Bekijk het origineel

Algemene financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1962

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Algemene financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1962

18 minuten leestijd

Rede van Ir. van Dis

De vorige week hield de Tweede Kamer haar algemene financiële beschouwingen over de rijksbegroting voor 1962. Een achttal sprekers voerden daarbij het woord; namens de S.G.P.-fraktie werd dit gedaan door Ir. van Dis. Bij deze beschouwingen kreeg de minister van financiën. Prof. Zijlstra, vrij scherpe kritiek te horen. Deze was voornamelijk gericht op het regeringsvoorstel olm de vennootschapsbelasting per 1 januari 1963 naast een toe te passen verlaging, welke reeds lang was toegezegd, tevens weer met de helft van deze verlaging te verhogen, en voorts op het leggen van een bijzonder invoerrecht op minerale oliën, waardoor het bedrijfsleven (dus niet de partikulieren) een nieuwe last zou worden opgelegd. Minister Zijlstra kreeg daarbij ook de frakties der K.V.P. en V.V.D. tegen zich, wat zich vooral toespitste bij de behandeling der desbetreffende belastingvoorstellen. Deze behandeling vond niet tegelijk met de algemene financiële beschouwingen plaats, hoewel toen ook al reeds bleek, dat men over deze voorstellen niet te spreken was, behalve de P.v.dA..fraktie, die als naar gewoonte zich met de voorgestelde belastingverhogingen wel verenigen kon. Op de beraadslagingen over de belastingvoorstellen komen wij echter D.V. de volgende week nader terug. Thans laten wij de rede volgen, welke Ir. van Dis bij de algemene financiële beschouwingen uitsprak, waaruit de lezer kan zien, dat ook de S.G.P. zich met de voorgestelde belastingvoorstellen niet kon verenigen, doch in plaats daarvan op ingrijpende verlaging der hooggeklommen staatsuitgaven aandrong.

Ir. van Dis sprak als volgt:

Mijnheer de voorzitter!

In de aanvang van de nota betreffende de toestand van 's rijks financiën, behorende bij de ontwerpbegroting voor 1962, wordt opgemerkt, dat het ekonomisch leven na de recessie van enkele jaren geleden zich onafgebroken in opgaande lijn heeft bewogen. Met de minister achten wij dit een heuglijk feit, want het houdt onder meer in, dat het niet aan werkgelegenheid ontbrak, dat de produktie een stijgende lijn vertoonde, dat het prijspeil vrijwel stabiel bleef en dat de betalingsbalans een gunstige ontwikkeling vertoonde. Hoewel wij erkennen, dat een toestand van volle werkgelegenheid zeer zeker ook zijn nadelige kanten heeft, is het optreden van werkloosheid toch een uiterst onaangename zaak. Onaangenaam voor de werkgevers, die hun orders zien verminderen en arbeiders moeten ontslaan, onaangenaam voor de arbeiders zelf, die door ontslag worden getroffen, als ook onaangenaam voor de middenstanders, wier omzet daardoor nadelig wordt beïnvloed. De dertiger jaren hebben ons doen ervaren, wat het zeggen wil, wanneer een volk door grote werkloosheid wordt getroffen. Vele tienduizenden arbeiders waren toen op de steun van overheidswege aangewezen, hetgeen van de rijkskas jaarlijks honderden miljoenen vergde. Ook enkele jaren geleden, al was toen de werkloosheid lang niet te vergelijken met die in de dertiger jaren, werd door tal van arbeiders en hun gezinnen ondervonden, wat het voor hen betekende, toen tengevolge van de

bestedingsbeperkende

maatregelen de werkgelegenheid belangrijk verminderde. Het zou dan ook wel een grote tegenslag zijn, wanneer de regering andermaal tot een zodanige beperking der bestedingen zou moeten overgaan, dat velen daardoor werkloos zouden worden. Toch doen zich tekenen voor, welke tot gevolg kunnen hebben, dat er een omkeer plaats vindt in de huidige toestand van vrij algemene welvaart. In de troonrede werd hierop reeds de aandacht gevestigd.

Daarin werd o.m. gewezen op de vertraging In het groeitempo van de produktie, doordat in vele sektoren van de ekonottnle de kapaciteitsgrenzen zijn bereikt. Voorts op d/e toenemende birmenlandse bestedingen in die mate, dat die de toenemende nationale middelen overtreffen, waardoor de prijzen omhoog dreigen te gaan en de invoer dreigt te vermeerderen, waardoor het saldo op de betalingsbalans zal verminderen.

Inderdaad geeft het saldo der betalingsbalans in vergelijking met vorige jaren een sterke vermindering te zien. Bedroeg dit saldo in 1958 rond ƒ 1600 mUjoen en in 1960 nog ruim ƒ 1 miljard, voor 1961 wordt een terugloop verwacht tot ƒ 600 miljoen en voor 1962 zelfs tot ƒ 450 miljoen. Indien deze verwachting wordt bewaarheid, zal het saldo van de betalingsbalans in 1962 dus dalen beneden het bedrag, dat voorheen en ook nu in de memorie van antwoord als wenselijk is aangegeven. In de mUj oenennota behorende bij de ontwerpbegroting voor 1959 werd namelijk dienaangaande vermeld, dat onder normale konjunkturele omstandigheden op de lopende rekening van de

betalingsbalans

jaarlijks een overschot van ongeveer ƒ 500 miljoen wenselijk is. In de memorie van antwoord bij deze ontwerpbegroting wordt een bedrag van ƒ 500 a ƒ 600 miljoen genoemd. Voorts werd voor de voorraadvorming als normaal gemiddelde opgegeven ƒ 500 a ƒ 600 miljoen. In 1960 echter bedroeg de voorraadvorming volgens de miljoenennota reeds ƒ 1500 mUjoen, dus twee en een half maal zoveel als normaal wenselijk. Voor 1961 wordt volgens genoemde nota de voorraadvorming op een even groot bedrag geschat. Hoe zal het echter aan het einde van 1962 met de voorraadvorming er voor staan? In de miljoenennota wordt op blz. 6 de verwachting uitgesproken, dat zij ten opzichte van 1961 enkele honderden miljoenen geringer zal zijn. Het Centraal Planbureau gaat er zelfs van uit, dat de voorraadvorming in 1962 met ƒ 400 miljoen tot ƒ 1100 miljoen zal dalen. Dit hangt o.i. echter nog geheel in de lucht. Het is menigmaal gebleken, dat van gemaakte berekeningen niets uitkomt, vooral waar wij hier ook te maken hebben met internationale toestanden, die voortdurend aan veranderingen onderhevig zijn. Ook hierop zijn van toepassing de woorden, dat de mens wikt, maar dat God beschikt. Wij zijn in dit alles

diep afhankelijk

van Hem, Die alle dingen, ook het ekonomisch bestel, naar Zijn wil bestuurt.

De minister merkt dan ook zeer terecht in zijn slotbeschouwing op blz. 49 van de miljoenennota op, dat uit een vergelijking van de thans berekende uitkomst met de verwachtingen daaromtrent van vorig jaar blijkt hoe een aanvankelijk gunstig beeld in het tegendeel kan omslaan. Indien dan ook de voorraadvorming in 1962 niet volgens de verwachting zal verminderen, maar integendeel wat niet onmogelijk is zal vermeerderen, dan zal het overschot op de betalingsbalans tot beneden, zelfs ver beneden het minimum kunnen dalen. In industriële kringen ziet men het verloop van de betalingsbalans dan ook met enige zorg tegemoet. Dit blijkt o.m. uit het orgaan van het Centraal Sociaal Werkgeversverbond van 16 september 1961, waarin tevens enkele oorzaken worden genoemd, welke tot vermindering van het saldo op de betalingsbalans hebben bijgedragen. Gewezen wordt daarbij op het uitputten van de kapaciteitsreserves, waardoor de groei van de export verminderde en de invoer toenam.

Voorts op de plaats gehad hebbende revaluatie van de gulden, waardoor de exportremmende en de importverminderende krachten werden versterkt. Vooral echter werd in genoejmd werkgeversorgaa, n de versnelde doorvoering van de

arbeidstijdverkorting

als zeer ongunstig voor de positie van de betalingsbalans geacht, daar de omvang der produktie hierdoor in nadelige zin is beïnvloed. Wanneer het dan ook zou gebeuren, dat het saldo van de betalingsbalans sterk zou verminderen, valt heel de theoretisch opgezette berekening als een kaartenhuis ineen en zullen er, evenals in 1957, maatregelen moeten worden genomen.

Ook volgens de miljoenennota voor 1962 valt een voortduren, zo niet vergroten van de spanningen te voorzien. Het grote tekort aan arbeidskrachten zal zich blijven doen gevoelen, terwijl de toeneming der produktie, die op 4% wordt geschat, wederom zal achterblijven bij de toeneming der bestedingen. Er zal derhalve niet genoeg kunnen worden geproduceerd om aan de vraag te voldoen. Hier wreekt zich het sedert jaren gevoerde emigratiebeleid der regering, waardoor tal van goede krachten aan het produktieproces hier te lande werden onttrokken. Het emigratiebeleid behoort wel allereerst thuis bij de minister van sociale zaken, maar ook de minister van financiën is er ten nauwste bij betrokken. Wij doen dan ook een beroep op hem, er toe mede te werken, dat het huidige emigratiebeleid wordt gestaakt, en wel in dier voege, dat er van regeringswege geen propaganda meer voor emigratie zal worden gemaakt, en voorts dat het emigreren niet langer meer met gelden uit de staatskas woi'dt gesteund. Wanneer de regering — en daarbij denken wij ook aan vorige kabinetten — zich nimmer met de emigratie had ingelaten, zouden daarmede honderden miljoenen zijn bespaard. Ook nu weer wordt op de begroting een bedrag van bijna ƒ 23 miljoen uitgetrokken ten behoeve van de emigratie.

Voorts achten wij het met het oog op de zo noodzakelijke verhoging der produktiviteit van het allergrootste belang, dat het bedrijfsleven in staat wordt gesteld, behoorlijk te investeren. Het zijn toch juist de produktlviteitvergrotende

investeringen,

die vrijwel de enige mogelijkheid vormen de konkurrentiepositie tegenover het buitenland te kunnen handhaven. Vooral nu onder de druk van het tekort aan arbeidskrachten de produfctiekosten de neiging hebben sterker de stijgen dan de produktiviteit, komt het ons noodzakelijk voor, dat de investeringen niet worden beperkt, zoals steeds door de P.v.d.A. werd bepleit, en ook thans weer bepleit wordt.

Met de minister zijn wij het dan ook eens, wanneer door hem in de memorie van antwoord, op blz. 2 wordt opgemerkt, dat het niet mogelijk is een voor alle tijden geldende stringente grens te stellen ten aanzien van de investeringen, die nodig is zowel voor het verschaffen van nieuwe werkgelegenheid als voor het verhogen der produktiviteit. Hiermede willen wij niet beweren, dat aan de investeringen nimmer enige beperking mag worden opgelegd, maar wel dat dit pas in de uiterste noodzaak moet plaats hebben, waarbij dan terdege onderscheid moet worden gemaakt tussen produktieve en niet-produktieve investeringen. Mijnheer de voorzitter. Een ander zeer belangrijk onderwerp, waarover ons in de miljoenennota series van cijfers worden verstrekt, heeft betrekking op de staatsuitgaven. Uit de verstrekte cijfers blijkt, dat deze uitgaven wel een

zeer formidabele

hoogte hebben bereikt. Om maar niet te lang stil te staan bij 1864, toen de totale rijksuitgaven ƒ 100 miljoen bedroegen, waarvan slechts ƒ 1 miljoen voor buitenlandse zaken, ƒ 1 miljoen voor onderwijs en ƒ 20 miljoen voor defensie waren uitgetrokken, zullen wij ons bepalen tot het jaar 1938, en voorts tot de jaren van na de oorlog.

Wij zien dan, dat de uitgaven van 1938 ruim honderd maal zo groot zijn als die van 1864 en ruim ƒ 1 miljard bedragen. In 1946 stegen zij tot ruim ƒ 4, 5 miljard, om daarna voortdurend te stijgen, zodat 1952 een uitgavencijfer te zien gaf van ƒ 5, 8 miljard; 1954 van cirka ƒ 7, 5 miljard; 1955 van bijna ƒ 8, 5 miljard; 1956 van ƒ 9, 1 miljard. In de jaren 1957 en 1958 had er slechts een geringe stijging plaats tengevolge van de ingetreden recessie en de daaruit voortvloeiende bestedingsbeperkende maatregelen, maar niet zodra was er in de ekonomische toestand een verbetering opgetreden, of de uitgaven liepen weer sterk omhoog. Volgens de miljoenennota bedroegen zij voor 1960 bijna ƒ 9, 5 miljard en zullen zij in werkelijkheid voor 1961 volgens de vermoedelijke uitkomsten cirka

11, 7 miljard gulden

belopen, dat is dus ƒ 1, 7 miljard meer dan verleden jaar voor 1961 was geraamd. Dit wil dus zeggen, dat er een stijging van met 17% heeft plaats gevonden. Plaatsen wij daartegenover de ontvangsten, dan zien wij, dat deze tengevolge van het zwaarder worden der belastingdruk en het uitstel van de verlaging van de loon- en inkomstenbelasting stegen van ƒ 9, 4 tot ƒ 10, 1 miljard, wat neerkomt op een stijging van 8%. De stijging van de uitgaven overtreft derhalve die der ontvangsten in niet geringe mate. Ziende op de hoge staatsuitgaven kunnen wij niet nalaten om evenals in vorige jaren ook thans wederom op ingrijpende verlaging daarvan aan te dringen. Die hoge staatsuitgaven toch zijn er de oorzaak van, dat de

belastingen

zulk een zware druk op de bevolking leggen, hoger zelfs dan in andere landen van Europa. Dit geldt vooral voor de belasttag op de lagere inkomens en de inkomens van de middengroepen, die door de progressie wel bijzonder zwaar worden getroffen.

Bij de wet van 28 december 1960 werd een verlaging van de loonen inkomstenbelasting in het vooruitzicht gesteld. Hiervan is echter nog niets gekomen. Ook zal deze verlaging nog niet op 1 januari 1962 ingaan; de regering acht het met het oog op de kunjunktuur niet raadzaam de verlaging der belasting op 1 januari a.s. te doen ingaan. Zij is voornemens, dit met ingang van 1 juli 1962 te doen, wat ongetwijfeld voor de belastingbetalers een zeer grote teleurstelling is. Dit klemt te meer, omdat het bij deze verlaging in het wezen van de zaak om geen eigenlijke verlaging van belasting gaat. In het orgaan van de Algemene Rooms- Katholieke Werkgeversvereniging, gedateerd 21 oktober 1961, werd hierop nog eens de aandacht gevestigd. Daarbij werd zelfs met het oog op de door de regering aangekondigde verlaging der loon- en inkomstenbelasting per 1 juli 1962 gesproken van een groot misverstand. Het gaat namelijk bij deze dusgenaamde verlaging van loonen inkomstenbelasting slechts om een korrektie in verband met de sluipende inflatie. Het zou daarom zeer aan te bevelen zijn, wanneer de belastingtarieven automatisch werden aangepast aan de koopkracht van de gulden.

Een andere teleurstelling betreft de naamloze vennootschappen. De hieraantoegeziegde belastingverlaging zal eerst met Ingang van 1 januari 1963 ingaan, met een gelijktijdige verhoging, die de verlaging voor de helft ongedaan maakt. Voorts zal het bedrijfsleven zwaarder worden belast door het heffen van een bijzonder invoerrecht op

minerale oliën.

De beide laatstgenoemde verhogingen acht de regering noodzakelijk met het oog op het vervallen van de Amerikaanse hulp ten behoeve van de defensie, zodat hiervoor ƒ 135 miljoen nodig is. Wij achten de uitgaven ten behoeve van de defensie noodzakelijk, en willen daarop ook niets afdingen. Wel echter zijn wij van oordeel, dat deze meerdere uitgaven op een andere manier behoren te worden gedekt dan door het bedrijfsleven, dat toch al zulke hoge lasten en belastingen heeft op te brengen, nog weer zwaarder te gaan belasten. Ten eersite niet, omdat de defensie een nationale aangelegenheid is, en ten tweede, omdat wij van gevoelen zijn, dat het bedrag, waarover het hierbij gaat, door beperking der staatsuitgaven behoort te worden gevonden. Het is toch al zover gekomen, dat de belastingen, die In 1958 nog 24, 8% van het nationale inkomen uitmaakten, thans reeds 27, 3% hiervan uitimaken. Van elke gulden, die door een Nederlander wordt verdiend, moet hij alzo 27, 3 cent aan belasting uitgeven. Wij zijn hiermede weer terug gevallen op het jaar 1952, toen de socialisten deel van de regering uitmaakten, en een socialist minister van financiën was. Bezien wij de staatsuitgaven voor 1961 in verhouding tot het

nationale inkomen,

öan is te duchten, dat niet zal Worden voldaan aan de norm, welke de minister verleden jaar heeft gesteld. De norm namelijk, dat in een hoogkonjunktuur de stijging van de staatsuitgaven behoort achter te blijven bij die van het nationale inkomen. Volgens tabel II-2, op blz. 11 der miljoenennota bedragen toch de uitgaven op de oorspronkelijk vastgestelde begroting 1961, na aftrek van een aantal posten, ƒ 9038 miljoen en op de ontwerpbegroting 1962 ƒ 9818 miljoen, wat neerkomt op een stijging van ƒ 780 miljoen of cirka 8, 5%.

Het nationale inkomen daarentegen geeft slechts een stijging van 4%, zodat de stijging der uitgaven dubbel zo groot is als die van het nationale inkomen, terwijl zij volgens de door de minister gestelde norm kleiner zou moeten zijn. Door mij is bij deze berekening rekening gehouden met de zeer wel mogelijke en zelfs zeer waarschijnlijke verhoging der ambtenarensalarissen in 1962, waarvoor in de miljoenennota een bedrag van ƒ 200 miljoen is gesteld. De minister heeft die ƒ 200 miljoen echter volgens verscheidenen, die zich hierover hebben uitgesproken, geheel ten onrechte, van het bedrag van ƒ 9818 miljoen afgetrokken, evenals de ƒ 135 miljoen ter verhoging van de defensie-uitgaven en komt zodoende op een bedrag van ƒ 9483 miljoen voor de uitgaven op de ontwerpbegroting 1962. Dat zou dus bij de oorspronkelijk vastgestelde begroting 1961 een stijging betekenen van ƒ 445 miljoen of bijna 5%, zodat ook in dit geval de door de minister gestelde norm wordt overschreden. Dit blijkt ook nog uit het feit, dat op blz. 12 van de miljoenennota wordt verklaard, dat in het kader van de prioriteitenanalyse relevante rijksuitgaven per jaar met ƒ 300 miljoen mogen toenemen. De toename der rijksuitgaven is echter ƒ 445 miljoen, zodat de door de minister zelf gekozen norm met bijna 50% wordt overschreden.

Mijnheer de voorzitter. In de miljoenennota wordt voorts opgemerkt, dat de opvattingen omtrent het huidige

uitgavenpeil

sterk uiteen lopen. Enerzijds — zo wordt vervolgd — wordt gepleit voor een drastische verlaging, anderzijds bestaat de mening, dat nieuwe taken ter hand dienen te worden genomen dan wel bestaande dienen te worden uitgebreid. Na wat door mij werd opgemerkt, zal het de minister wel duidelijk zijn, dat wij bij de eerste door hem genoemde kategorie behoren.

De staat bemoeit zich reeds veel te veel met allerlei zaken, waar hij zich beter buiten kon houden. Er worden dan ook meermalen klachten geuit over het dirigistische overheidsbeleid met het daaraan verbonden euvel der bureaukratie en het toepassen van staatsdwang op staatsdwang. Als gevolg hiervan is het aantal ambtenaren in enkele jaren tijds belangrijk gestegen. Volgens bijlage 9 bij de miljoenennota 1962 waren er op 31 januari 1959 114.417 ambtenaren; op de begroting 1961 worden 120.482 ambtenaren vermeld, dat is derhalve een stijging van 6.065 ambtenaren in enkele jaren tijd. Voor 1962 wordt het aantal op rond 122.000 geraamd, dus vergeleken bij 1961 wederom een stijging en wel van ruim 1500.

Mijnheer de voorzitter. Wij erkennen ten zeerste de grote waarde van goede ambtenaren. Wij achten hen onmisbaar voor het goed funktioneren van de diverse staatsdiensten. Dit neemt echter niet weg, dat er tegen gewaakt moet worden dat er een teveel aan ambtenaren komt. En dat niet alleen met het oog op de staatsuitgaven en de bureaukratie, maar ook met het oog op deze ambtenaren zelf. Het is toch zeer wel mogelijk, dat — wat ook door het Centraal Planbureau wordt gevreesd — de nu reeds bestaande spanningen nog in sterkere mate zullen gaan toenemen. Als dit gebeurt kan het ogenblik komen, dat de regering evenals enkele jaren geleden wederom bestedingsbeperkende maatregelen zal moeten nemen. Als dit gebeurt worden de ambtenaren, vooral de laatst aangestelden, niet ontzien. De ervaring heeft dit ruimschoots geleerd. Voor wie dit treft, is zulks hoogst onaangenaam. Het is dan ook mede met het oog hierop van belang, het aantal aanbtenaren zo beperkt mogelijk te houden.

Mijnheer de voorzitter. Zoeven werd door mij herinnerd aan de toestand van enkele jaren geleden, toen de regering overging tot het nemen van bestedingsbeperkende maatregelen. Bij de diskussie in 1957 over de desbetreffende nota werd door de partijen, waarop nu het huidige kabinet steunt, sterke kritiek uitgeoefend op het beleid van de toenmalige minister van financiën. Deze kritiek hield onder meer in, dat er wel op de bestedingen van anderen een sterke rem werd gelegd, maar dat de regering in gebreke bleef zelf daarbij het goede voorbeeld te geven. Wel had de minister een beperking der staatsuitgaven van ƒ 128 miljoen in het vooruitzicht gesteld, maar dit bedrag werd op een totaal budget van ƒ 6 miljard veel te weinig geacht.

Nu de uitgaven voor 1962 de ƒ 11 miljard zullen overschrijden, zijn wij van oordeel, dat al het nodige behoort te worden gedaan om aan die zucht tot verhoging der uitgaven paal en perk te stellen. De begroting van onderwijs, waarvoor de uitgaven voor 1962 op

2, 2 miljard

gulden zijn geraamd, geeft bijvoorbeeld reeds een stijging van ƒ 494 miljoen te zien in vergelijking met het oorspronkelijk vastgestelde bedrag voor 1961 en van ƒ 118 miljoen in vergelijking met de vermoedelijke uitkomsten van 1961. Op de begroting staat alleen al ten behoeve van de kunsten, waaronder toneel- en danskunst val­ len, een hogere uitgave voor 1962 van ongeveer ƒ 2, 5 miljoen. In de eerste plaats om principiële, maar ook om financiële redenen hebben wij daartegen zeer ernstige bezwaren.

Dit geldt ook voor de verhoging van de uitgaven ten behoeve van de televisie, waarvoor bijna 11 miljoen gulden meer is uitgetrokken en waarbij het ook een zaak betreft, waartegen zeer gewichtige principiële bedenkingen zijn in te brengen. Ook ten behoeve van de sport zijn de uitgaven wederom verhoogd. Daarbij komt, dat meermalen geklaagd wordt over veel te luxieuze gymnastieklokalen, waarop in deze Kamer onder anderen eens door de heer Janssen de aandacht van de regering werd gevestigd. Kortom, wij zijn van oordeel, dat er maar al te zeer van de

hoge boom

wordt geleefd, en dat tal van posten van de begroting zonder bezwaar zouden kunnen worden geschrapt en andere verlaagd, waardoor een zodanige bezuiniging zou kunnen worden verkregen, dat er geen nieuwe belastingen op het bedrijfsleven zouden behoeven te worden gelegd, en bestaande belastingen zouden kunnen worden verlaagd.

Wat tenslotte het totale tekort op de Gehele Dienst 1962 betreft, mijnheer de voorzitter, dit bedraagt 275 miljoen gulden, een bedrag, waarvoor de regering geen beroep op de k'apitaalmarkt behoeft te doen. Dit ziet er op het eerste oog nog niet zo ongunstig uit, vergeleken bij vroegere jaren. Wij betwijfelen echter sterk, of het bij die ƒ 275 mUj. zal blijven. Verleden jaar bedroeg het oorspronkelijke tekort op de voor 1961 ingediende begroting 194 miljoen gulden. Dit liep echter reeds spoedig op tot 577 müjoen gulden, en thans, zo wordt ons door de minister op blz. 13 van de miljoenennota medegedeeld, is het begrotingstekort over 1961 blijkens de voorlopige uitkomsten, reeds gestegen tot 1547 miljoen gulden. Het komt ons, met het oog op de gang van zaken, zoals deze zich in 1961 heeft ontwikkeld en welke door de minister teleurstellend wordt genoemd, voor, dat het met het thans voor 1962 geraamde tekort ook wel eens op een grote teleurstelling zou kunnen uitlopen, doordat het niet bij een tekort van ƒ 275 miljoen zal blijven, doch dat het werkelijke tekort het geraamde tekort verre zal blijken te overtreffen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1961

De Banier | 8 Pagina's

Algemene financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1962

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken