Bekijk het origineel

Het 400-jarig bestaan van de Nederlandse Geloofsbelijdenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het 400-jarig bestaan van de Nederlandse Geloofsbelijdenis

9 minuten leestijd

De brief aan Filips II.

II.

In het laatste gedeelte van de eerste helft van de brief, welke Guido de Brés en de zijnen tegelijk met de Geloofsbelijdenis aan Filips II deden toekomen, wezen zij er op, dat zij niet alleen werden vervolgd, omdat zij als vijanden van 's konings regering en de algettnene welvaart werden voorgesteld, maar ook als vijanden van God en Zijn kerk. Dat dit een door en door valse voorstelling was, kon de koning uit de geloofsbelijdenis overduidelijk blijken. Hierop werd door hen in het vervolg van hun brief de aandacht des konings gevestigd. Zij schreven:

I n dit opzicht bidden wij u ootmoedig, onze zaak vooral te beoordelen naar de geloofsbelijdenis, die wij u aanbieden, en verkaren ons bereid, indien dit nodig is, die met ons eigen bloed te bezegelen. Daardoor, zoals wij hopen, zult gij bekennen, dat men ons ten onrechte scheurmakers, ongehoorzamen en ketters noemt, aangezien wij belijden en voorstaan niet alleen de voornaamste punten van het christelijk geloof, vervat in het symbolum en algemeen geloof, maar de gehele leer, door Jezus Christus tot ons leven, rechtvaardigheid en zaligheid ons geopenbaard, verkondigd door de evangelisten en apostelen, bezegeld door het bloed van zo vele marte- laren, zuiver en ongeschonclen bewaard in de eerste gemeenten, totdat zij door de onwetendheid, hebzucht en eerzucht der priesters, door menselijke zonden en instellingen, In strijd met de reinheid van het Evangelie, werden bedorven. Onze tegenpartij ders loochenen onbeschaamd, dat dit een kracht van God is tot zaligheid voor ieder die gelooft, terwijl zij ons veroordelen en vermoorden, octidat wij ons niet houden aan wat er niet in gevonden wordt. Zij kunnen zich ook later jegens de Heilige Geest niet verontschuldigen, wanneer zij zeggen, dat alle schatten der wijsheid Gods en de middelen, overvloedig en genoegzaam tot onze zaligheid, in het Oude en Nieuwe Testament niet vervat zijn, en beweren dat hunne verzinselen nodig zijn, en zeggen, dat hij vervloekt is, en de menselijke samenleving onwaardig, en niets anders waardig dan met lichaam en ziel in de afgrond te worden geworpen, die deze niet in zulke hoge waarde houdt en nog hoger schat dan het Evangelie. De zwakheid van ons vlees heeft zich door deze woorden laten verschrikken en door de bedreigingen van hen, die de macht hebben ons te verderven; maar aan de andere kant luisteren wij naar wat de apostel zegt: „Doch al ware het ook, dat er een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt". Wij horen naar St. Johannes, die zijn profetie met deze woorden besluit: „Indien iemand tot deze dingen toedoet. God zal over hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn".

In één woord, wij zien, dat ons bevolen wordt het Woord Gods alleen te volgen, en niet wat ons goed dunkt, met het verbod van iets bij te doen of af te doen van de bevelen van God. Jezus Christus zegt ons, dat Hij ons bekend maakt wat Hij van Zijn Vader gehoord heeft. En zo Hij al, wegens de zwakheid der apostelen, hun iets verzwegen heeft, zo beloofde Hij nochtans, door de Heilige Geest, Die Hij hun zenden zou, dat hun te openbaren, en wij zijn verzekerd, dat Hij, aangezien Hij de Waarheid Zelf is, Zijn belofte aan hen heeft gehouden. Tengevolge daarvan zijn de verborgenheden, vervat in het Evangelie en de geschriften der apostelen, geschreven volgens de genoemde belofte en het ontvangen van de Heilige Geest. Hieruit blijkt, dat zij de plaats van de evangelist misbruiken, die door het woord verborgen, wat de apostelen nog niet konden dragen, hun plechtigheden en doelloze bijgelovigheden verstaan, in strijd met Gods Woord.

Wij wenden ons dus tot u, en het zou ons gemakkelijk vallen alles door de getuigenissen der Heilige Schrift te bewijzen, indien wij niet vreesden, dat wij, aangezien wij ons tot beknoptheid gedrongen gevoelen, zoals dat in een brief behoort, uwe majesteit lastig zouden vallen. Wij bidden u dus ootmoedig in de Naam van Hem, " Die u gesteld heeft en staande houdt in uw koninkrijk, niet toe te laten, dat zij, die door geldzucht, eerzucht en andere boze drijfveren geleid worden, uw arm, gezag en macht, aanwenden, om naar hun begeerten te handelen en zich te verzadigen met het bloed van uw onderdanen, waarbij zij de goede ijver onderdrukken der godsvrucht en godzaligheid, onder voorgeven van oproer, afwijking, ergernis en andere beschuldigingen, waarmede zij ons tegen u opruien. Maar och, helaas, genadigste heer, denk er aan, dat het nooit anders was of de wereld heeft het licht gehaat of is tegen de waarheid opgestaan. Zou Intussen hij, die het woord der waarheid, in de mond heeft, oproerig zijn, omdat de lieden zich daartegen verklaren? Integendeel, het oproer en de ergernissen moet men toeschrijven aan de onverzoenlijke vijand van God en de mensen, aan de duivel, die, om zijn macht niet te verliezen, welke bestaat in afgoderij, valse godsdienst, hoererijen en andere talloze zonden, die door het Evangelie veroordeeld v/orden, zich te weer stelt en verheft om de voortgang van het Evangelie te stuiten. Hierbij moet men nog voegen de ondankbaarheid der wereld, die, in plaats van met dankbaarheid het woord van hun Meester, Herder en God te ontvangen, zich daartegen verzetten en zich met niets anders verontschuldigen, dan met de langdurigheid van tijd, waarin zij in hun dwaling hebben geleefd, die zich door dit middel verklaren tegen Hem, Die de wereld en de eeuwen gemaakt heeft en voor Wie alle dingen tegenwoordig zijn.

Het komt u toe, genadigste heer, kennis van deze zaken te nemen, ten einde u tegen de dwalingen te verklaren, hoe diep zij ook door verloop van tijd zijn ingeworteld en de onschuld van hen te beschermen, die tot heden in het recht meer verdrukt dan verhoord worden.

Alzo, de Heere zegene u en beware u, de Heere late Zijn aangezicht over u schijnen en bescherme en onderhoude u in alle voorspoed. Amen.

Hoe straalt in deze brief uit het geloof en de geloofsmoed van de mannen, die hem samen stelden. Dit klemt temeer als we bedenken in welk een tijd zij dit deden, namelijk toen Rome schier oppermachtig was en de inquisitie fel woedde tegen allen, die er in woord of geschrift blijk van gaven, dat zij de leer der Hervorming waren toegedaan of die men hiervan slechts verdacht.

Die mannen waren er met zovele anderen van overtuigd, dat het in het konflikt met Rome maar niet om enkele misverstanden ging, maar om kardinale punten der waarheid. Dat is in onze tijd anders. Sedert de laatste wereldoorlog voeren protestanten, onder wie ook gereformeerde hoogleraren en predikanten, met rooms-katholieke hogere en lagere geestelijken gesprekken, waarbij het woord misverstanden werd ingevoerd. Arme Luther, arme Calvijn, arme Guido de Brés, ze hebben blijkbaar van Rome's leer niets begrepen. Ze zijn de slachtoffers geworden van misverstanden. Althans volgens de hedendaagse gesprekvoerders met Rome.

Zo is het echter niet. Luther, Oalvijn, Guido de Brés en zo vele anderen, die met hen één waren in het allerheiligst geloof, waardoor de zondaar gerechtvaardigd wordt zonder de werken der wet, kenden Rome's leerstellingen maar al te goed. Zij hadden ze, door Goddelijke genade bearbeid, getoetst aan Gods Woord en bevonden, dat ze daarmede in flagrante strijd waren. Daarom konden ze het in de kerk van Rome niet langer uithouden, er van overtuigd zijnde, dat zij daarin van Godswege niet langer mochten blijven, ook al stonden hen de vreselijkste mishandelingen en folteringen, schavot en brandstapel te wachten. Zo geheel terecht schrijft de heer K. Sluys in zijn in 1959 uitgegeven boek „Het wonder van Boechout" op blz. 83: „Er is hier geen sprake van „misverstanden", maar van een radikale tegenstelling tussen hen, die gehoorzaam willen buigen voor hetgeen God ons in Zijn Woord voor ogen houdt en hen, die een aards koninkrijk aanhangen, het schepsel de eer gevende, die alleen God toekomt", om dan hierop te laten volgen:

„De dwaling is bij Rome scherp en duidelijk afgetekend en het is de onvergankelijke verdienste van de Hervormers, dat zij de strijd tegen de dwaling hebben aangebonden. Zij hebben niet gesproken over „misverstanden", die waren er nog bovendien.-Zij hebben gesproken van dwaling, van valse leer, van afgoderij. En daartegen hebben zij zich, op grond van hun goddelijk getuigenis, verzet met al de kracht die in hen was".

Tot zover de heer Sluys, die in Belgisch Vlaanderen zulk een zware strijd heeft te voeren en zulk een sterke tegenstand van Rome ondervindt. In hetzelfde Vlaanderen, dat zovele geloofshelden heeft voortgebracht, zoals o.m. Guido de Brés en Petrus Datheen. Welk een hemelsbreed verschil vertonen deze mannen met zovele protestanten, zelfs izich gereformeerd noemende protestanten, van onze tijd. Terwijl Rome niets van zijn valse leerstellingen heeft prijs gegeven, houden predikanten met paters zogenaaimde oekumenische bijeenkomsten, richten zij z.g. liefdemaaltijden aan voor protestanten en rooms-katholieken, zoals in Den Haag en te Zwolle dit jaar plaats vond. Te Zwolle zelfs in de aula van het Dominicanenklooster, die met luchters en bloemen versierd was. Priesters, predikanten, monniken en nonnen zaten om lange, witgedekte tafels, waarop karaffen met rode wijn, brood en melk. Een pater besloot zijn toespraak met de vurige vens, dat er volgend jaar één kerkelijke pinksterviering mogelijk zal zijn. En de gereformeerde predikant deed voor hem niet onder. Zo roept, aldus zei hij, dit pinkstermaal ook het heimwee wakker naar het Avondmaal en naar zijn vervulling in het Koninkrijk Gods. Vermelden wij tenslotte nog, dat volgens de pers op Hervormingsavond, 31 oktober 1.1., in de hervormde kerk te Voorschoten pater Jelsma het woord zou voeren over het onderwerp: „Wat heeft de Reformatie ons te zeggen". In deze bijeenkomst zou de leiding berusten bij de gereformeerde predikant ter plaatse. Ds. Smit, terwijl ook Ds. van Andel, Ned. Herv. predikant te Den Haag, er het woord zou voeren.

De hier genoemde en nog zovele andere niet genoemde feiten wijzen op het steeds dieper wordend verval van het protestantisme, op het steeds meer ontgroeien aan de leer der Reformatie, waarvoor zo vele oude gereformeerden, onder wie Guido de Brés, de opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en van de brief aan de koning van Spanje, hun leven hebben opgeofferd. Guido de Brés toch heeft nog maar kort na 1561 geleefd. Ofschoon hij op 28 maart 1567 door de vlucht aan zijn vervolgers ontkwam, werd hij kort daarop met zijn deelgenoot Ds. Peregrin de la Grange door verraad gegrepen. Beiden ondergingen op 31 mei 1567 door ophanging en wurging de marteldood.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1961

De Banier | 8 Pagina's

Het 400-jarig bestaan van de Nederlandse Geloofsbelijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken