Bekijk het origineel

Begroting van Justitie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Begroting van Justitie

15 minuten leestijd

Modern strafrecht - Lektuur

Repliekrede van Ir. van Dis

Bij de replieken werden door Ir. van Dis ook enkele woorden gewijd aan wat zich kort geleden te Staphorst heeft voorgedaan. Zoals bekend kan worden geacht, hebben de dag- en weekbladen hierover in kleuren en geuren geschreven. Het ene blad wist het nogal fraaier en nogal sensationeler aan te kleden en aan te dikken dan het andere. Zelfs in de buitenlandse pers werd er aandacht aan geschonken, zodat Staphorst wellicht nog nimmer zo zeer in het middelpunt der nationale en internationale belangstelling heeft gestaan als thans.

Ook in de Tweede Kamer werd deze kwestie bij de behandeling van de justitiebegroting ter sprake gebracht en wel voornamelijk door Kamerleden van de V.V.D. en de P.v.d.A., al was er in het voorlopig verslag en in de memorie van antwoord niets van vermeld. Dit kon ook niet, omdat het zo ge­ noemde volksgericht plaats vond, nadat genoemde stukken reeds in druk verschenen waren. De heer Vrolijk van de P.vjd.A. vroeg aan de minister of deze reeds een onderzoek naar het gebeurde had doen instellen. En zo neen of de 'minister dit dan aisnog wHde doen en de Kamer van het resultaat hiervan op de hoogte wilde stellen. Voorts vroeg hij of de minister daarbij met name aandacht wilde schenken aan de houding van het politieapparaat ter plaatse en ook wUde mededelen of enigerlei strafvervolging ook zonder klacht reeds overwogen was. Namens de fraktie der V.V.D. voerde bij deze begroting de heer Mr. Berkhouwer het woord. Sprekend over de zaak-Staphorst noemde hij deze zeer weerzinwekkend om ze voorts te vergelijken met een middeleeuwse heksenjacht. Hierna vroeg hij de minister of het hem bekend was ter zake van wel- ke misdrijven of overtredingen hier een procesverbaal was opgemaakt en vervolgens of de minister wilde bevorderen, dat zou worden overgegaan tot een vervolging voor het kompetente gerecht, althans van de ergst schuldigen. Bij het beantwoorden der sprekers merkte de minister van justitie, de heer Beerman, op, dat hij de officier van justitie te Zwolle had verzocht hem te dezer zake een rapport te zenden. Men moest volgens hem echter wel rekening houden met de gesloten gemeenschap van Staphorst, die zich ten goede openbaart in de vorm van hulp bij ziekte, bij overlijden, intens medeleven bij bruiloften, en die zich ook dikwijls openbaart op een voor ons onaangename manier, wanneer de gemeenschap als censor morum optreedt. De minister deelde vervolgens mede de reaktie over Staphorst in een groot Engels blad, de „Sunday News" te hebben gelezen. Die reaktie had hem getroffen, olmdat deze welwillend was. Dit Engelse blad schreef namelijk, dat Staphorst er een bewijs van was, dat de partikuliere moraal niet geheel los stond van de publieke en dat het toch wel bepaalde voordelen had, gezien de achteruitgang van de publieke moraal, dat men trachtte de publieke moraal, die ten slotte toch ook afhankelijk is van de partikuliere moraal, te schragen. De minister besloot zijn antwoord in eerste termijn met op te merken, dat men over de juistheid van de methode, waarop dat in Staphorst is geschied, heel ernstig van mening kan verschillen. Het was te voorzien, dat dit antwoord van de minister tegenspraak zou uitlokken. De heer Vrolijk (P.v.d.A.) verklaarde, dat de minister het gebeurde te Staphorst had goed gepraat, wat echter door de minister bij interruptie werd ontkend. Voorts vroeg hij bij vernieuwing of de minister in overweging heeft of reeds in overweging heeft doen nemen het instellen van vervolging, ook wanneer er geen sprake zal zijn van klachten.

De heer Meulink (A.R.), kon zich daarentegen met het antwoord van de minister verenigen, al veroordeelde hij de wijze, waarop men in Staphorst had gereageerd op het schenden van huwelijkstrouw, waarover grote verontwaardiging bestond, wat door hem kon worden geapprecieerd.

De heer Berkhouwer (V.VD.) nam niet aan de replieken deel, wat nog niet wil zeggen, dat het antwoord van de minister hem bevredigd had.

Ir. van Dis drong evenals de heer Meulink op grote voorzichtigheid bij de minister aan. Hoewel enerzijds waardering uitsprekend, voor de gezonde opvattingen over het huwelijk bij de Staphorsters, was hij met de heer Meulink van oordeel, dat niet de juiste methode was gevolgd.

Minister Beerman verklaarde in zijn antwoord op de replieken, dat hij in geen enkel opzicht het gebeurde had goed gekeurd, doch wel de nadruk er op had gelegd, dat men bij een nuchtere beschouwing van dit geval ook rekening moest houden met de tradities en de verhoudingen in Staphorst. Voorts deed de minister nog enige mededelingen uit een voorlopig rapport omtrent het gebeurde van de officier van justitie te Zwolle. Hierin werd gewezen op de eigenaardige samenleving, op de sterke binding, die er nog is in de Staphorster gemeenschap. Voorts hierop, dat dit gebeurde wel uniek mag heten en dat de aanleiding is geweest eens zeer tragisch gebeuren in het desbetreffende gezin. Ook werd in dit voorlopige rapport nog vermeld, dat de strafrechtelijke aspekten van het geval nog nader zouden worden onderzocht en tenslotte, dat er vele verslagen van het gebeurde zijn, die een bepaald verwrongen beeld geven en te sensationeel zijn.

Bij de replieken deed voorts de heer Meulink (A.R.) een aanval op Ir. van Dis. Hij zeide zich er over te hebben verbaasd, dat deze zich zo kritisch had uitgelaten over het beleid van de minister wat betreft het vraagstuk der pornografie. Ieder had immers, aldus de heer Meulink, kunnen konstateren, dat juist onder deze minister de vervolging geïntensiveerd is. Hij was de minister daar dankbaar voor en hij begreep niet, dat de heer Van Dis voor deze vooruitgang geen oog had.

Ir. van Dis is in zijn repliekrede op deze aantijging van de heer Meulink ingegaan en heeft daarbij aangetoond dat de aanval van laatstgenoemde geheel misplaatst was. De heer Van Dis heeft toch in eerste instantie wel degelijk aan de hand van de memorie van antwoord naar voren gebracht, dat het politietoezicht op pornografische voortbrengselen verscherpt is en voorts ook gewezen op de kort geleden plaats gehad hebbende strafzaak met betrekking tot één der grootste Amsterdamse handelaren in pornografische geschrifjr ten en fiüns.

Dit werd alzo door de heer Van Dis allertminst verzwegen, maar waar hij tegen op kwam is, dat er zo ontzettend veel lektuur publiekelijk voor oud en jong te koop wordt aangeboden, waartegen de overheid niets doet, terwijl dit soort lektuur in zijn uitwerking en gevolgen nog veel schadelijker is, omdat iedereen zich die gemakkelijk verschaffen kan. Wat een op letterkundig gebied uiterst deskundig persoon aan Ir. van Dis onlangs deed toekomen was dermate zedenontaardend, dat het niet mogelijk is er ook maar iets van in het openbaar weer te geven. Vandaar dat geen naam en titel van het desbetreffende boek werd genoemd, ook al riepen verscheidene Kamerleden, vooral van de rechterzijde, luidkeels en onder luid gelach, dit wel te doen. Ons bleek de volgende dag in een gezelschap, dat er zijn, die zich aan dat lachen, terwijl het hier zulk een gewichtige zaak betrof, geërgerd hebben. Onder meer was het een doktor in de Nederlandse letteren, die geen lid der S.G.P. Is, maar notóhtans tenvolle instemde met wat door Ir. van Dis te dezer zaike was gezegd, die er zeer verstoord over was. Ook deelde hij ons mede, dat er van een bepaald boek van zedenkwetsend karakter, reeds 3, 5 miljoen exemplaren waren verkocht, terwijl van andere degelijke lektuur een kleine oplage slechts voor een klein deel kon worden afgezet.

Na deze inleiding laten wij thans de repliekrede volgen, terwijl de rede uitgesproken bij het tweede gedeelte der justitiebegroting D.V. de volgende week zal worden gegeven.

Ir. van Dis sprak als volgt:

Mijnheer de voorzitter.

Bij deze replieken wens ik over enkele onderwerpen, welke de minister in zijn rede te berde heeft gebracht, nog enkele opmerkingen te maken, o.m. ook over enige, waarop ik in eerste termijn wegens tijdgebrek niet kon ingaan. Allereerst viel het mij op, dat de minister zich aangaande mijn vraag naar zijn oordeel over het artikel van Prof. Gerbrandy in het „Nederlands Juristenblad" van 15 april 1.1. zich geheel op de vlakte heeft gehouden. Hij merkte op, dat in het „Nederlands Juristenblad" verschillende standpunten betreffende de krankzinnigenwet naar voren zijn gebracht en voorts dat het niet op zijn weg ligt, te zeggen wie het aan het rechte eind heeft. Dit antwoord, mijnheer de voorzitter, stelt mij werkelijk teleur. Wat toch kan er voor bezwaar tegen zijn, wanneer de minister als jurist zich uitspreekt over een juridisch betoog, dat voorkwam in een juristenblad.

Vervolgens, mijnheer de voorzitter, zou ik aangaande de maatregel, welke de minister voornemens is tot uitvoering te gaan brengen met het oog op het

grote tekort bij de rijkspolitie, n.l. het aanstellen van de IS-jarige, gaarne van de minister willen vernemen, of hij het in < Mt geval niet noodzakelijk acht, dat deze 18-jarigen zullen worden vrijgesteld van militaire dienst. Het is toch wel zeer bezwaarlijk, wanneer deze jongelieden midden in hun opleiding deze moeten onderbreken vanwege het vervullen van de militaire dienstplicht. Uit wat de minister in de memorie van antwoord mededeelt, valt echter af te leiden, dat de minister van defensie nog aUerminst bereid is, te dezer zake zijn medewerking te verlenen. Indien de minister van defensie op dit standpunt blijft staan, acht de minister het dan wel raadzaam om 18-jarlgen aan te stellen, nog afgedacht van de kwestie of het wel wenselijk is zulke jeugdigen van jaren aan te trekken? Zou het niet beter zijn om jongelieden te benoemen, die hun militaire dienstplicht reeds hebben vervuld? Een volgende opmerking betreft de veiUgheid van het verkeer. De cijfers tonen aan, dat daaraan nog maar al te veel ontbreekt. Minister Korthals heeft onlangs medegedeeld, dat het aantal slachtoffers, dat het leven laat bij een verkeersongeluk, dit jaar de 2000 wel zal overschrijden. In 1960 waren het er 1900, in 1959 1700. Het aantal ongevallen met dodelijke afloop neemt dus ondanks alle maatregelen niet af, maar toe. Het komt ons dan ook voor, dat het nodig is, zwaardere straffen te eisen, vooral ten aanzien van chauffeurs die in staat zijn van dronkenschap of 'in elk geval onder invloed van sterke drank blijken te zijn. Herhaaldelijk is onzerzijds bepleit, dat dergelijke chauffeurs het rijbewijs voor langere tijd moet worden ontnomen dan thans het geval is en dat, indien zich een herhaling voordoet, Ihet rijden met een motorvoertuig geheel moet worden ontzegd. Thans nog enkele opmerkingen over het

moderne strafrecht,

waarbij de delinkwenten een grote mate van vrijheid wordt verleend. Over dit strafrecht wordt door velen hoog opgegeven. Ook in de Kamer Is hieraan herhaaldelijk meegedaan. Zelfs hedenmiddag min of meer ook nog door de heer Roolvink, die verklaarde het moderne strafrecht te aanvaarden, al erkende hij, dat aan het experimenteren van psychiaters gevaren zijn verbonden. Nu, dat hebben wij hier te lande de laatste tijd genoegzaam ondervonden. Ik herinner slechts aan wat op Groot Baetelaar is gebeurd onder de vorige eerste geneesheer, aan het L.S.D.experiment, waardoor de heer Moraal in een zenuwinrichting terecht kwam. Voorts aan wat zich rondom deze zelfde inrichting afspeelde doordat de aldaar verpleegden een grote mate van vrijheid werd toegestaan, wat er boe leidde, dat er door de bewoners van de gemeente Ede steen en been werd geklaagd over de wandaden, door de losgelaten verpleegden bedreven. De vreselijke gevolgen van het geven van vrijheid aan verpleegden werden in juni van dit jaar wel op ontstellende wijze openbaar in het geval van de jongeman, die de man en vader van een gezin met vier jonge kinderen vermoordde. Ik heb het oog op de zoon van iemand uit een kleine plaats in Utrecht, een achtenswaardig persoon, die 12 kinderen heeft, waarvan een het leven zijner ouders van jongsaf aan vergalde. Het is niet nodig heel de levensloop van deze jongen hier nog eens te beschrijven. Het zij genoeg te vermelden, dat hij in verschillende inrichtingen werd opgenomen en herhaalde malen ontvluchtte. Toch werd hem telkens weer vrijheid gegeven met het gevolg, dat hij naar Den Haag vluchtte en leefde van diefstallen. Hij kwam in de gevangenis en daarna weer in de inrichting te Vledder. Niettegenstaande de ongunstige ervaringen liet men hem na negen dagen aan een wandeling deelnemen en weer nam hij de vlucht, wat ten slotte leidde tot de moord. Over het laten wandelen was de vader zelf ten zeerste verstoord. Dat hadden ze nooit mogen doen, zei 'hij, vooral niet met die ervaring van het vorige jaar. En voorts was hij van mening, dat er voor zijn zoon een mogelijkheid was geweest hem in het rechte spoor te brengen, n.l. door

tucht en hard werken,

maar niet door het gesol van psychiaters en maatschappelijk werksters.

Sprekende over de psychiaters, merkte hij volgens een verslag in „De Telegraaf" van 21 juni 1961 voorts ook nog op:

„De psychiaters verdringen de rechters — de straf wordt verdoezeld en in plaats van strenge tucht, waardoor er misschien nog iets van mijn zoon terecht was gekomen, worden de verpleegden van overheidswege vetgemest".

Mijnheer de voorzitter. Zoals deze vader over de psychiaters dacht, zo denken zeer velen met hem erover. Met heel het moderne strafrecht is men dan ook op de verkeerde weg. Er wordt daarbij uitgegaan van de humanistische gedachte,

dat de delinkwent van nature goed is en dat hij door verandering van omstandigheden kan worden opgekweekt tot een voorbleeldig mens. De ervaring leert echter wel anders. Misdrijf op misdrijf zijn het gevolg van het humanistische, moderne strafrecht. Het vorige jaar heeft ons daarvan wel krasse, maar allerdroevigste bewijzen geleverd en ook dit jaar werden er wederom door psychopaten verscheidene misdrijven met wurgmoorden gepleegd. De heer Roolvink herinnerde hedenmiddag nog aan de jongen, die zijn vader en moeder te Maastricht vermoordde, en die onder verpleging was geweest van een topman onder de psychiaters. In de rede van de minister kwam tot uiting, dat hij grote verwachtingen heeft van het aanstellen van een inspekteurgeneraal voor de psychopatenverzorging. Wij kunnen die verwachtingen niet delen, wanneer niet een andere koers wordt gevolgd, waarbij niet het humanisme, maar Gods Woord tot richtsnoer wordt gesteld, dat ons onder meer leert, dat zachte heelmeesters stinkende wonden maken.

Wat het gebeurde te

Staphorst

betreft, zijn ook wij van oordeel, dat hierbij grote voorzichtigheid geboden is. Te waarderen valt onzes inziens, dat aldaar nog aangaande het huwelijk gezonde opvattingen bestaan en dat in deze gemeenschap nog verontwaardiging gevonden wordt over de zonde van overspel, al willen wij hiermee niet zeggen, dat het de juiste methode is, die in Staphorst is gevolgd.

Ten slotte nog een woordje tot de heer Meulink, die mij min of meer heeft verweten, dat ik niet zou hebben gewaardeerd wat de minister in het afgelopen jaar heeft gedaan in verband met de pornografie. Ik kan dit verwijt niet aanvaarden, maar moet het afwijzen, want hij zal zien, als hij mijn rede nog eens naleest, dat ik wel degelijk melding heb gemaakt van wat In de memorie van antwoord staat over hetgeen in Amsterdam voor de rechtbank is gebeurd, waar een handelaar in pornografische lektuur berecht en gestraft is. De heer Meulink (A.R.P.): U bevestigt, dat het vervolgingsbeleid veel strenger is geworden. De heer Van Dis (S.G.P.): Wat dat betreft, is er nu iets gebeurd. Dat heb ik niet ontkend.

De heer Meulink (A.R.P.): U hebt het tot nu toe ook niet bevestigd. De heer Van Dis (S.G.P.): Ik heb niet gezegd dat de minister in dit opzicht in gebreke is gebleven, maar ik heb wel gezegd, dat er nog veel lektuur is die nog schadelijker is dan wat men noemt de pornografie. Die wordt gewoon verkocht. Ik was verleden week in een soort winkelhal in de Wagenstraat, waar men kranten, enz. kan kopen; ik sloeg een boekje open en wat ik daarin met één oogopslag las, was gewoon

ontstellend.

De titel van het boek en de naam van de schrijver weet ik niet meer, ik keek er maar even in. Wat het door mij vanmiddag genoemde boek betreft, werd mij gevraagd de titel er van te noemen. Wanneer ik

dit zou doen, zou ik handelen in strijd met de raad, die de parlementaire verslaggever van „Het Vaderland" — niet de tegenwoordige, maar de vorige — mij eens heeft gegeven, n.l. om geen naam van schrijver en titel van zedenverwoestende lektuur te noemen. Hij schreef in zijn blad: Het is beter dit niet te doen. Dit is inderdaad zo, want als ik naam en titel hier noem, komen deze in de pers en ook in onze eigen krant, zodat wij dan voor zo'n boek reklame zouden maken. De tegenwoordige parlementaire redakteur van „Het Vaderland" denkt hierover blijkbaar anders, want verleden jaar noemde hij in zijn verslag de titel van een boek, welke door mij niet was genoemd. Wij willen dus geen

titels en schrijvers noemen. Daarom heb ik over dat boek, waarop ik vanmiddag doelde, de minister vorige week een. briefje geschreven. Aan de minister zijn dus de titel, de schrijver en de uitgever bekend. Ik zal het hierbij laten en eindigen met het verzoek aari de minister ernstig zijn aandacht te besteden niet alleen aan de pornografie — het moet al heel erg zijn blijkbaar, wil er een vervolging worden ingesteld en straf worden opgelegd — maar ook aan allerlei andere lektuur, waarop ik vanmiddag de aandacht heb gevestigd. Daartegen dient ook vervolging te worden ingesteld. Zo nodig dient de strafwet te worden veranderd, opdat ook in die gevallen straf kan worden toegepast.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 6 december 1961

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Justitie

Bekijk de hele uitgave van woensdag 6 december 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken