Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

6 minuten leestijd

En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Lukas S ; 31

I

In het algemeen loopt men voor een zieke eerder naar de dokter dan naar de predikant. In dagen van ziekte is men meer gezet op herstel van het lichaam, dan op het welzijn vaji de ziel. Vandaar, dat de spreekuren van onze doktoren elke dag weer overvol zijn met allerlei patiënten, en dat de predikant, die een echt zielzorger poogt te zijn, slechts hier en daar, zo nu en dan, een zieke-van-binnen tegenkomt.

Tijdens Zijn rondwandeling onder Zijn tijdgenoten heeft de Zaligmaker zeer vele zieken van hun lichaamskwalen genezen. Stommen spreken, doven horen, kreupelen wandelen, melaatsen worden genezen, en zelfs doden opgewekt. Het zijn zichtbare tekenen die Zijn geestelijke macht in Zijn kerk uitbeelden, en ons een diepe Indruk kunnen schenken van Christus' almacht en genade. Het genezen van lichamelij k-zieken is Christus' tijdelijk, Zijn voorbijgaand werk; het genezen van zondaren, het redden van hun ziele-melaatsheid Zijn blijvende roeping. Deze waarheid heeft Christus met nadruk uitgesproken in onze tekst. Gij weet, in welke omstandigheden deze woorden door Christus zijn uitgesproken? In Kapemaüm heeft, een stakker, die niet lopen kon, zijn lichamelijk en geestelijk herstel aan de Heere Jezus te danken gekregen. Een grote schare was met ontzetting bevangen, en loofde en verheerlijkte God, vanwege deze nooit tevoren door hen aanschouwde wonderen (vers 26). Het waren voor hen ongelooflijke dingen.

Buiten de stad gekomen, gevolgd door Zijn leerlingen en de meelopende schare, ziet Christus een tollenaar in zijn tolhuis zitten. We weten niets van hetgeen Gods Geest al bezig was In deze Levi, de tollenaar, te werken. Bij de grote massa was de man zeer in verachting. Niemand wilde zijn vriendschap. Hij heulde immers met de Romeinen. Al was hij dan nog zo rijk, het was toch veelal onrechtmatig verkregen goed. Neen, de massa keek de farizeërs en de schriftgeleerden naar de ogen, maar hield „tollenaren en zondaren" op een veilige afstand. Alzo deed Christus niet. Hij ziet Levi zitten, spreekt hem zelfs aan; ja, gebiedt hem, een discipel, één van de twaalve — ons beter bekend onder de naam Mattheüs — (zie Mattheüs 9 : 9—13 en Markus 2 : 13—17) te worden. En als God werkt, wie kan dan keren? Levi liet al zijn zaken in de steek, en volgde de Rabbi van Nazareth, en sloot zich aan bij het schamele troepje van vissers uit Galiléa.

Levi dankte zijn eeuwig behoud aan de Heere Jezus. Zou hij dan niet dankbaar zijn, door te tonen aan zijn vrienden, Wie het was. Die aan zijn hart en leven een algehele wending en vernieuwing geschonken had? Daarom, Levi richt een maaltijd aan, en nodigt een grote schaar van . . ja, allemaal tollenaren en zondaren, maar de maaltijd was ter ere van Christiis. Met schaamte en droefheid denkt Levi terug aan zijn vroeger bestaan van zonde en afpersing, van zijn vereren van de geld-mammon; en daarom — want genade Is mededeelzaam — wil hij het zijn vroegere vrienden laten zien, hoe hij een ander, een nieuw mens is geworden in de navolging van Christus. Want Gods Zoon was hem alles geworden. En Christus Zelf ontwijkt deze maaltijd niet. Hij neemt er deel aan. Hij is ons in alle dingen gelijk 'geworden, uitgenomen de zonde. Hij eet met tollenaren en zondaren, zonder daarmee hun zonden goed te keuren, maar wel, omdat Hij van hen de zonden gaat wegnemen, verzoenen en uitdelgen aan het kruis.

De mens van nature begrijpt hier niets van. Het wekt zelfs de grote verontwaardiging van de in eigen oog vromen, van die dagen, op. Ook de farizeërs en schriftgeleerden ontbreken n.l. niet op Levi's appèl. Zij gaan immers dag en nacht Jezus' gangen en woorden na, om Hem op iets zondigs te kunnen betrappen.

Jezus' deelnemen aan Levi's maaltijd wekt hun innerlijke afkeur en ontstemming; en ze spreken die uit aan het adres van Jezus' discipelen, om hen zo mogelijk van hun Meester afvallig te maken. O, gelukte hun dat; stond Jezus alleen zonder Zijn geroepen apostelen, alleen in een zo verachtelijk gezelschap ., satan en de ganse hel zouden lachen. „Waarom — zo vragen zij — eet gij en drinkt gij met tollenaren en zondaren? " Wilt gij hun vrienden zijn, en Intiem tafelverkeer met hen onderhouden? O, de ogen van deze mensen twinkelen boos; zij zouden Jezus, een Profeet van Ood, wel kunnen en willen doden om deze hun eigenwillige vroomheid zo pijnlijk kwetsende houding van de Heere. De Meester neemt het voor Zijn jongeren op. Hij geeft het antwoord, dat eeuwen later ook onder ons nog doorklinkt. Hij zegt het zo eenvoudig, klaar en onomwonden: , X> ie gezond zijn, hebben de medicijimieester niet van node, maar die ziek zijn". Ja, er zit een fijne ironie in Jezus' woorden; een snijdend sarkasme, als Hij vervolgt: „Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering".

Met „gezonden" en „rechtvaardigen" worden farizeërs en schriftgeleerden aangeduid. Niet, dat ze het werfeelijk zijn, maar ze houden er zichzelf maar voor. Zij beelden zich in, dat het tussen God en hun ziel prima in orde is: zij zijn, ja waarlijk gezond van binnen, en zij menen — rechtvaardig! — voor Gods troon te kuimen staan. Zij hebben daar recht op. Daarom verlangen zij niet naar de Heere Jezus. Zij zoeken niet Zijn woord van vergeving te horen. Zij wensen niet uit Zijn genade behouden te worden. Zij leven naar de wet, en klimmen eenmaal langs de ladder van hun (goede? ) werken-der-wet de hemel binnen. O, Christus' komst is tweeërlei; Hij komt tot een oordeel, opdat die blind zijn, zuUen zien, en die menen te zien, verblind worden door Zijn glans. Niet voor alle mensen is Christus' komst van gelijke betekenis. Hij spreekt hier van gezonde en rechtvaardige mensen, die Hij niet geneest en niet be^eefrt, en van zieke zondaren, aan wie Hij deze genade, deze onverdiende gmist van Godswege wel betoont en verheerlijkt. Onnasiwurlijk zijn Uw wegen, o Heere, en ondoorgrondelijk Uw oordelen!

Die gezond zijn ., hebben de medicijnmeester niet nodig. Neen, de dokter zou zo één uitlachen, die gezond en wel, zich op zijn spreekuur Het zien. Wat doet ge hier, vriend? Ik kan, ik behoef je niet te helpen. Je blaakt van gezondheid. Kom maar eens terug, als je werkelijk wat mankeert. Zo gaat Christus bij een tevoren dood-zieke Levi binnen, maar aan de farizeërs en schriftgeleerden gaat Hij voorbij. Zij hebben Hem niet nodig, en voor Christus' persoon en genade is er geen plaats in hun leven. Maar óle ziek zijn. ...!

St. Maartensdijk Ds. v. d. Haar

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1961

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken