Bekijk het origineel

De beginselen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De beginselen

9 minuten leestijd

der Staatkundig Gereformeerde Partij

Artikel 1 van het Beginselprogram

Het eerste artikel van het beginselprogram der S.G.P., dat wij voornemens zijn in dit en enige volgende artikelen uiteen te zetten, luidt aldus:

„De Staatkundig Gereformeerde Partij (S.G.P.) streeft naar een regering van ons volli geheel op de grondslag van de in de Heilige Schrift geopenbaarde ordening Gods en staat mitsdien voor de handhaving van het onverkorte artikel 36 der Nederlandse Geloofsbelijdenis".

Wanneer men het oorspronkelijke artikel 1 van het beginselprogram der S.G.P. met het hierboven weergegeven artikel 1 vergelijkt, dan zal men konstateren, dat het oude artikel 1 iets korter was. In het oorspronkelijke artikel 1, waarmede wij bedoelen artikel 1, zoals het bij de oprichting der S.G.P. geredigeerd werd en tot 26 februari 1958 deel van het beginselprogram uitmaakte, ontbreken namelijk de woorden:

„en staat mitsdien voor de handhaving van het onverkorte artikel 36 der Nederlandse Geloofsbelijdenis".

Deze aanvulling is er op voorstel van het hoofdbestuur der S.G.P. bij besluit van de Algemene Vergadering, gehouden op 26 februari 1958, aan toegevoegd. Hieruit mag echter niet de konklusie worden getrokken, dat de grote en waardevolle betekenis van artikel 36 der N.G.B. pas kort vóór of in 1958 tot het hoofdbestuur en de Kamerleden der S.G.P. is doorgedrongen. De oudere leden, die het partijleven vóór de laatste wereldoorlog hebben meegemaakt, weten dit wel beter. Wel is het waar, dat dit artikel bij de oprichting der partij en ook enige jaren daarna nog niet zo zeer op de voorgrond trad. De kern van dit artikel, hierop neerkomend, dat het de roeping der overheid is Gods wet te handhaven en na te leven op het publieke levensterrein, werd bij het oprichten der S.G.P. door hen, die daarbij leiding gaven, wel degelijk onderschreven. Dat blijkt ook wel duidelijk uit artikel 4 van het beginselprogram, waarin te lezen staat, dat de overheid in haar ambt naar Gods wet zal geoordeeld worden en derhalve voor naleving van deze wet heeft zorg te dragen. Dit artikel 4 is niet pas later in het beginselprogram opgenomen, doch heeft er van het begin af in gestaan. Hiermede is genoegzaam bewezen, dat men bij de oprichting der S.G.P. handelde in de geest van artikel 36, zonder dat dit artikel zelf hl het beginselprogram werd genoemd.

Reeds betrekkelijk spoedig echter, namelijk in 1923, werd artikel 36 aan de orde gesteld, eerst in de vergadering van het hoofdbestuur, daarna in de Algemene Vergadering. Hierna werd in 1924 besloten een kommissie in te stellen, die rapport zou uitbrengen over de onderscheidene facetten, welke aan dit artikel verbonden zijn. Toen de kommissieleden zich aan de uitvoering van de hun opgedragen taak zetten, bleek echter, dat aan dit werk heel wat studie verbonden was. Hiermede wordt echter gewoonlijk weinig rekening gehouden en leeft bij velen de gedachte, dat men met zo'n opdracht wel in enkele maanden gereed kan zijn. Toen dan ook nog geen jaar later op de Algemene Vergadering naar het toegezegde rapport werd gevraagd, moest op die vraag ten antwoord worden gegeven, dat de kommissie nog niet gereed was gekomen. Het samenstellen van een officieel rapport, zo merkte de voorzitter der Algemene Vergadering, Ds. Kersten, op, vereist zeer brede studie. Desniettemin kon de voorzitter reeds zo veel mededelen, dat het vast stond, dat het oude artikel 36 der Nederlandse Geloofsbelijdenis door de S.G.P. diende gehandhaafd te worden. Daarop, zo vervolgde Ds. Kersten, is het program der S.G.P. gebouwd en in deze tegengesteld aan het program van de Anti-Revolutionaire Partij. Bovendien leidt verwerping van wat in artikel 36 beleden wordt in de woorden, die sommigen in strijd achten met Gods Woord, tot een losbandigheid, die ons volk ten verderve voeren moet. Ds. Kersten wees hierbij op de debatten, welke zich in de Tweede Kamer bij de zogenaamde Dageraadskwestie hadden voorgedaan en waarbij het maar al te duidelijk was gebleken, dat de Antirevolutionaire Partij ten aanzien van de vrijheid voor het ongeloof om zich in het openbaar te uiten, een beginsel voorstond, dat lijnrecht tegen het oude artikel 36 der N.G.B, inging en als uiterst verderfelijk voor ons volk moest worden aangemerkt.

Men ziet hieruit, dat wat zich in ~dIë^Bffa'"ür"aêTwêede Kamer mét betrekking tot de Dageraadskwestie, waarop we D.V. in het vervolg in den brede zullen terugkomen, artikel 36 der N.G.B. wel zeer sterk naar voren heeft gebracht. De grote betekenis van dit artikel voor de praktische politiek werd toen met zoveel te helderder inzicht doorschouwd. De voorzitter merkte dan ook op de Algemene Vergadering van 16 april 1925 nog op, dat het kiezen van Ds. Kersten voor artikel 36-oud door het Hoofdbestuur werd gesanktioneerd. Hij voegde daar aan toe, dat dit niet wüde zeggen dat een rapport over artikel 36 overbodig was, maar alleen dat wij ons op de grondslag van onze oude Gereformeerde Geloofsbelijdenis stellen, om hierop te laten volgen:

„Wij hebben geen rapport nodig om van dit artikel af te wijken. Wel een rapport om de huidige afwijking helder aan het licht te brengen".

Het toegezegde rapport kon echter op de Algemene Vergadering van 1926 nog niet ter tafel worden gelegd. Uit de agenda voor deze vergadering blijkt, dat hoewel dit onderwerp in studie was genomen, de kommissie door ziekte van enkelen harer leden en tevens door zeer drukke werkzaamheden der andere leden nog niet gereed gekomen was. Ziende op de omstandigheden, is dit niet gereed komen alleszins begrijpelijk. Er wordt over een dergelijk werk menigmaal maar al te gering gedacht. Zelfs een kommissie als In 1896 door de Synode der Gereformeerde Kerken werd ingesteld om een onderzoek in te stellen naar en rapport uit te brengen over het gravamen, dat bij deze Sjmode door enige personen, onder wie Dr. Kuyper, tegen een bepaalde zinsnede uit artikel 36 was ingebracht, kwam met haar taak niet gereed. In de Acta van de Synode der Gereformeerde Kerken van 1905 wordt dienaangaande vermeld, dat „noch op de Generale Synode te Groningen in 1899 (Acta art. 41), noch op die te Arnhem in 1902 (Acta art. 13) het bedoelde rapport ingediend was". Na zes jaren dus was er over het gravamen nog geen rapi)ort verschenen. Als oorzaak hiervoor werd in de Acta voor 1905 genoemd, dat de deputaten hun taak veel te breed hadden opgevat. Juist die brede opvatting, aldus staat in genoemde Acta te lezen, is mede oorzaak geworden dat de deputaten met hun arbeid niet gereed zijn gekomen. Vandaar dat de Generale Synode der Gereformeerde Kerken van 1902 nieuwe deputaten benoemde en dezen een veel beperkter mandaat gaf. Zij hadden zich nu slechts stipt te bepalen tot het ingediende gravamen en zich derhalve te onthouden een principieel advies te geven over de veel verder strekkende vraag, welke taak de christelijke overheid heeft op religieus en etisch gebied, of wat de verhouding moet wezen tussen staat en kerk.

De vroeger benoemde deputaten hadden ook de beide laatstgenoemde punten in hun onderzoek betrokken, wat tot gevolg had dat zij na zes jaar tijd nog niet gereed waren.

Er behoeft derhalve de door het hoofdbestuur destijds ingestelde kommissie geen enkel verwijt van te worden gemaakt, dat zij ook in 1926 hun taak nog niet ten einde ladden gebracht, wij vonüen net van belang, op het vorengenoemde nog eens de aandacht te vestigen, vooral ook met het oog op de jongeren in onze partij. Men heeft dan van deze en gene wel eens vernomen dat het hoofdbestuur eens een kommissie met betrekking tot artikel 36 heeft ingesteld, die echter nimmer met haar taak gereed gekomen is, en dan wordt daarover wel eens een opmerking gemaakt, die men bij enige kennis van zaken wellicht niet gemaakt zou hebben. Bovendien is het te dezen van belang te weten, dat ook de nieuwe deputaten, die door de Generale Synode der Gereformeerde Kerken van 1902 werden benoemd, ondanfcs het sterk beperkte mandaat toch nog drie jaax over het door hen uit te brengen advies hebben gedaan. Nemen wij al het tevoren genoemde in acht, dan is er dus alle reden om de door het Hoofdbestuur destijds benoemde kommissie er geen verwijt van te maken, dat zij haar taak niet voleindigde. Het komt ons voor, dat zij die taak ook veel te breed had opgezet. Eén der leden zou namelijk het historisch gedeelte voor zijn rekening nemen, een ander de houding der onderscheidene staatkundige partijen ten opzichte van artikel 36, een derde hoe de Staatkundig Gereformeerde Partij er tegenover staat, terwijl de resterende kommissieleden nog twee andere kanten onder de loep zouden nemen. Uit de aldus verkregen rapporten had men dan één rapport willen samenstellen, wat dan een tamelijk lijvig rapport zou geworden zijn. Daar kwam nog bij, dat behalve ziekte van enigen der kommissieleden en zeer drukke werkzaamheden van andere leden, één der leden niet meer tot arbeiden in staat was en één zich inmiddels terugtrok, zodat de kommissie onvoltallig was geworden.

Om echter de Partij niet in het onzekere te laten over het standpunt der S.G.P. tegenover het oude, onverminkte artikel 36 der N.G.B., heeft toen Ds. Kersten na overleg met de overgebleven kommissieleden, en met de volle instemming en goedkeuring van het hoofdbestuur, op de Algemene Vergadering van 1927 in zijn rede ter opening dezer vergadering dit standpunt helder en klaar uiteengezet. Deze rede droeg de titel: „Van zware strijd", namelijk tegen de koalitie, tegen de verzekeringsdwang en tegen de verminking van artikel 36 van de N.G.B. Deze rede werd ook in druk gegeven, zodat ieder van de inhoud rustig kon kennisnemen. De Algemene Vergadering bleek zich met de inhoud dezer uiteenzetting inzake artikel 36 unaniem te kunnen verenigen, evenals zij reeds in 1925 zich geheel akkoord had verklaard met het handhaven van het oude, onverminkte artikel door Ds. Kersten bij gelegenheid van de „Dageraadsdebatten". In het vervolg zullen wij nog genoegzaam gelegenheid hebben om op de genoemde rede terug te komen.

Het was nu slechts ons doel de aandacht er op te vestigen in verband met wat zich tn het verleden met betrekking tot artikel 36 heeft voorgedaan, alsmede ook te doen uitkomen dat de grote waarde en betekenis van dit artikel niet eerst omstreeks 1958 tot de S.G.P. is doorgedrongen, al werd het eerst toen uitdrukkelijk in artikel 1 van het beginselprogram opgenomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1961

De Banier | 8 Pagina's

De beginselen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken