Bekijk het origineel

DE PROVINCIEWET

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DE PROVINCIEWET

12 minuten leestijd

Rede van de heer kodde

De provinciale wet, die op het ogenblik nog van kracht is, dateert van 1850. Zij werd ingevoerd onder het bewind van de liberale minister Thorbecke, doch is nadien verscheidene malen gewijzigd, het laatst in 1927, toen er een tamelijk belangrijke wijziging plaats vond.

Door één der vorige ministers van binnenlandse zaken werd een ontwerp ingediend voor een nieuwe wet, waaraan de naam provinciewet werd gegeven. Behalve de kopi> eling van de aantallen Statenleden aan de bevolkingscijfers bevat dit onderwerp, dat door minister Toxopeüs weer gewijzigd werd, onder meer de verantwoordingsplicht van het kollege van Gedeputeerde Staten aan de vergadering van Provinciale Staten van heel het door Gedeputeerde Staten gevoerde beleid. Dit deel van het ontwerp lokte een tamelijk breed debat uit, waarbij bleek, dat het voorgestelde Inzake de verantwoordingsplicht van G.S. slechts steun vond bij de P.v.d.A. en de V.V.D. De R.K., de A.R., C.H. en S.G., namens wie de heer Kodde het woord voerde, konden zich hiermede echter niet verenigen. Een namens leden dezer frakties ingediend amendement werd dan ook tegen de zin van minister Toxopeüs met 58 tegen 48 stemmen aangenomen. Hierdoor zijn van de verantwoordingsplicht van G.S. tegenover de Prov. Staten uitgezonderd: de beslissingen inzake bestuursgeschillen en het toezicht op de gemeentebesturen voorzover dit niet de algemene aspekten betreft. Slechts een drietal R.K., onder wie de voorzitter Dr. Kortenharst, stemden tegen het zoeven genoemde amendement.

Met deze inleiding zullen wij volstaan om dan nu de rede van de heer Kodde te laten volgen en D.V. de volgende week de repliekrede met de toelichting op een tweetal door de heer Kodde ingediende amendiementen, waarvan er één voor de stemming werd ingetrokken en de andere bij zitten en opstaan niet werd aangenomen. De heer Kodde sprak als volgt:

Mijnheer de vooi'zitter. Wanneer ik mij stel om over een onderwerp te gaan spreken, dat, indien het tot wet wordt verheven, zal moeten dienen om een meer dan 110-jarige regeling te vervangen, wil ik mij voor ogen stellen, dat het gaat om. de vervanging van een regeling, die, hoewel mensenwerk en dus niet feilloos, toch, zonder wijzigingen van fundamentele betekenis, het besturen van onze provincies lang heeft beheerst en mogelijk gemaakt, zodat er toch wel mag worden gesproken van levende, krachtige besturen van die provincies. Gaarne erkennen wij de grote gaven, die God aan de ontwerper van de provinciale wet van 1850 gaf, ook al zijn wij het niet eens met de beginselen, waaruit hij meende het land te moeten besturen.

In de genoemde provinciale wet zijn, ook al zijn ze beïnvloed door de tijd, waarin die wet is gemaakt, toch wel zodanige richtlijnen gesteld, die ook in andere omstandigheden dienstig bleken. Dat houdt echter niet in, dat er geen aanleiding zou kunnen zijn, te trachten de bepalingen aan te passen aan de veranderingen, vooral omdat nu toch menigmaal gebruik moest worden gemaakt van wat als noodregeling is be­ doeld, n.l. het beleggen van buitengewone vergaderingen van de provinciale Staten en ook and.erszins de mogelijkheden wat te eng v/aren, omdat er de, door de praktijk wel gelogenstrafte, vrees was, dat de provinciale besturen zouden handelen tegen de belangen van ons land als geheel. Dit moge toen nodig zijn geweest, omdat er nog te weinig wenning was aan de na de bevrijding van de Franse overheersing veranderde omstandigheden, doch deze reden is nu toch zeker wel vervallen. Hieruit blijkt wel, dat wij kunnen instemmen met een vrijziging inzake de regelen van het besturen van onze provincies. Dit houdt echter weer niet in, dat wij ons met het ingediende ontwerp geheel kunnen verenigen. Er zijn bij ons bezwaren gebleven betreffende de

verantwoordingsplicht

van Gedeputeerde Staten, volgens het gewijzigde ontwerp, en betreffende sommige bewoordingen of uitdrukkingen. Wat betreft de verantwoordingsplicht van Gedeputeerde Staten, blijkt er verschil van mening te zijn, en de minister — het is immers gebleken, dat zulks alleen de minister van binnenlandse zaken aangaat — heeft daarin aanleiding gevonden een wijziging aan te brengen, daarbij afwijkende van het advies van de ook door hem gewaardeerde adviseurs, maar daardoor ook er van blijk gevende in te stemmen met hen, die een andere mening hebben dan de adviseurs. De vraag mag worden gesteld: waaruit is een andere mening ontstaan en uit welke grondslag komt die op?

Er zal kunnen worden g-edacht aan een historische groei van die andere mening. Immers, reeds m 1927 is gepoogd de verantwoordingspUcht van Gedeputeerde Staten ook over andere onderwerpen in de provinciale wet duidelijk verplicht te stellen. Er is deze middag door de geachte afgevaardigde de heer Van den Tempel gezegd, dat ook voorheen deze plicht er was, maar ik meen, dat er toch wel enige twijfel over was, of de verantwoordingsplicht, die vóór 1927 in de provinciale wet was opgenomen, er toe leidde, dat Gedeputeerde Staten verplicht waren aan de Staten verantwoording af te leggen van het toezicht op de gemeentebesturen. In 1927 is er zelfs een aktie geweest, een aktie, die niet tot deze Kamer is beperkt, maar die tot in de vergaderingen van de Staten van sommige provincies doordrong. Nu zou men kunnen vragen: zijn de omstandigheden dan niet veranderd, waren er in 1927, toen de wet 77 jaar van kracht was, geen 'eranderlngen, die noopten tot andere regelen, en is dit ook in 1961, nu de wet inmiddels 110 jaar lieeft gewerkt, niet het geval? Deze vraag meen ik

ontkennend

'S moeten beantwoorden. Alhoewl ik moet aannemen, dat bij lem, die de provinciale wet ontwierp en verdedigde, hoezeer ik lem ook in dat werk kan achten, liet die gedachte heeft voorgeze- *n, meen ik, dat het toch wel tesnend is, dat de vraag om veranderingen komt van een zijde, die gaarne het woord demokratische „eis" of „grondslag" als motief voor de wijziging aanvoert.

Het lijkt mij toe, dat het verschil üi opvatting van „demokratie", wat de strekking betreft, wel van doorslaande betekenis kan zijn. Er zal daaromtrent verschil van mening zijn, ook bij de voorstanders van een verantwoordingsplicht van Gedeputeerde Staten, zoals in het ontwerp-Prinsen was gesteld, maar naar mijn mening spruit de wens tot wijziging en uitbreiding van 'die verantwoordingsplicht, ook al kunnen ook daaraan verschillende motieven ten grondslag liggen, toch wel voornamelijk daaruit voort, dat gemeend wordt, dat de Provinciale Staten hun macht en gezag om te besturen ontlenen aan het volk en dat Gedeputeerde Staten, bij elke handeling, welke zij doen, hun macht en gezag ontlenen aan de door het volk gekozenen. Ook al hebben vrij zeker geen bezwaar en al achten wij het niet in strijd met Gods Woord, dat de overheid regeert met de medewerking van het volk, ja al zijn wij daarvan zelfs voorstanders, daarom menen wij nog niet, dat die overheid dan het gezag en de macht ontleent aan het volk. Voor ons geldt wat

Gods Woord

ons leert en wat de apostel PauiTis, door Gods Geest geleid, aan de Romeinen schreef in de brief, hoofdstuk 13, vers 1:

„Alle ziel zij de machten over haar gesteld onderworpen, want er is geen macht dan van God en de machten die er zijn zijn van Ood geordineerd".

Dus niet zij, die kiezen, verlenen gezag, maar zij wijzen alleen maar aan wie dat van God afstralende gezag zal dragen. En slechts aan wie de macht het gezag ontleent, is dan verantwoordelijkheid verschuldigd.

De demokratie zo ver strekkend achten, dat daaruit een verantwoording aan het volk of aan de gekozenen uit het volk zou voortvloeien, acht ik onverenigbaar met de erkenning, dat het gezag uit God spruit, en lijkt mij te leiden naar de leer der volkssoevereiniteit.

Het zal niet nodig zijn hierop dieper in te gaan, maar ik meende toch, dat punt naar voren te moeten brengen als grond waarop wij gevoelen voor het advies-Prinsen en waarom wij bezwaren hebben tegen het niet uitzonderen van de verantwoordingsplicht, zoals nu in het gewijzigde ontwerp door de schrapping van het 4rde lid van artikel 113 is bewerkt. Het lijkt mij ook niet nodig, dat wij Gedeputeerde Staten verantwoordingsplichtig tegenover de Staten stellen in de zaken, die zij in opdracht van een hoger bestuur Inzake het bestuur van de provincie doen. Wel is bij my de vraag gerezen of de omschrijving „bestuur" wel zo gelukkig is. In de gemeentewet lezen wij van een verantwoordingsplicht inzake het gevoerde bestuur van de huishou- 'ding van de gemeente. Groot acht ik dat verschil niet, maar het lijkt mij wel wat minder bepalend, zodat er in deze uitdrukking wel een verruiming kan schuilen, en het lijkt ook wel min­ der omlijnd, zodat er gemakkelijk verschil van mening uit kan voortkomen. Nu moet niet worden gemeend, dat ook wij Gedeputeerde Staten niet

verantwoordingsplichtig

willen zien. Dat zal in de eerste plaats tegenover God, de Gezaggever, niet kunnen, want er is geen mens, die een ander van de verantwoordlngspUcht tegenover God kan ontheffen. Hij zal rekenschap vragen van ieders daden. Maar ook willen wij niet, dat Gedeputeerde Staten geen verantwoording verschuldigd zouden zijn naar boven wat het bestuur betreft. Maar die verantwoording is niet in het geding en, naar ik meen, onverkort gebelven. Afgezien van de principiële bezwaren, heb Ik ook wel praktische bezwaren tegen de uitbreiding van de verantwoordingsplicht. De minister zegt wel geen bezwaren te zien, althans geen gegronde bezwaren, zoals het lidmaatschap van Provinciale Staten van gemeentebestuurders, en meent, dat vertrouwd mag worden op de objektiviteit van de statenleden. Het getuigt van grote welwillendheid om een ander zo gunstig te beoordelen, maar dat zegt nog niet, dat dat oordeel, in aanmerking genomen wat de mens geworden is in de zondeval, juist is. Verder zegt de minister, volgens het verslag van het mondeling overleg, dat hij het, ware hij gedeputeerde, bijzonder op prijs zou stellen in de gelegenheid te zijn, zich in het openbaar te verantwoorden voor zijn beleid. Is die mogelijkheid dan afgesneden, ook al wordt gesteld, dat er geen plicht is? Het lijkt mij toe, dat een gedeputeerde, die brandt van verlangen om verantwoording te doen, dat ook doen mag en vermoedelijk dan ook gemakkelijker en openlijker doen zal dan als hem zulks wordt opgelegd.

Ik heb te dien opzichte ook wel enige ervaring, wanneer men verantwoording vraagt over een zaak, 'die men liever niet bloot geeft, en daarom meen ik, dat de voorgestelde plicht niet leiden zal tot hetgeen wij misschien wel 'graag zouden willen hebben en wat een lid van Gedeputeerde Staten misschien graag zou willen doen. Mijnheer de voorzitter. De minister lijkt mij wel wat aarzelend inzake de beslissingen in

administratief beroep,

maar sluit de verantwoordingsplicht ook daarvoor niet uit. - Verder verwijst de minister wel naar de mogelijkheid, dat een minister ter zake door de Staten-Generaal ter verantwoording kan worden geroepen, maar ik meen, dat een dergelijke vergelijking niet opgaat. Ik meen, dat het mank gaat, omdat de verhoudingen zo anders liggen in de Staten-Generaal dan tussen de Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten. Het gaat niet mank, omdat de minister niet voor God verantwoordelijk zou zijn, maar wel omdat de minister tegenover de Staten-Generaal toch wel geheel anders staat dan een gedeputeerde tegenover de Provinciale Staten. Die Provinciale Staten mogen wij toch niet beschouwen als de vertegenwoordi­ gers en de Gedeputeerde Staten als de regering. Helaas konstateer ik daaromtrent wel verwarring In de begrippen. Verder zullen de Provinciale Staten altijd mogelijkheid hebben een mandaat bij de aftreding niet te verlengen. Daarom acht ik de gekozen motieven ter verdediging van de aangebrachte wijziging niet gelukkig. Al verwacht ik, dat de praktijk ten slotte wel enig licht zal geven wat als „openbaar belang" is aan te merken en wat als weigermgsgrond voor het geven van verantwoording kan strekken, vrees ik toch, dat er ook wel moeilijkheden uit die omschrijving kunnen rijzen. Het lijkt mij een begrip, dat niet vast is en dat door de één anders kan worden beoordeeld dan door de ander. Moet niet worden aangenomen, dat, als de Provinciale Staten een gedeputeerde of Gedeputeerde Staten ter verantwoording roepen over een kwestie, zij steeds zullen menen dat juist het i

openbaar belang

die verantwoording vordert? Hoe zullen Gedeputeerde Staten die mening kunnen weerleggen dan door als het ware een verantwoording te doen, althans zeker opening van zaken te geven? Moeten zij dan eerst in een geheime vergadering dat doen? Of moeten de Provinciale Staten dat maar op hun woorden geloven? Zal het het vragen van verantwoording niet juist Inhouden, dat het vertrouwen is geschokt?

Zo kan Ik mogelijk doorgaan met vragen, maar ik meen reeds genoegzaam te hebben aangetoond, dat In die bewoording wel een bron van moeilijkheden kan schuilen. Daarom acht ik het beter een andere omschrijving te zoeken voor de noodzaak om geen volledige opening te moeten geven. Daarbij denk ik aan de belangen van land en provincie en het belang van de betrokkene.

Wel wU ik toestemmen, dat elke omschrijving zijn vraagpunten zal medebrengen, maar de aanduiding „openbaar belang" acht ik toch wel vele vraagpunten bevattend. En nu mag de minister zich beroepen op de zo hooggeroemde demokratische bepalingen, maar wij zien wel door het wereldgebeuren wat er van al die soort verwachtingen komt. Indien de Staten zich wenden tot Gedeputeerde Staten, zullen ook zij dat doen In naam van die demokratische bepalingen en zullen zij in die naam verantwoording gaan eisen, stellende, dat de demokratische bepalingen het openbaar belang dienen. Dat alles noopt mij te verklaren ernstige bezwaren te hebben tegen de nu

uitgebreide

verantwoordingsplicht van Gedeputeerde Staten aan de Provinciale Staten. Die bezwaren samenvattend, zou Ik willen opmerken, dat zij Inhouden, dat:

a. de verantwoordingpslicht aan een zogenaamde vertegenwoordiging van het volk wordt opgelegd, terwijl het gezag, dat geoefend wordt in de taken, waarvoor in het advies-Prinsen geen verantwoording verschuldigd was aan de Provinciale Staten, niet van de Staten, maar van God afstraalt; b. er vele praktische moeilijkheden uit zullen voortvloeien; c. het niet opleggen van een plicht nog niet de mogelijkheid uitsluit.

Wordt dit ontwerp wet, dan zullen ons land en ons volk afscheid moeten nemen van een regeling, welke lang heeft gewerkt. Het bestuurlijke jasje was voor de provincies wat klein om zich goed te kunnen bewegen, alhoewel het veel is meegevallen en er veel, ondanks dat, door de provinciale besturen is tot stsind gebracht. Er is voorzichtigheid nodig, opdat wij, menende, dat het jasje nu te klein was, niet vervallen in de fout van een zo ruime kleding en inkleding, dat die wel oorzaken van meer belemmeringen dan het nu te enge zouden kunnen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1961

De Banier | 8 Pagina's

DE PROVINCIEWET

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken