noch naar de volkswil, maar naar Gods Woord en wet, Gode ter eer. En niet minder houdt het tn, dat geen enkel magistraatspersoon zijn ambt ten eigen bate of profijt mag uitoefenen, dooh daarin slechts Gode heeft te dienen, opdat hij, de Heere dienende, de welvaart en het heil zijner onderdanen zal dienen. Ook blijkt daaruit zonneklaar, dat de staatkunde bij God de Heere niet wordt aangemerkt als een onverschillige of louter wereldse aangelegenheid, waarmede een christen zich niet mag of behoeft in te laten, maar integendeel, als een zaak van hoog gewicht, waaromtrent Hij zowel aan overheid als onderdaan Zijn bevelen en eisen gesteld heeft, om haar naar Zijn Woord en wet te beoefenen.

Dat wordt ons voorgehouden in de tweede Psalm, namelijk in de woorden: „Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk, laat u tuchtigen, gij richters der aarde. Dient de Heere met vreze en verheugt u met beving. Kust de Zoon, oixiat Hij niet toome en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toom maar een weinig zoude ontbranden. Weigelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen". Dit wordt ook aangegeven in 1 Timotheüs 2, waarin beschreven staat, dat het oogmerk van het ambt der overheid moet zijn, dat haar onderdanen een stü en gerust leven in alle godzaligheid en eerbaarheid zullen leiden. De aangehaalde schriftgedeelten zowel uit het Oude als Nieuwe Testament leren ons dus wel overduidelijk, dat er van Godswege ten opzichte van de staatkunde en hare beoefening zowel op de overheid als op de onderdanen schuldige plichten jnisten. En voorts, dat de opvatting der dopersen, dat de staatkunde en al wat daarmede samenhangt, maar werelds gedoe is, waarmede een christen zich niet behoort in te laten, geen steek houdt en naar de Woorde Gods beslist verworpen moet worden.

Helaas zijn er in ons land nog kringen, waarin men geheel ten onrechte de doperse opvatting als zuiver gereformeerd aanziet en haar in overeenstemming met Gods Woord acht te zijn. Het is hierom, dat wij het noodzakelijk vonden op deze kwestie wat breder tn te gaan, dan voor de meesten onzer lezers nodig is. Zij echter, die leden voor de kiesverenigingen trachten te winnen of abonnees voor De Banier zullen dergelijke personen wel eens aangetroffen hebben of noch aantreffen. Personen, die hoewel zij de aloude, bevindelijke waarheid van geheler harte zijn toegedaan, toch aangaande de staatkunde op een beslist dopers standpunt staan, terwijl dit juist door de oude gereformeerde godgeleerden zo ten scherpste bestreden is. Ook zijn er kringen, die niet zo ver gaan als de eerstgenoemden, maar waarin men toch in flagrante strijd met Gods getuigenis zich niet met enige politiek wil inlaten, omdat men haar minderwaardig acht, zeggende dat politiek niet anders dan knoeierij en een vuil politiek gedoe is.

Reeds werd onzerzijds tevoren toegegeven, dat er in de politiek inderdaad meermalen geknoeid wordt. Hoe menigmaal is het niet voorgekomen, dat voor de verkiezingen aan de kiezers van allerlei prachtige beloften werden gedaan, zowel in het materiële als in het geestelijke vlak, maar dat, zodra de verkiezingen voorbij waren, de tnwUliging der gedane beloften op zich liet wachten of dat men niet handelde naar het richtsnoer dat men de kiezers had voorgehouden. Wie herinnert zich nog niet de pakkende leuzen, welke van de zijde der V.V.D. voor de Tweede Kamerverkiezing van 1948 met betrekking tot het Indië-beleid op borden van buitengewoon groot formaat waren aangebracht en die luidden: „Hebt u ook genoeg van Soekamo? " en „Het roer moet om? "

Hiermede werd de kiezers onmiskenbaar gesuggereerd, dat als men op de kandidatenlijsten der V.V.D. stemde, de V.V.D.-fraktie in de Tweede Kamer zioh dan met alle beslistheid tegen de souvereinlteitsoverdracht van Indië aan Soekarno zou verzetten. Na de verkiezingen stemden de leden dezer fraktie echter voor de souvereiniteitsoverdracht en hielpen aldus mede Indië voor goed in handen van Soekamo te brengen.

Wat voorts betreft het doen van beloften in wat wij gemakshalve noemden het geestelijke vlak, herinneren wij er slechts aan, dat een aantal jaren geleden door één der protestants-christelijke partijen voor de Tweede Kamerverkiezing een verkieztngsplaat werd gebruikt, waarop een opengeslagen Bijbel voorkwam. Daarbij werd een staatkundig beleid aanbevolen en in het vooruitzicht gesteld, dat overeenkomstig Gods Woord zou zijn. Wat is hiervan echter na de toen gehouden Kamerverkiezing terecht gekomen? Om maar iets te noemen, stemden de Kamerleden der desbetreffende partij tegen een amendement, dat beoogde het beoefenen van sport en het houden van sportwedstrijden op zondag te verbieden. Zij stemden voorts voor een wetsontwerp, waarbij de heidense praktijk der lijkverbranding wettelijk werd gesanktioneerd.

Kortom, er wordt inderdaad politiek bedreven, welke met afkeer moet vervullen. Daarin hebben zij, die zich van alle politiek afkerig betonen of zij, die zich beperken tot het uitbrengen van hun stem en zich er verder maar liever niet mede inlaten, volkomen gelijk. Toch mag hun houding deswege niet worden goedgekeurd. Op ieder rust ter zake van de staatkunde en haar beoefening een goddelijke plicht. Men heeft er naar te staan, dat het bestuur en de wetgeving des lands naar Gods inzettingen ingericht worden. Daartoe moet men aktief steun verlenen aan hen, die zich voor dat doel inzetten.

Wanneer er bijvoorbeeld vergaderingen worden gehouden van kiesverenigingen der S.G.P., dan behoort men zijn plaats niet ledig te laten, zoals nog al eens vaak gebeurt. Hiermede is niet gezegd, dat de staatkimde, welke de S.G.P. voorstaat ook in de praktijk door de overheden wordt uitgevoerd. Dat dit niet zo is, weet ieder. Dit ligt echter voor de verantwoording dier overheden. De afgevaardigden der S.G.P. in Kamer, Staten en Raden kunnen niet meer doen dan de overheid wijzen op de dure roeping, welke van Godswege op haar rust. Dit is niet negatief, maar juist zo positief als het maar zijn kan.

Hierin behoort leaer, aie zien naar Gods Woord wenst te richten, hen te steunen en ook hen, die in de partij werkzaam zijn om de beginselen der S.G.P. tot meerdere bekendheid onder ons volk te brengen.

Het is waar, de S.G.P. is slechts een kleine partij. Zij staat tegenover een grote overmacht. Ongeloof en bijgeloof moeten van haar en hare beginselen niets hebben. Evenmin zij, die er beginselen op na houden, die met artikel 36 der Ned. Geloofsbelijdenis in flagrante strijd zijn. Niet het getal echter moet deze maatstaf zijn, maar het beginsel.

Het komt er op aan of dat geheel en al overeenkomstig Gods Woord is. Verder hebben wij het over te laten aan Hem, Die van een iegelijk onzer en van de overheid eist, dat men zich naar Zijn Woord en wet gedraagt, en daarnaar het te voeren beleid richt.

Wie dan ook met Gods Woord nog enige rekening houdt, late zijn oor niet lenen aan de oude doperse dwalingen en aan de redeneringen en beschouwingen, welke daaraan nauw verwant zijn. Hij bedenke ook, dat in Gods Woord vóór alle dingen vermaand wordt, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle mensen, voor koningen en allen, die in hoogheid zijn, opdat wij een gerust en stü leven mogen leiden.

Die vermaning werd door de apostel Paulus, daartoe door Gods Geest geïnspireerd, gegeven in een tijd nog wel, toen er een goddeloos monster als keizer Nero het bewind voerde. Een keizer, die Gods Woord, zo hij het al kende, verachtte en de christenen liet ombrengen. Ook uit deze vermaning blijkt, welk een hoge waarde de Heere aan de overheid en het staatsbestuur toekent.

Wij menen hiermede van dit onderwerp nu te kunnen afstappen, daar het ieder wel duidelijk zal geworden zijn, dat het voor de vierschaar van Gods Woord nimmer vol te houden is, dat het beoefenen van staatkunde een van Godswege verboden en een christen onwaardige zaak is.

Voor ieder, die 't vijftal artikelen over de naam der S.G.P. gevolgd heeft en zich tot nu van haar afzijdig heeft gehouden, omdat hij van mening was, dat het doen aan politiek de christen niet past, moge dit een spoorslag zijn om van nu af aan zich bij de S.G.P. aan te sluiten, van zijn medeleven blijk te geven en ook met stoffelijke gaven, die nu eenmaal onmisbaar zijn, haar te steimen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1961

De Banier | 8 Pagina's

De beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken